RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen
[naam], verzoeker,
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/13014
V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
1. Deze uitspraak gaat over het door verzoeker ingediende verzoek om schadevergoeding. Hij vraagt om schadevergoeding vanwege een onrechtmatige plaatsing in de ROV-kamer in de HTL in Hoogeveen.
De rechtbank wijst in deze uitspraak het verzoek om schadevergoeding deels toe. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verzoeker is bij maatregel van 2 september 2024 voor de duur van vier dagen in de ROV-kamer in de HTL in Hoogeveen geplaatst. Bij maatregel van 17 september 2024 is verzoeker nogmaals voor de duur van zeven dagen in de ROV-kamer geplaatst.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 6 december 2024 geoordeeld dat de hiervoor genoemde maatregelen niet goed zijn gemotiveerd en op onjuiste grondslag zijn opgelegd. De rechtbank heeft de besluiten vernietigd. Omdat verzoeker niet heeft verzocht om schadevergoeding is dat in die uitspraak niet toegekend.
Verzoeker heeft vervolgens op 14 februari 2025, 20 februari 2025 en op 21 maart 2025 een schriftelijk verzoek ingediend bij het betrokken bestuursorgaan om vergoeding van de schade die hij geleden heeft.
Het COa heeft op 15 mei 2025 aangegeven geen aanleiding te zien om schade te vergoeden.
Verzoeker heeft vervolgens op 4 juni 2025 de rechtbank verzocht om het COa te veroordelen tot vergoding van de schade die hij heeft geleden vanwege de onrechtmatige besluiten.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, een tolk en de gemachtigde van het COa.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft verzoeker schade geleden vanwege de onrechtmatige besluiten?
Bevoegdheid en ontvankelijkheid
3. Deze rechtbank en zittingsplaats is bevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding. Vooropgesteld wordt dat de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd is te oordelen over schadeverzoeken als deze zien op onrechtmatige besluiten over vreemdelingen. De rechtbank stelt vast dat sprake is van onrechtmatige besluiten, omdat de onrechtmatigheid door deze rechtbank en zittingsplaats is vastgesteld en deze uitspraak in rechte vaststaat. Verder is het verzoek om schadevergoeding ook ontvankelijk. Verzoeker heeft namelijk eerst, zoals wettelijk vereist, het COa gevraagd om een reactie.
4. De rechtbank overweegt dat partijen niet van mening verschillen dat de door het COa genomen besluiten van 2 september 2024 en 17 september 2024 onrechtmatig waren. Partijen verschillen wel van mening of verzoeker schade heeft geleden, wat de omvang van de gestelde schade is en of het COa deze schade moet vergoeden. De rechtbank zal hierna eerst het toetsingskader schetsen en vervolgens de schadeposten bespreken.
Toetsingskader
5. Bij verzoeken zoals deze dient de rechtbank zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht. Dit brengt mee dat achtereenvolgens moet worden beoordeeld of er schade bestaat, of die schade in een causaal verband staat met het onrechtmatige besluit, of het relativiteitsvereiste aan vergoeding van schade in de weg staat, hoe hoog de te vergoeden schade is, en of er aanleiding bestaat om de schadevergoeding te verminderen vanwege eigen schuld. Het is aan verzoeker om de gestelde schade aannemelijk te maken.
Onrechtmatige vrijheidsbeperking
6. Verzoeker stelt dat hij schade heeft geleden, omdat hij onrechtmatig verdergaand in zijn vrijheid is beperkt door de plaatsing in de ROV-kamer. Daarbij wordt verwezen naar een uitspraak van de Afdeling waaruit volgt dat overplaatsing naar een ROV-kamer een nog verdergaande inperking is van de bewegingsvrijheid. Daarom moet volgens verzoeker bij de toekenning van de schadevergoeding aansluiting gezocht worden bij de vergoeding voor onrechtmatige vrijheidsontneming van € 100,- per dag en niet die van onrechtmatige vrijheidsbeperking van € 25,- per dag.
Het COa heeft op de zitting erkend dat verzoeker recht heeft op schadevergoeding vanwege de onrechtmatige ROV-maatregelen, omdat hij onrechtmatig in zijn vrijheid is beperkt. Het COa verzoekt de rechtbank aan te sluiten bij een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats en uit te gaan van een bedrag van € 25,- per dag.
De rechtbank vindt dat verzoeker recht heeft op een schadevergoeding van € 25,- per dag dat hij onrechtmatig in de ROV-kamer zat. In het betoog van verzoeker ziet de rechtbank geen aanleiding om aansluiting te zoeken bij de bedragen die worden toegekend in het kader van bewaring, omdat het in deze zaak gaat om vreemdelingrechtelijke vrijheidsbeperking. De rechtbank zal daarom het COa veroordelen tot vergoeding van de door verzoeker geleden schade voor de periode van de 11 dagen dat hij ten onrechte in de ROV-ruimte op de HTL heeft verbleven. Dat is dus in totaal € 275,- (11 x € 25,00).
Theorie-examen
7. Verzoeker stelt dat hij daarnaast schade heeft geleden vanwege een gereserveerd theorie-examen op 19 september 2024. Daarbij zijn ook kosten gemaakt voor een tolk. Het was voor verzoeker niet mogelijk om, vanwege het verblijf in de ROV-kamer, naar het theorie-examen te gaan.
Het COa stelt zich op het standpunt dat de schadepost onvoldoende is onderbouwd. Verzoeker heeft niet onderbouwd dat deze kosten ook daadwerkelijk zijn gemaakt. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit volgt dat verzoeker heeft betaald. Daarnaast stelt het COa dat het causale verband tussen de schade en de ROV-maatregel ontbreekt. Bovendien had verzoeker het COa om toestemming kunnen vragen om de HTL te mogen verlaten voor het theorie-examen of deze kunnen afzeggen of herplannen.
De rechtbank oordeelt dat verzoeker deze schade onvoldoende heeft onderbouwd. De bevestigingsbrief van 10 augustus 2024 van een theorie-examen op 19 september 2024, een uitdraai van de standaardkosten voor het theorie-examen en een tolk bij dat examen zijn daarvoor onvoldoende. Uit deze stukken volgt namelijk niet dat eiser deze kosten voor het theorie-examen en de tolk ook daadwerkelijk heeft gemaakt. Omdat niet kan worden vastgesteld dat schade is geleden komt de rechtbank niet toe aan de overige gronden.Immateriële schade
8. Verder stelt verzoeker dat hij immateriële schade heeft geleden. Hij heeft psychische klachten dankzij de plaatsing in de ROV-kamer. Als onderbouwing daarvan heeft hij de eerste bladzijde van zijn medisch patiënten journaal overgelegd. Daarbij moet ook meegenomen worden dat eiser op de zitting heeft verklaard dat de ROV-maatregelen veel impact op hem hebben gehad.
Het COa stelt zich op het standpunt dat de overgelegde bladzijde van het medisch patiënten journaal onvoldoende onderbouwing geeft om de schade te kunnen vaststellen. Daarnaast ontbreekt een onderbouwing van het causale verband tussen de immateriële schade en de ROV-maatregelen.
De rechtbank vindt dat de gevraagde immateriële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. Het is aan verzoeker om de gestelde aantasting in zijn persoon met concrete gegevens te onderbouwen. Daarvoor is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. De rechtbank overweegt dat de enkele bladzijde van het medisch journaal daarvoor onvoldoende is. Uit het medisch journaal volgt alleen dat aan verzoeker een luisterend oor is geboden op het consult. Daarmee heeft verzoeker de door hem gestelde psychische schade vanwege de ROV-maatregelen niet met voldoende concrete gegevens onderbouwd. De rechtbank sluit daarmee overigens niet uit dat verzoeker last heeft gehad van enige stress of spanning vanwege de ROV-maatregelen. Maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat verzoeker vanwege de ROV-maatregelen zulke nadelige gevolgen heeft ondervonden dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting van zijn persoon.
Conclusie en gevolgen
9. Omdat de rechtbank het schadeverzoek voor de onrechtmatige vrijheidsbeperking toewijst krijgt verzoeker dus (deels) gelijk. Daarom krijgt hij vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- veroordeelt het COa tot vergoeding van schade aan eiser tot een bedrag van € 275,00;
- wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;
- veroordeelt het COa in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.