RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2023
(gemachtigde: mr. J. Sinnema),
en
(gemachtigde: mr. M.P. Gaal-de Groot).
Procesverloop
Bij besluit van 12 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser heeft zware gronden 3a en 3d en lichte gronden 4a, 4c en 4d, betwist.
Eiser heeft aangevoerd dat de minister zware grond 3a niet aan de maatregel ten grondslag heeft kunnen leggen. Eiser is Nederland weliswaar illegaal ingereisd, maar dat geldt voor het merendeel van de vreemdelingen die in Nederland asiel vragen. Daarnaast voert eiser aan dat zware grond 3d hem niet kan worden tegengeworpen, omdat eisers identiteit in de asielprocedure geloofwaardig is geacht. Eiser heeft verder aangevoerd dat de minister de lichte grond 4a niet aan de maatregel ten grondslag heeft kunnen leggen. Eiser was niet op de hoogte van zijn meldplicht maar kan hieraan voldoen. Ook kan lichte grond 4c hem niet worden tegengeworpen, aangezien eiser verblijft bij een opvang in Utrecht en hiermee een vaste verblijfplek heeft. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat de minister lichte grond 4d niet aan de maatregel ten grondslag heeft kunnen leggen. Eiser krijgt van de opvang in Utrecht immers wekelijks € 60, aan daarmee beschikt hij over middelen van bestaan.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn zware gronden 3b en 3c feitelijk juist. De zware grond 3b is feitelijk juist, omdat eiser op 28 augustus 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. Hiermee heeft hij zich enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken. Verder is zware grond 3c feitelijk juist, omdat aan eiser op 27 juli 2023 een inreisverbod is opgelegd voor de duur van twee jaar. Met dit besluit is tevens een terugkeerbesluit opgelegd, waarbij is bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moest verlaten. Eiser was bekend met dit terugkeerbesluit en heeft desondanks in Nederland verbleven.
Zware gronden 3b en 3c zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, te kunnen dragen. De rechtbank zal de betwiste gronden daarom niet bespreken. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
2. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, namelijk een meldplicht. Eisers medische situatie maakt dat hij niet geschikt is voor detentie. Eiser is in hongerstaking, heeft psychische klachten en is verward.
Daarnaast belemmert de inbewaringstelling eiser in het indienen van een opvolgende asielaanvraag.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De stelling van eiser dat zijn medische situatie maakt dat hij niet in bewaring kan blijven, is onvoldoende voor het oordeel dat hij detentieongeschikt is. Deze stelling is namelijk niet met documenten onderbouwd. Evenmin zijn voor een dergelijk oordeel concrete aanknopingspunten in het dossier aanwezig. Daar komt bij dat ten aanzien van de medische zorgverlening binnen detentiecentra gesteld kan worden dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Ook eisers stelling, dat de inbewaringstelling het indienen van een opvolgende asielaanvraag belemmert, maakt dit oordeel niet anders. Zijn eerdere asielaanvraag is op 27 juli 2023 afgewezen en bij uitspraak van 22 augustus 2023 is eisers beroep tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. Sinds deze eerdere afwijzing is inmiddels ruim tweeënhalf jaar verstreken. De rechtbank ziet dan geen reden om aan te nemen dat de inbewaringstelling op dit moment een belemmering vormt voor eiser om een opvolgende aanvraag in te dienen.
Daar komt bij dat de minister terecht heeft gewezen op de niet bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en waaruit het risico op onttrekking aan het toezicht volgt. Ook heeft de minister terecht van belang geacht dat eiser al eens met onbekende bestemming is vertrokken. Bovendien heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan de maatregel aangegeven dat hij niet terug wil naar Senegal, hetgeen hij heeft herhaald in het vertrekgesprek van 16 januari 2026. Daarmee heeft de minister voldoende gemotiveerd dat met een lichter middel dan inbewaringstelling niet kon worden volstaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
3. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering van eiser uit Nederland. Er vond een vertrekgesprek plaats op 16 januari 2026. In het verslag van dit gesprek staat onder meer dat een aanvraag voor een laissez-passer (lp) zal worden opgestart. Hierover zijn in het dossier geen verdere stukken.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. Eiser is op
12 januari 2026 in bewaring gesteld. Op 16 januari 2026 vond het vertrekgesprek plaats, waarin onder meer is aangekondigd dat eiser dient terug te keren naar het land van herkomst en dat een lp-aanvraag zal worden opgestart. Een vertrekgesprek is een daadwerkelijke handeling gericht op overdracht. Het vertrekgesprek vond plaats op de vierde dag van de bewaring. Gelet hierop is de rechtbank, mede gelet op de Afdelingsuitspraak van 23 februari 2024, van oordeel dat de minister voldoende voortvarend aan eisers verwijdering uit Nederland heeft gewerkt. Dat de minister mogelijk iets sneller had kunnen handelen, maakt dit oordeel niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Bestaat er zicht op uitzetting naar Senegal?
4. Eiser voert aan dat niet uit openbare bronnen blijkt dat er vreemdelingen worden uitgezet naar Senegal. In 2021 en 2022 zijn alle lp-verzoeken aan Senegal ingetrokken door de Dienst Terugkeer & vertrek. Hiermee is er geen zicht op uitzetting naar Senegal.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in het algemeen zicht op uitzetting naar Senegal. Zoals eerder in de uitspraak van 5 december 2025 is geoordeeld, volgt uit de cijfers en de toelichting die de minister op zitting heeft gegeven namelijk dat er in 2024 en 2025 daadwerkelijk lp’s zijn verstrekt en uitzettingen naar Senegal hebben plaatsgevonden. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.