ECLI:NL:RBDHA:2026:12597

ECLI:NL:RBDHA:2026:12597

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-05-2026
Datum publicatie 19-05-2026
Zaaknummer NL26.25915
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Eerste beroep bewaring, artikel 59 Vw, Unieburger, zware gronden dragen de maatregel, lichter middel, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.25915

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),

en

(gemachtigde: mr. H. Toonders).

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 11 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.

Eiser heeft zich, daarnaar gevraagd, akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 12 mei 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft op 13 mei een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 13 mei 2026.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

2. Eiser stelt de Bulgaarse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 2003. Bij besluit van 31 juli 2025 heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijft heeft in Nederland. De rechtbank stelt vast dat eiser in 27 november 2025 en 11 april 2026 is uitgezet naar Bulgarije, maar dat hij beide keren weer is teruggekeerd naar Nederland. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest FS geoordeeld dat, om opnieuw in aanmerking te komen voor een verblijfsrecht op hetzelfde grondgebied krachtens artikel 6, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn, de burger van de Unie ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen, het grondgebied van het gastland niet alleen fysiek moet hebben verlaten, maar ook zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief moet hebben beëindigd, zodat bij zijn terugkeer naar dat grondgebied niet kan worden aangenomen dat zijn verblijf in werkelijkheid een voortzetting is van zijn eerdere verblijf op dat grondgebied. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Daarom moet worden aangenomen dat zijn huidige verblijf in Nederland in werkelijkheid een voortzetting is van zijn eerdere verblijf. Dat eiser naar eigen zeggen slechts in Nederland was om gereedschappen op te halen en van plan was om daarna weer uit Nederland te vertrekken, verandert niets aan het onrechtmatige karakter van zijn aanwezigheid in Nederland. Nu vaststaat dat op eiser een vertrekplicht rust en hij geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, is verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw bevoegd tot het opleggen van de maatregel van bewaring.

3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

Verweerder heeft daartoe, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4. De rechtbank stelt vast dat de door verweerder aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende toegelicht. Doordat eiser Nederland ongecontroleerd en zonder rechtmatig verblijf is ingereisd, is hij niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen. Hiermee heeft hij zich in Nederland onttrokken aan het toezicht tot aan het moment dat hij is staande gehouden. De zware gronden 3a en 3b zijn hiermee juist. Omdat eiser zijn onrechtmatige verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, is ook de zware grond 3c terecht tegengeworpen. Deze zware gronden kunnen de maatregel van bewaring zelfstandig dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een risico aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige gronden hoeven daarom niet te worden besproken, omdat dat niet tot een andere uitkomst kan leiden. De rechtbank zal in dit verband dan ook niet ingaan op wat eiser heeft aangevoerd over zijn verblijfplaats en middelen van bestaan.

5. Met zijn verwijzing naar genoemde gronden heeft verweerder ook voldoende gemotiveerd dat een lichter middel het onttrekkingsrisico niet kan ondervangen.

6. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig is geweest.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 19 mei 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.F.I. Sinack

Griffier

  • mr. A.S.J.I. Hendrickx

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand