RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.25931
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),
en
(gemachtigde: mr. H. Toonders).
Procesverloop
Bij besluit van 6 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. R. Poyraz, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Beslissing
1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1978. Hij heeft op 6 mei 2026 een asielaanvraag gedaan.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder terecht overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.Eiser heeft zijn identiteit niet aangetoond. Ook is sprake van een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, hetgeen de rechtbank hieronder zal bespreken. Verweerder was daarom bevoegd tot het opleggen van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw.
3. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
En als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Verweerder heeft ter zitting de zware grond 3i laten vallen.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de overige zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig (lichte gronden) ook voldoende zijn gemotiveerd. Voor deze gronden geldt dat zij de maatregel van bewaring kunnen dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een risico aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
6. Eiser vindt dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of had kunnen worden volstaan met een lichter middel. Hij merkt in dat verband op dat verweerder te kort door de bocht stelt dat eiser zijn asielaanvraag enkel heeft ingediend om verwijdering uit Nederland te voorkomen. Ook is volgens eiser de motivering dat eisers medische omstandigheden niet in de weg staan aan de bewaringte algemeen.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat een lichter middel niet aan de orde is, door onder verwijzing naar de zware en lichte gronden, te overwegen dat een lichter middel niet doeltreffend is toe te passen om het risico op onttrekking aan het toezicht te ondervangen. In het bijzonder is daarbij relevant dat eiser naar eigen zeggen al 23 jaar (als illegaal) in Europa zwerft. Voor zover eiser beoogt te stellen dat met een lichter middel had moeten worden volstaan vanwege zijn medische omstandigheden, heeft verweerder dit niet hoeven volgen. Verweerder overweegt in de maatregel terecht dat eiser ook in vreemdelingendetentie aanspraak maakt op volledige medische zorg. Eiser heeft niet geconcretiseerd en onderbouwd dat hij vanwege medische omstandigheden detentieongeschikt is, dan wel dat de medische zorg in vreemdelingendetentie in zijn specifieke situatie tekort zal schieten.
8. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 19 mei 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.