RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30789
(gemachtigde: mr. F. Jansen),
en
(gemachtigde: mr. J. Isibor).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 4 juli 2025 (het bestreden besluit) waarbij de minister de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingewilligd. Het beroep richt zich tegen de vaststelling van de geboortedatum van eiser.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Met het bestreden besluit heeft de minister de aanvraag toegewezen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door F.J. Hoppenbrouwer, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen G. Ogbamichael. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. De rechtbank beoordeelt of de minister mocht uitgaan van de geboortedatum zoals die in Italië is geregistreerd, of dat hij had moeten uitgaan van de door eiser gestelde geboortedatum. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. Eiser stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2008. Hij is uit Eritrea gevlucht vanwege de onderdrukking in Eritrea en vanwege het feit dat hij is opgeroepen voor dienstplicht. Ook is zijn moeder overleden. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser als geloofwaardig beoordeeld. De minister heeft de geboortedatum van eiser als niet geloofwaardig beoordeeld. De minister stelt dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn geboortedatum. Uit de uitgevoerde leeftijdsschouwen blijkt dat twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd. Uit onderzoek is vervolgens gebleken dat eiser in Italië geregistreerd staat met de geboortedatum [geboortedatum 2] 2003. Eiser heeft geen plausibele verklaring gegeven voor deze afwijkende registratie. Ook heeft eiser weinig gedetailleerd verklaard over zijn leeftijd. De door eiser overgelegde doopakte is geen identificerend document, dus hier kan weinig waarde aan worden gehecht. De minister gaat daarom uit van de geboortedatum [geboortedatum 2] 2003.
Zijn de leeftijdsschouwen voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent?
5. Eiser voert in beroep aan dat de leeftijdsschouwen die zijn uitgevoerd door de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) en de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) onvoldoende inzichtelijk zijn. Er bestaan inhoudelijke verschillen tussen de schouwen van de AVIM en de IND.
In paragraaf C1/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is het beleid met betrekking tot leeftijdsbepaling neergelegd. De minister heeft overeenkomstig dit beleid een leeftijdsschouw bij eiser laten uitvoeren door de IND en de AVIM.
In de uitspraak van 20 augustus 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) overwogen dat in het algemeen de leeftijdsschouw zorgvuldig is en het beleid daarover redelijk is. Om in een individuele zaak tot een zorgvuldige schouw te komen, is van belang dat de verslaglegging zorgvuldig gebeurt en alle observaties tijdens het gehoor in het verslag worden beschreven. De conclusies van de schouw moeten worden verbonden aan deze observaties. Alleen dan is een schouw voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent. Als één van de leeftijdsschouwen hier niet aan voldoet, is de leeftijdsschouw in die zaak geen bruikbaar middel voor de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling.
Twee medewerkers van de AVIM hebben eiser geschouwd. In het proces-verbaal van het verhoor en de schouw door de AVIM worden enkele lichamelijke kenmerken van eiser benoemd. Daarnaast wordt over het gedrag van eiser opgemerkt dat hij het zichtbaar lastig vond antwoord te geven op de gestelde vragen, ruim de tijd nam om antwoord te geven en herhaaldelijk vroeg om verduidelijking. Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd.
Eén medewerker van de IND heeft eiser geschouwd. In het verslag van het aanmeldgehoor worden bij de schouw eerst lichamelijke kenmerken van eiser benoemd. Vervolgens wordt over het gedrag van eiser opgemerkt dat hij de medewerker voortdurend aankijkt, zijn antwoorden goed overweegt en de indruk geeft dat hij goed meewerkt. Ook heeft hij een actieve luisterhouding, komt hij over als rustig en vriendelijk en zit hij gedurende het gehele gehoor rechtop in zijn stoel. Tot slot wordt over de verklaringen van eiser opgemerkt dat hij niet kan verklaren op welke datum hij op school is begonnen of daar is gestopt, of hoe oud hij op die momenten was. Op basis van de lichamelijke kenmerken, het gedrag en de verklaringen van eiser wordt geconcludeerd dat wordt getwijfeld over de gestelde leeftijd.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de schouwen door de IND en de AVIM onvoldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zijn. Dat, zoals eiser stelt, er verschillen bestaan tussen de observaties door de IND en de AVIM, is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat de schouwen onvoldoende inzichtelijk zijn. In beide schouwen ontbreekt het echter aan een verbinding tussen de observaties en de conclusie die daaruit wordt getrokken. In de verslagen wordt niet uitgelegd hoe de observaties van de lichamelijke kenmerken, het gedrag en de verklaringen van eiser hebben geleid tot de conclusie dat sprake is van twijfel over de gestelde leeftijd van eiser. De minister mocht de leeftijdsschouwen dan ook niet betrekken bij het standpunt dat twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd. Dat neemt niet weg dat de minister met het oog op zorgvuldige besluitvorming nader onderzoek mocht doen naar de leeftijd van eiser. De minister heeft in dit geval nader onderzoek gedaan in Italië. Daaruit is gebleken dat eiser daar geregistreerd stond met de geboortedatum [geboortedatum 2] 2003.
Had de minister nader onderzoek moeten doen naar de omstandigheden waaronder de leeftijdsregistratie in Italië tot stand is gekomen?
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte vasthoudt aan de leeftijdsregistratie in Italië. Door de Italiaanse autoriteiten wordt niet inzichtelijk gemaakt hoe de leeftijdsregistratie heeft plaatsgevonden. De minister mocht niet zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan. Hij had nader onderzoek moeten doen naar de zorgvuldigheid van deze registratie.
De beroepsgrond slaagt. Daarvoor is het volgende van belang.
Zoals uit de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 volgt, kan de minister zich niet beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel als hij bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling de leeftijdsregistratie in een andere EU-lidstaat betrekt. Als de minister twijfels heeft over de minderjarigheid van een vreemdeling, dan moet hij uitgaan van het vermoeden dat de vreemdeling minderjarig is. Het is vervolgens aan de minister om dat vermoeden te ontzenuwen. Hij zal dan nader onderzoek moeten doen, eventueel in samenwerking met andere lidstaten. Als de minister een leeftijdsregistratie van een andere lidstaat aantreft, dan mag hij deze registratie bij zijn beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling betrekken en daaraan gewicht toekennen. Hij zal dan zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan die registratie toekent en waarom. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van de vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal de minister moeten informeren onder welke omstandigheden die verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen.
In het bestreden besluit overweegt de minister dat Italië kenbaar heeft gemaakt dat de in Italië geregistreerde leeftijd enkel gebaseerd is op eigen verklaringen van eiser en niet op document- of leeftijdsonderzoek door de Italiaanse autoriteiten. De minister heeft tijdens het nader gehoor vragen aan eiser gesteld over de registratie in Italië. Eiser heeft verklaard dat hij in Italië geen geboortedatum heeft opgegeven en dat de Italiaanse autoriteiten dit zelf hebben geregistreerd. Volgens eiser verliep de registratie chaotisch en hebben ze zomaar iedereen geregistreerd. Op de vraag waarom de naam van eiser wel juist is genoteerd maar zijn leeftijd niet, antwoordt eiser dat hij dat niet weet. Eiser heeft verklaard dat de autoriteiten hem een papiertje hebben gegeven waarop hij zijn naam moest schrijven, en dat ze de andere gegevens op eigen gelegenheid hebben ingevuld. Als eiser hier later nogmaals naar wordt gevraagd, verklaart hij dat hij niet weet of de Italiaanse autoriteiten een geboortedatum geregistreerd hebben. De minister stelt dat eiser daarmee geen plausibele verklaring heeft gegeven voor de afwijkende verklaring in Italië.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet heeft gehandeld in overeenstemming met het beoordelingskader zoals uiteengezet in bovengenoemde uitspraak van de Afdeling. Daaruit volgt namelijk dat als de minister een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat aantreft en vaststelt dat aan die registratie alleen de verklaring van eiser ten grondslag ligt, hij moet informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. Uit de overgelegde informatie van de Italiaanse autoriteiten blijkt niet wanneer en waar de registratie heeft plaatsgevonden, door welke autoriteiten en op basis waarvan. De minister stelt dat de geboortedatum op basis van de verklaringen van eiser is vastgesteld, maar dit blijkt niet uit de informatie van de Italiaanse autoriteiten en eiser betwist dit. Het had daarom op de weg gelegen van de minister om nadere informatie op te vragen bij de Italiaanse autoriteiten voordat hij toekwam aan de vraag of eiser een plausibele verklaring had voor de afwijkende registratie. Nu de minister geen nader onderzoek bij de Italiaanse autoriteiten heeft gedaan, heeft hij de leeftijdsbepaling onvoldoende zorgvuldig onderzocht en ondeugdelijk gemotiveerd. De minister moet daarom alsnog bij de Italiaanse autoriteiten informeren naar de wijze waarop de leeftijdsvaststelling van eiser heeft plaatsgevonden, als hij gewicht wil blijven toekennen aan de registratie in Italië.
Zoals al vastgesteld onder 6.2 moet de minister bij de beoordeling van de leeftijd van eiser uitgaan van de minderjarigheid van eiser en is het aan de minister om de presumptie van minderjarigheid te ontzenuwen. Door te overwegen dat eiser zijn minderjarige leeftijd niet heeft kunnen aantonen, miskent de minister de presumptie van minderjarigheid.
Het beroep van eiser slaagt. De rechtbank komt daarom niet toe aan de bespreking van de overige beroepsgronden.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kent het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek en is het bestreden besluit dus in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb genomen. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarin de geboortedatum van eiser is vastgesteld op [geboortedatum 2] 2003. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en ter zitting is verschenen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 4 juli 2025, voor zover daarin de geboortedatum van eiser is vastgesteld op [geboortedatum 2] 2003;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen over de geboortedatum, waarbij hij de inhoud van deze uitspraak moet betrekken;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. T.G. Bijvank, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 april 2026
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.