RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.25933
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
Procesverloop
De minister heeft op 4 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft zij beslist bij uitspraak van 30 december 2025, op het eerste vervolgberoep bij uitspraak van 11 februari 2026 en op het tweede vervolgberoep bij uitspraak van 3 april 2026.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 13 mei 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 april 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 27 maart 2026.
Ontbreekt zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn?
3. Eiser betoogt dat geen zicht op uitzetting bestaat binnen een redelijke termijn. Allereerst staat vast dat er geen zicht op uitzetting is naar Marokko, omdat de nationaliteit van eiser niet door de Marokkaanse autoriteiten kon worden bevestigd. Daarnaast is er ook geen zicht op uitzetting naar Algerije. Er zijn namelijk inmiddels al vijf maanden verstreken sinds de laissez-passer (lp) aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten. Onduidelijk is waarom nog steeds geen lp is afgegeven.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals deze rechtbank en zittingsplaats al in de uitspraak van 3 april 2026 heeft geoordeeld, betekent het feit dat er geen lp-aanvraag meer loopt bij Marokko, niet dat voor eiser geen zicht op uitzetting bestaat. Er loopt namelijk ook nog een lp-procedure bij de Algerijnse autoriteiten. In het algemeen bestaat zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten de aanvraag van eiser (al) hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet (langer) in behandeling hebben. Aan de Algerijnse autoriteiten mag enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken en om te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. Dat dit traject enige tijd zal gaan duren maakt niet dat hierom moet worden aangenomen dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die erop wijzen dat het zicht op uitzetting in zijn specifieke geval ontbreekt. Bovendien kan eiser dit traject bespoedigen door zelf inspanning te verrichten om aan documenten te komen. Niet gebleken is dat eiser daartoe stappen heeft ondernomen.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
4. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Uit de voortgangsrapportage blijkt onvoldoende welke vertrekhandelingen de minister heeft verricht sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure. Er worden onvoldoende rappels verzonden naar de Algerijnse autoriteiten en er vinden te weinig vertrekgesprekken plaats. Verder is er nog geen datum gepland voor de presentatie, en is ook niet bekend waarom de presentatie nog niet is ingepland.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser. Uit de voortgangsrapportage volgt dat op 2 april 2026 en op 23 april 2026 is gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten en dat op 15 april 2026 een vertrekgesprek is gevoerd met eiser. Het rappelleren en het voeren van vertrekgesprekken zijn uitzettingshandelingen. Dat niet voldoende duidelijk is welke vertrekhandelingen de minister heeft verricht, of dat onvoldoende vertrekhandelingen zijn verricht, volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank merkt daarbij verder op dat de minister voor het plannen van een presentatie afhankelijk is van de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
5. Eiser voert aan dat de minister moet kiezen voor een lichter middel, zoals een meldplicht. Hij verblijft al bijna zes maanden in detentie. Ook voldoet hij aan zijn medewerkingsplicht. Zo heeft eiser aangegeven dat hij zelf herhaaldelijk met het Marokkaanse consulaat heeft gebeld, maar krijgt hij geen gehoor. Verder heeft hij verklaard geen Algerijn te zijn. Er is geen reden om aan deze verklaring te twijfelen, nu de Algerijnse autoriteiten zijn nationaliteit nog altijd niet hebben bevestigd.
In de uitspraken van 30 december 2025, 11 februari 2026 en 3 april 2026 is geoordeeld dat de minister niet hoefde te volstaan met het opleggen van een lichter middel. In dat wat eiser nu aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij eiser niet volgt in zijn stelling dat hij voldoet aan zijn medewerkingsplicht. Het herhaaldelijk bellen met het Marokkaanse consulaat is hiertoe onvoldoende. De Marokkaanse autoriteiten hebben immers al aangegeven de nationaliteit niet te kunnen bevestigen. Verder is niet gebleken dat eiser stappen heeft ondernomen om aan documenten te komen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.