[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser heeft op 19 november 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 7 december 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is, maar de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft in Senegal problemen gehad vanwege zijn seksuele geaardheid en is om die reden gevlucht. Hij heeft verklaard dat hij op 9 november 2024 op weg naar werk was en werd aangevallen. Zijn ID-kaart en portemonnee zijn daarbij meegenomen. Ook is hij geslagen en uitgescholden. Eiser kreeg doodsbedreigingen vanwege zijn seksuele geaardheid. Bij terugkeer vreest eiser vermoord te worden.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. homoseksuele geaardheid en hiermee samenhangende problemen.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De homoseksuele geaardheid en de hiermee samenhangende problemen worden ongeloofwaardig geacht, omdat eiser hierover summier, tegenstrijdig en wisselend heeft verklaard en de seksuele geaardheid en de hiermee samenhangende problemen niet met objectieve documenten heeft onderbouwd. Verder blijkt volgens de minister uit eisers verklaringen niet dat hij een gegronde vrees voor vervolging dan wel ernstige schade heeft. Dat eiser uit Senegal komt is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn. De minister concludeert dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.
Is het besluit onzorgvuldig voorbereid?
6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte in het voornemen niet is ingegaan op de correcties en aanvullingen van 4 december 2024. Volgens eiser zijn deze correcties en aanvullingen van invloed op het besluit, omdat hij in deze correcties en aanvullingen uitgebreide informatie verstrekt heeft over zijn vriend waaruit, in samenhang met wat hij eerder heeft verklaard, de oprechtheid van zijn relatie blijkt.
Het betoog van eiser slaagt niet. Het voornemen is, zoals de minister ook stelt, een voorbereidingshandeling die niet is gericht op enig rechtsgevolg. De rechtmatigheid van het besluit wordt uiteindelijk beoordeeld aan de hand van de inhoud van het uiteindelijke besluit en niet van het voornemen. Daar komt bij dat de minister in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd heeft gereageerd op de correcties en aanvullingen, terwijl de minister ook in het voornemen de verklaringen van eiser over [vriend], en waarom hij zo belangrijk was voor eiser, heeft betrokken. Daarnaast is eiser niet in zijn belangen geschaad, omdat eiser via de zienswijze de mogelijkheid heeft gehad om nog niet eerder ingebrachte correcties en aanvullingen alsnog in te dienen. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat de toelichting van eiser in de correcties en aanvullingen niet kan leiden tot een heroverweging van het voornemen, omdat eiser met de toelichting nog steeds niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij heeft ontdekt gevoelens te hebben voor mannen en wanneer en hoe hij voor het eerst geconfronteerd werd met deze gevoelens, hetgeen van eiser mag worden verwacht. De beroepsgrond slaagt niet.
Afdoening als kennelijk ongegrond
7. Eiser betoogt dat de minister de asielaanvraag van eiser niet mocht behandelen in de versnelde procedure, omdat de meervoudige kamer van deze rechtbank van 8 januari 2025 heeft geoordeeld dat Senegal in zijn algemeenheid niet kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst.
De minister heeft zich in het verweerschrift van 27 oktober 2025 op het standpunt gesteld dat volgens het arrest van het Hof van 1 augustus 2025 niet langer kan worden uitgegaan van Senegal als veilig land van herkomst. Dat leidt ertoe dat de aanvraag niet kennelijk ongegrond verklaard had mogen worden. De minister stelt echter dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Eiser heeft volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat een rechtsgrond bestaat voor verlening van de gevraagde asielvergunning. Hierbij verwijst de minister naar de uitspraak van de Afdeling, waaruit blijkt dat de rechtsgevolgen in stand kunnen worden gelaten, wanneer een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een rechtsgrond bestaat voor verlening van de gevraagde asielvergunning.
Eiser en zijn gemachtigde hebben zich bij bericht van gemachtigde op 26 november 2025 afgemeld voor de zitting. In dat bericht heeft de gemachtigde aangegeven dat naar aanleiding van de in beroep aangevoerde punten geen opmerkingen worden gemaakt. De rechtbank begrijpt dit aldus dat eiser geen nadere gronden heeft aangevoerd tegen het standpunt van de minister in het verweerschrift. Er zijn daarmee geen gronden gericht tegen de conclusie van de minister dat geen rechtsgrond bestaat voor verlening van een asielvergunning aan eiser. De rechtbank overweegt ten overvloede dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser nooit problemen heeft gehad met de autoriteiten in Senegal. Tevens heeft de minister terecht gesteld dat uit algemene landeninformatie blijkt dat eiser bij problemen bescherming van de autoriteiten kan inroepen. Eiser heeft dat in het nader gehoor ook niet ontkend. Nu het tweede asielmotief van eiser niet geloofwaardig is geacht, doet de zwakkere positie van vrouwen en personen die deel uitmaken van de LHBTI-gemeenschap in Senegal hieraan niet af. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat Senegal voor eiser persoonlijk niet veilig is.
Bij brief van 17 oktober 2025 heeft de minister, zoals hierboven reeds overwogen, erkend dat de aanvraag van eiser niet op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kennelijk ongegrond had mogen worden verklaard. De minister handhaaft deze afdoeningsgrond daarom niet. De minister heeft dus ten onrechte aangenomen dat eiser afkomstig is uit een veilig land van herkomst en de minister heeft eisers asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond afgewezen. Dat betekent dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, zodat ook de grondslag voor het onthouden van de terugkeertermijn en het opgelegde inreisverbod komt te vervallen. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond. De minister is er bij de voorbereiding en de motivering van het bestreden besluit ten onrechte van uitgegaan dat Senegal kan worden aangemerkt als een veilig land van herkomst. Hij heeft eisers aanvraag daarom ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond, hem een vertrektermijn onthouden en een inreisverbod opgelegd.
De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen wegens een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Uit hetgeen in 7.2 is overwogen volgt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat een rechtsgrond voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning bestaat. De rechtbank zal daarom de rechtsgevolgen van het te vernietigde besluit in stand laten. Omdat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond, en het besluit er geen blijk van geeft dat er voor de minister ook andere gronden waren om eiser een vertrektermijn te onthouden, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de vertrektermijn van eiser vier weken bedraagt en dat deze termijn aanvangt op de dag na verzending van een afschrift van deze uitspraak aan partijen. Verder bedraagt de termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift één week.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 7 december 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven voor zover dat besluit inhoudt dat aan eiser geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend;
- stelt de vertrektermijn van eiser vast op vier weken, ingaande op de dag na bekendmaking van deze uitspraak, en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot betaling van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.