ECLI:NL:RBDHA:2026:12537

ECLI:NL:RBDHA:2026:12537

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-05-2026
Datum publicatie 19-05-2026
Zaaknummer NL26.20997
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Dublin Roemenië, verantwoordelijkheid, artikel 16 en 17 van de Dublinverordening, ongegrond.

Uitspraak

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Gorsselink),

en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Roemenië een verzoek om overname gedaan. Roemenië heeft dit verzoek aanvaard.

Is Roemenië verantwoordelijk voor de asielaanvraag van eiser?

5. Eiser betoogt dat Roemenië niet verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag. Hij heeft in Roemenië namelijk geen asielaanvraag gedaan en het visum heeft eiser op valse gronden verkregen. Dat blijkt ook uit het feit dat eiser is doorgereisd in Roemenië. Hij is daar niet gekomen om gebruik te maken van het visum en het doel waarvoor het is afgegeven.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat Roemenië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. Dat eiser geen asielaanvraag heeft gedaan, maakt dat niet anders. De verantwoordelijkheid van Roemenië is namelijk gebaseerd op het door Roemenië verleende visum, zoals blijkt uit eisers echt bevonden Jemenitisch paspoort. De minister mag ervanuit gaan dat het visum niet frauduleus verkregen is. De Roemeense autoriteiten hebben namelijk het claimverzoek geaccepteerd op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. Daaruit blijkt dat Roemenië ervanuit gaat dat zij verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Gelet op artikel 12, vijfde lid, van de Dublinverordening is het opgeven van een onjuist doel daarnaast niet relevant voor de toepassing van dit artikel.

Had de minister artikel 16 van de Dublinverordening moeten toepassen?

6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat artikel 16 van de Dublinverordening niet op eiser van toepassing is. Hierbij heeft de minister namelijk geen rekening gehouden met de individuele omstandigheden van eiser, namelijk dat hij autisme heeft en functioneert op de leeftijd van een 14-jarige. Waardoor sprake is van een ernstige ziekte. Daarnaast is aan de overgelegde verklaring van de directeur van het Al-Hakeem Specialistisch Centrum onvoldoende waarde gehecht. Hier is in het besluit niet naar gekeken. Tot slot voert eiser aan dat deze omstandigheden aanleiding hadden moeten zijn om nader onderzoek te laten doen. Dit kan namelijk ook een rol spelen in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening.

De minister mocht zich op het standpunt stellen dat de individuele situatie van eiser geen aanleiding geeft om toepassing te geven aan artikel 16 of 17 van de Dublinverordening. Met betrekking tot artikel 16 van de Dublinverordening stelt de minister terecht dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van dit artikel. Er is namelijk geen sprake van afhankelijkheid die voortkomt uit zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte, een zware handicap of hoge leeftijd. Dat volgens eiser sprake is van een ernstige ziekte, heeft de minister niet hoeven volgen. Eiser heeft hiervan namelijk geen enkele onderbouwing gegeven. Daarnaast heeft de broer van eiser geen verklaring afgelegd waaruit blijkt dat hij voor eiser wenst te zorgen. Verder is niet gebleken van een afhankelijkheid die zodanig vergaand is dat alleen de broer van eiser hem kan begeleiden of verzorgen. Eiser heeft namelijk niet concreet gemaakt op welke wijze invulling wordt gegeven aan de zorg. Ook uit de overgelegde verklaring blijkt niet dat eiser specifiek afhankelijk is van de zorg van zijn broer. Daarbij komt dat aan het document weinig waarde kan worden gehecht, omdat deze niet op echtheid onderzocht kan worden, niet is opgesteld door een BIG-geregistreerde medisch specialist en ouder dan zes maanden is. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn betoog dat de minister nader onderzoek had moeten doen. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats, is hiervoor onvoldoende. In die zaak had de vreemdeling namelijk objectieve medische gegevens overgelegd waaruit de ernst van de gezondheidstoestand bleek. Eiser heeft zijn medische situatie echter op geen enkele wijze onderbouwd. Daarom heeft de minister geen aanleiding hoeven zien voor het doen van nader onderzoek. Gelet op voorgaande heeft de minister ook geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Daarbij heeft de minister erop mogen wijzen dat eiser voor zijn zorgbehoefte kan wenden tot de Roemeense autoriteiten en op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervanuit mag gaan dat de zorg daar vergelijkbaar is met de zorg in Nederland. Het is niet gebleken dat dit voor eiser niet het geval is.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit in stand kan blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas

Griffier

  • mr. K.H.M.M. Otten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand