RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61941
(gemachtigde: mr. M.L. Saija),
en
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De door de minister gehanteerde geloofwaardigheidsbeoordeling is namelijk niet in strijd met het Unierecht. Ook heeft de minister eisers problemen ongeloofwaardig mogen vinden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 december 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben op 21 april 2026 meegedeeld niet te zullen verschijnen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser is van Iraakse nationaliteit. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft in 2015 problemen gekregen met de Iraakse autoriteiten en met de militie Ahl al-Haq (AAH) nadat hij per ongeluk alcoholhoudend bier ontving van de groothandel. Er volgde een arrestatiebevel en tevens een dreigement van AAH. Eiser is daarom gevlucht. Bij terugkeer vreest eiser gevangengenomen te worden of gemarteld en gedood te worden door AAH.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen vanwege ontvangst van alcoholhoudend bier.
De minister stelt zich op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Eisers problemen vanwege de ontvangst van alcoholhoudend bier zijn echter niet geloofwaardig. De geloofwaardige asielmotieven bieden volgens de minister geen aanleiding voor de conclusie dat eiser te vrezen heeft voor vervolging of dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. Omdat eiser bovendien niet zo snel mogelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming wenst nadat hij in Nederland was aangekomen, vindt de minister dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geen aanleiding geven voor de conclusie dat eiser heeft te vrezen voor vervolging of dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade.
Is Werkinstructie 2024/6 in strijd met het Unierecht?
5. Eiser betoogt dat Werkinstructie 2024/6 (WI 2024/6) in strijd is met rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Justitie. Het besluit is daarom onrechtmatig. In dit verband wijst eiser ook op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 7 januari 2025.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juni 2025 en 8 september 2025. In deze uitspraken is geoordeeld dat WI 2024/6 in lijn is met het Unierecht. De rechtbank ziet in het betoog van eiser geen aanleiding om af te wijken van de genoemde uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats.
Heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers problemen ongeloofwaardig zijn?
6. Eiser heeft niet betwist dat hij zijn problemen vanwege ontvangst van alcoholhoudend bier niet volledig heeft onderbouwd met (objectieve) documenten. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven. Ook heeft eiser onvoldoende documenten overgelegd en heeft daarvoor geen goede verklaring. Verder vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel en heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers gestelde problemen vanwege ontvangst van alcoholhoudend bier ongeloofwaardig zijn. De rechtbank licht dat oordeel hierna verder toe voor de verschillende onderdelen die de minister in het bestreden besluit onderscheidt en aan de hand van dat wat eiser daartegen heeft aangevoerd.
Eiser heeft onvoldoende inspanningen verricht om documenten uit Zweden te laten overkomen
7. Eiser betoogt dat hij diverse malen heeft getracht de documenten die zijn asielrelaas onderbouwen van de Zweedse autoriteiten te verkrijgen. Hij onderneemt hiertoe tot op heden actie. Een verklaring van zijn Zweedse advocaat is opgevraagd ter onderbouwing van de inspanningen die eiser, in het kader van het verkrijgen van documenten die zijn asielrelaas nader onderbouwen, verricht. Eiser blijft bij zijn verwijzing naar informatiebericht 2023/76 (IB 2023/76) in zijn zienswijze. De minister had op grond van dat informatiebericht een onderzoek moeten opstarten. Op dit punt heeft de minister het besluit onvoldoende gemotiveerd.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende inspanningen heeft verricht om de documenten uit zijn Zweedse asieldossier over te laten overkomen. Allereerst heeft de minister er niet ten onrechte op gewezen dat het eisers eigen verantwoordelijkheid is om documenten te overleggen die zijn asielrelaas kunnen onderbouwen. Dat de minister de mogelijkheid heeft om eisers asieldossier bij de Zweedse autoriteiten op te vragen ontslaat eiser niet van deze verantwoordelijkheid. Eiser heeft echter niet onderbouwd dat hij heeft geprobeerd om de documenten naar Nederland te halen. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat dat voor hem niet mogelijk is. Hoewel er een samenwerkingsverplichting op eiser én de minister rust, gaat deze niet zo ver dat de minister er in zo’n geval toe gehouden zou zijn om het Zweedse asieldossier voor eiser op te vragen. Gelet daarop heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat hij geen onderzoek op heeft hoeven starten om eisers documenten bij de Zweedse autoriteiten op te vragen.
Eiser heeft inconsistent verklaard over de tijdlijn van zijn problemen
8. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser inconsistent heeft verklaard over de tijdlijn van zijn problemen. Zoals blijkt uit de correcties die bij de beroepsgronden zijn gevoegd is eiser eind mei vetrokken. Dit maakt dat zijn verklaringen op dat punt kloppen en geloofwaardig geacht dienen te worden.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser inconsistent heeft verklaard over de tijdlijn van zijn problemen. Eiser heeft eerst namelijk verklaard dat hij eind juni 2015 uit Irak is vertrokken. Later stelt eiser echter dat hij op 15 mei het alcoholhoudend bier geleverd kreeg, dat de politie rond 19 of 20 mei bij hem langskwam en dat hij een aantal dagen later van zijn vriend hoorde dat er een arrestatiebevel was geschreven. Vervolgens stelt eiser twee dagen daarna Irak te hebben verlaten. De minister heeft mogen vinden dat deze tijdlijn niet strookt met eisers eerdere verklaring dat hij eind juni 2015 uit Irak is vertrokken. Dat eiser in de correcties en aanvullingen zou hebben verklaard dat hij eind mei is vertrokken, wordt niet gevolgd door de rechtbank. Eiser heeft namelijk geen correcties en aanvullingen op het nader gehoor ingediend en heeft dat tot op heden nog steeds niet gedaan, ondanks zijn mededeling in de beroepsgronden dat hij dit alsnog zou doen. Eisers betwisting van het standpunt van de minister is dan ook onvoldoende gemotiveerd.
Eiser heeft niet aannemelijk verklaard over de houding die AAH aannam tegenover eiser en het geuite dreigement
9. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser niet aannemelijk heeft verklaard over de houding die AAH tegenover hem aannam. Eiser merkt op dat het in de periode dat hij Irak heeft moeten ontvluchten heel gevaarlijk en zeer ongebruikelijk was om negatieve uitlatingen over milities te doen, laat staan dit tegen de milities zelf te uiten. Het is dan ook niet logisch dat eiser zich op een ongebruikelijke wijze heeft uitgelaten over en naar de milities toe. Het besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd. De minister lijkt niet open te staan voor de correcties en aanvullingen die in de zaak van eiser zijn opgemaakt, maar abusievelijk niet aan de minister zijn overgelegd. Ook op het punt van de dreigbrief en de houding van eiser is in de zienswijze verwezen naar de correcties en aanvullingen, maar daarnaast uiteengezet wat er daadwerkelijk is voorgevallen in de winkel. Op dit punt wordt niet nader gemotiveerd waarom wat in de zienswijze is gesteld geen stand kan houden.
Het betoog slaagt niet. De rechtbank merkt nogmaals op dat eiser tot op heden geen enkele correcties en aanvullingen heeft overgelegd, zodat eisers betoog een onduidelijke en onvoldoende gemotiveerde betwisting is van het standpunt van de minister. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister eisers verklaringen over de houding die AAH aannam tegenover hem en het geuite dreigement niet aannemelijk heeft mogen vinden. De minister heeft het onaannemelijk mogen vinden dat eiser pas problemen kreeg met AAH op het moment dat hij buiten zijn schuld om alcoholhoudend bier ontving, terwijl hij eerder financiële steun aan AAH heeft kunnen weigeren en zich negatief over hen heeft kunnen uitlaten zonder daardoor problemen met hen te krijgen. Eisers uitleg dat AAH het incident met het bier als ”smoesje” zou hebben gebruikt om problemen met hem te veroorzaken en dan pas een reden zou hebben gehad om wraak te nemen, heeft de minister ook vaag en onlogisch mogen vinden. Met zijn eerdere gedrag keerde eiser zich immers duidelijk tegen AAH, terwijl het ontvangen van alcoholhoudend bier AAH niet direct raakt. Bovendien mocht de minister het onaannemelijk vinden dat AAH de moeite zou nemen om in de ochtend een dreigbrief bij eisers winkel achter te laten waarin is aangegeven dat ze hem gaan liquideren, maar er diezelfde avond nog een lid van AAH in zijn winkel komt en het geuite dreigement niet uitvoert. Bovendien heeft de minister mogen vinden dat eiser geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor hoe AAH erachter was gekomen dat hij alcoholhoudende dranken had binnengekregen, terwijl alleen de politie bij de kwestie betrokken was. Eisers veronderstelling dat AAH “vast hun eigen ogen en handjes hebben bij de politie” heeft de minister een niet onderbouwde aanname mogen vinden.
Eiser heeft zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft daarvoor geen goede verklaring
10. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, zonder goede verklaring. Eiser is, zoals het in asielzaken betaamt, onrechtmatig Nederland in is gereisd en heeft zich onverwijld gemeld bij de Nederlandse autoriteiten. De aanvraag is daarom ook ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, zonder daarvoor een goede verklaring te hebben. Eiser heeft zich namelijk pas drie dagen na zijn aankomst in Nederland gemeld om zijn asielaanvraag in te dienen. Nu eiser stelt bescherming nodig te hebben van de Nederlandse autoriteiten, mocht de minister van hem verwachten dat hij zich bij aankomst in Nederland zo snel mogelijk zou melden. Eiser heeft verklaard dat hij zich niet meteen meldde omdat hij eerst zijn gezin wilde zien, maar de minister heeft dat geen verschoonbare reden hoeven vinden. Eiser had zich immers ook eerst kunnen melden, om daarna zijn gezin te bezoeken.
Niet bestreden tegenwerpingen
11. Ten slotte werpt de minister eiser tegen dat hij op legale wijze Irak uit is gereisd terwijl er al een arrestatiebevel tegen hem lag, en dat hij zonder problemen een paspoort heeft aangevraagd en ontvangen van de Iraakse autoriteiten in 2023. Vastgesteld wordt dat eiser dit in beroep niet heeft bestreden. De rechtbank is van oordeel dat de minister dit aan eiser heeft mogen tegenwerpen.
Conclusie
12. Gelet op wat onder 7.1, 8.1, 9.1, 10.1 en 11 is overwogen, komt de rechtbank tot de conclusie dat de beroepsgrond niet slaagt. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers problemen vanwege de ontvangst van alcoholhoudend bier ongeloofwaardig zijn, omdat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven, hij onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft, zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend.
Conclusie en gevolgen
13. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.