ECLI:NL:RBDHA:2026:12630

ECLI:NL:RBDHA:2026:12630

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-05-2026
Datum publicatie 20-05-2026
Zaaknummer NL25.63608
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Regulier; artikel 8 van het EVRM; Turkije; inreisverbod; geen sprake van beschermenswaardig privéleven; geen strijd met Turks associatierecht; hoorplicht; beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie.

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.63608

(gemachtigde: mr. I. Özkara),

en

Procesverloop

1. Eiser heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 28 oktober 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 december 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister eisers aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Achtergrond en het standpunt van de minister

3. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op 20 juni 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel ‘humanitair niet-tijdelijk: uitoefenen van privéleven op grond van artikel 8 EVRM’. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en niet voldoet aan de voorwaarden om van het vereiste om een mvv te bezitten te worden vrijgesteld. Het is namelijk niet gebleken dat er in eisers geval sprake is van beschermwaardig privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Ook heeft de minister aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, wat volgens de minister niet in strijd is met het Turks Associatierecht. Ten slotte is er geen aanleiding om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels en eisers aanvraag alsnog in te willigen.

Is er sprake van beschermwaardig privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM?

4. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er in zijn geval geen sprake is van beschermenswaardig privéleven. Eiser verblijft in Nederland, ontplooit hier economische activiteiten en heeft zijn leven in belangrijke mate hier ingericht. Dat eiser ondernemer is en zijn onderneming vanuit Nederland aanstuurt, raakt rechtstreeks aan zijn persoonlijke identiteit en bestaansopbouw en valt daarmee onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM. Door zonder inhoudelijke beoordeling te concluderen dat geen sprake is van privéleven, heeft de minister artikel 8 van het EVRM onjuist toegepast. De minister heeft ook geen belangenafweging verricht, zodat het besluit onvoldoende gemotiveerd is. Daarnaast heeft de minister in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld door uitsluitend te wijzen op het ontbreken van nadere stukken en geen zelfstandige inhoudelijke beoordeling te verrichten.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat er in eisers geval geen sprake is van (beschermwaardig) privéleven. Eiser heeft namelijk op geen enkele wijze onderbouwd dat daarvan sprake is, ondanks dat hij bij brief van 15 september 2025 door de minister in de gelegenheid is gesteld het gestelde privéleven toe te lichten. Ook in bezwaar heeft eiser de mogelijkheid gehad om zijn privéleven toe te lichten. Hij heeft echter volstaan met de stelling dat het primaire besluit het hem feitelijk onmogelijk maakt om zijn onderneming aan te sturen. In het bestreden besluit is de minister hier afdoende op ingegaan door te overwegen dat eiser wist dat het hem niet was toegestaan om in Nederland arbeid als zelfstandige te verrichten en dat de keuze van eiser om desalniettemin zijn bedrijf voort te zetten voor eigen rekening en risico komt. De rechtbank stelt vast dat eiser geen andere relevante omstandigheden of belangen in het kader van het recht op privéleven naar voren heeft gebracht, zodat de rechtbank niet inziet hoe de minister eisers beroep op artikel 8 van het EVRM verder had kunnen beoordelen of welke (andere) belangenafweging de minister dan had moeten maken. Aangezien het aan eiser is om zijn privéleven toe te lichten en te onderbouwen, heeft de minister daarmee ook niet onzorgvuldig gehandeld.

Is het opgelegde inreisverbod in strijd met eisers recht op privéleven of het Turks Associatierecht?

5. Eiser betoogt dat het opgelegde inreisverbod een vergaande inmenging in zijn privéleven vormt. Gedurende de duur van het inreisverbod is eiser feitelijk uitgesloten van verblijf in Nederland en wordt hij ernstig belemmerd in het aansturen van zijn onderneming en het voortzetten van zijn leven hier. Daarnaast heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom het opgelegde inreisverbod niet in strijd is met de standstill-bepaling van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG-Turkije (Associatieovereenkomst), waaruit volgt dat het invoeren van nieuwe beperkingen voor de vrijheid van vestiging niet is toegestaan.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals onder 4.1 is overwogen, heeft eiser enkel gesteld, zonder dat verder te hebben onderbouwd, dat hij door de besluitvorming niet meer zijn onderneming kan aansturen. De minister is hier in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd op ingegaan. Eiser heeft zijn gestelde privéleven verder op geen enkele wijze nader toegelicht en onderbouwd. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het opgelegde inreisverbod niet in strijd is met eisers recht op privéleven. Ook heeft de minister zich – onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) – terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het opgelegde inreisverbod niet in strijd is met de standstill-bepaling. De rechtbank ziet in het betoog van eiser geen aanleiding om van deze jurisprudentie af te wijken.

Heeft de minister de hoorplicht geschonden?

6. Eiser betoogt dat in bezwaar ten onrechte is afgezien van horen. Eiser heeft in de bezwaargronden gesteld dat een kenbare belangenafweging ten onrechte achterwege is gebleven en deze bezwaargrond leende zich bij uitstel voor een andere toelichting tijdens een hoorzitting.

Op 6 juli 2022 heeft de Afdeling een uitspraak gedaan over de hoorplicht in vreemdelingenzaken. Volgens de Afdeling is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het aangevoerde in bezwaar niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is opgenomen.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, heeft eiser nagelaten bij zijn aanvraag en ook in bezwaar zijn beroep op artikel 8 van het EVRM toe te lichten en te onderbouwen. In dat licht bezien heeft de minister in de enkele stelling van eiser dat geen sprake is van een kenbare belangenafweging geen reden hoeven zien om hem uit te nodigen voor een hoorzitting. Wat betreft de gestelde strijd van het inreisverbod met het Associatierecht heeft eiser in bezwaar niets aangevoerd waarover de Afdeling niet al heeft geoordeeld (zie de in overweging 5.1 genoemde jurisprudentie). In dat geval is evident dat het in bezwaar aangevoerde het primaire besluit redelijkerwijs niet anders kan maken. Ook om die reden heeft de minister eiser terecht niet uitgenodigd voor een hoorzitting.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J. de Lange

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand