[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
Eiser heeft op 5 maart 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 16 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Als tolk was aanwezig H. Rida.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1988. Hij heeft – kort samengevat – het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. In 2014 heeft eisers nicht een rechtszaak aangespannen vanwege een erfenis. Naar aanleiding hiervan heeft eiser bedreigingen ontvangen van de man van zijn nicht. Verder heeft eiser bij de gemeente een aanklacht ingediend tegen de eigenaar van een bedrijf, waarna het bedrijf is gesloten en de eigenaar eiser heeft bedreigd. Bij terugkeer vreest eiser vanwege zijn problemen bedreigd, ontvoerd of vermoord te worden. Eiser heeft verder verklaard dat zijn schoonvader is vermoord door een gewapende groepering en dat zijn vader vroeger kolonel was bij het ministerie van Defensie.
Het bestreden besluit
2. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:
Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Eisers problemen vanwege de ervingszaak, de problemen vanwege de melding en sluiting van het bedrijf en de moord op eisers schoonvader door een gewapende groepering vindt verweerder niet geloofwaardig. De verklaringen daarover vormen volgens verweerder namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ook heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en hij heeft daar geen goede verklaring voor. De geloofwaardigheid van het feit dat eisers vader een officier was laat verweerder in het midden omdat eisers verklaringen hierover op voorhand onvoldoende zijn om tot een gegronde vrees te komen. Ook op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst heeft eiser volgens verweerder geen gegronde vrees voor vervolging en loopt hij geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft geen integrale en contextuele geloofwaardigheidsbeoordeling toepast maar een mechanische checklist-benadering gehanteerd. Dit is in strijd met het Unierecht. Bovendien heeft verweerder eiser ten onrechte niet het voordeel van de twijfel gegeven zoals volgt uit artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn.
Verder heeft verweerder zijn onderzoeksplicht geschonden door niet actief informatie te vergaren over de digitale klachtenprocedure in Syrië, terwijl dit algemene, verifieerbare informatie is. Daarnaast zijn de verschillen in verklaringen van eiser onterecht als tegenstrijdig beoordeeld nu deze juist normale verduidelijkingen betreffen. Verweerder heeft ook nagelaten de lokale Syrische context en de hybride vorm van digitale communicatie in de beoordeling mee te nemen. Bovendien baseert verweerder zijn oordeel op onbewezen aannames over wat een “officieel” digitaal loket is, en heeft hij eisers verklaringen los van deze context ten onrechte als ongeloofwaardig bestempeld. Daardoor is de geloofwaardigheidsbeoordeling van de problemen vanwege de melding en sluiting van het bedrijf onvoldoende zorgvuldig en objectief, wat leidt tot schending van artikel 4, eerste en vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn.
Daarnaast loopt eiser bij terugkeer naar Syrië, anders dan verweerder stelt, wel een reëel risico op ernstige schade. Verweerder heeft nagelaten individuele risicofactoren van eiser, zoals zijn familiebanden met het voormalige regime, bedreigingen door invloedrijke personen en tribale spanningen, te betrekken. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat in Syrië op dit moment sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en is de actuele landeninformatie over het geweldsniveau en de humanitaire omstandigheden in Syrië onvoldoende betrokken. De beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn moet met actuele bronnen, globaal en navolgbaar worden uitgevoerd, waarbij verweerder in moet gaan op de actuele conflictindicatoren in Damascus en hun relatie tot risico voor burgers. Ook geldt voor de artikel 3 EVRM beoordeling dat verweerder dit zelfstandig en inzichtelijk moet beoordelen, waarbij de cumulatieve humanitaire omstandigheden moeten worden vertaald naar het concrete terugkeerrisico voor eiser in zijn terugkeergebied. Tot slot voert eiser aan dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen, omdat verweerder de beschermingstoets niet volledig en deugdelijk heeft uitgevoerd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
De geloofwaardigheidsbeoordeling
5. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd over de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals die is vastgelegd in WI 2024/6 geen aanleiding voor het oordeel dat de door verweerder gehanteerde werkwijze onzorgvuldig is en in strijd is met het Unierecht. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
6. In de prejudiciële vragen van 7 januari 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, zich onder meer afgevraagd of de nieuwe werkwijze van verweerder met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het Unierecht. De meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, heeft op 6 maart 2025 uitspraak gedaan over onder meer deze vraag. Uit deze uitspraak volgt dat de nieuwe werkwijze niet in strijd is met het Unierecht. Wel moet verweerder alle omstandigheden in een specifiek geval altijd in samenhang beoordelen om tot een conclusie over de geloofwaardigheid te komen. De cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 kunnen dus niet als strikte checklist worden getoetst door verweerder. Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat de werkwijze van verweerder met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling op zichzelf in strijd is met het Unierecht, slaagt dat betoog dus niet.
7. Voor zover eiser aanvoert dat verweerder in het geval van eiser geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt, slaagt dit betoog niet. Verweerder heeft gekeken naar de verklaringen van eiser, is vervolgens overgegaan tot een geloofwaardigheidsbeoordeling en heeft getoetst aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000. Omdat in dit geval niet aan alle voorwaarden van dit artikel wordt voldaan, heeft verweerder de asielmotieven niet geloofwaardig gevonden. Dat verweerder niet de waarde toekent aan de verklaringen die eiser daaraan wenst toe te kennen, betekent niet dat er geen integrale beoordeling heeft plaatsgevonden. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser niet heeft onderbouwd welke verklaringen volgens hem niet of onvoldoende bij de beoordeling zouden zijn betrokken en op welke punten volgens hem onvoldoende rekening is gehouden met de Syrische context. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
De problemen vanwege de melding en sluiting van het bedrijf
8. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder de problemen vanwege de melding en sluiting van het bedrijf ongeloofwaardig vinden. Verweerder mocht aan eiser tegenwerpen dat zijn verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo mocht verweerder het bevreemdend vinden dat eiser nog twee maanden in zijn eigen huis heeft kunnen wonen terwijl dit in de directe omgeving lag van het bedrijf waarvan de eigenaar hem met de dood zou hebben bedreigd. Eiser heeft namelijk verklaard dat het bedrijf waartegen hij de klacht heeft ingediend op de begane grond was gevestigd en dat eiser zelf, in hetzelfde gebouw, op de eerste verdieping woonde. Verder mocht verweerder betrekken dat de verklaringen van eiser over zijn klacht vaag zijn. Eiser heeft verklaard dat hij de klacht heeft ingediend via Facebook vanwege veiligheidsredenen en om directe confrontatie te vermijden. Hij wilde op een geheime manier een klacht indienen nu de man waartegen de klacht gericht was een invloedrijk persoon is. Verweerder heeft dit niet hoeven volgen, nu eiser de klacht heeft ingediend via zijn persoonlijke Facebookaccount en hij de klacht dus niet anoniem heeft ingediend. Ook mocht verweerder stellen dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de eigenaar van het bedrijf erachter is gekomen dat hij de klacht heeft ingediend en ook niet dat zijn melding ertoe heeft geleid dat het bedrijf is gesloten.
9. Het standpunt van eiser dat het op de weg van verweerder lag om onderzoek te doen naar de klachtprocedure in Syrië omdat dit uit openbare, verifieerbare bronnen volgt die door verweerder te raadplegen zijn, volgt de rechtbank niet. Niet valt in te zien dat verweerder onderzoek had moeten doen naar de klachtprocedure in Syrië nu eiser zijn stelling, dat het mogelijk is een klacht via Facebook in te dienen, niet verder onderbouwt. Bovendien blijft onduidelijk aan wie hij de berichten heeft gestuurd, wat er met die berichten is gedaan, of die berichten ertoe hebben geleid dat het bedrijf is gesloten en hoe de eigenaar erachter is gekomen dat eiser die klacht zou hebben ingediend.
10. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat verweerder hem het voordeel van de twijfel had moeten gunnen op grond van artikel 4, eerste en vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn.
De problemen vanwege de ervingszaak
11. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder de verklaringen die zien op dit asielmotief niet inhoudelijk heeft onderzocht, maar slechts heeft gekwalificeerd als ‘ongeloofwaardig’, zonder zichtbare analyse van de inhoud, context en plausibiliteit, waardoor verweerder tekort is geschoten in zijn onderzoeks- en samenwerkingsplicht. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het voornemen en in het bestreden besluit wel degelijk is ingegaan op de verklaringen van eiser die gaan over de bedreiger, die zou behoren tot een invloedrijke stam. Eiser heeft verder niet concreet gemaakt waarom de motivering van verweerder, dat dit asielmotief ongeloofwaardig is, niet deugt.
12. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling van asielmotief 4.
Reëel risico op ernstige schade vanwege willekeurig geweld
13. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.
Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Syrië van mei 2025 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven. Verweerder heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 terecht geconcludeerd dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten. Verweerder heeft daarbij terecht geconcludeerd dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in Damascus, het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat de provincie Damascus onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode was sprake van een laag aantal geweldsincidenten, dat gedurende de hele verslagperiode min of meer gelijk bleef met een lichte dip in november 2025. Er waren vier incidenten met ontplofbare oorlogsresten. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in Damascus, maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden echter ook meer dan 12.000 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in Damascus.
Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft kunnen concluderen dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is. Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en Damascus in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder, met inachtneming van dat wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Damascus.
Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft aangevoerd dat hij een verhoogd risico loopt omdat hij de zoon is van een voormalig kolonel bij Defensie, vanwege zijn problemen door de melding en sluiting van het bedrijf en vanwege een ervingszaak, maar rechtbank heeft onder 8 tot en met 11 al overwogen dat verweerder heeft kunnen concluderen dat verweerder de problemen vanwege de melding en sluiting van het bedrijf en de problemen vanwege de ervingszaak niet geloofwaardig heeft mogen achten. Over de vrees van eiser omdat hij de zoon is van een kolonel van Defensie heeft verweerder erop gewezen dat zijn vader ruim tien jaar geleden is overleden en dat hij in 1998 met pensioen is gegaan, wat betekent dat zijn werkzaamheden bij het regime bijna dertig jaar geleden tot een einde zijn gekomen. Verweerder heeft terecht gesteld dat dit sterk afdoet aan de aannemelijkheid van de vrees van eiser en dat hij bovendien op geen enkele manier inzichtelijk heeft gemaakt waarop hij baseert dat hij bij terugkeer hierdoor problemen zal ervaren. Deze omstandigheden houden bovendien verband met een vrees voor gericht geweld in plaats van een verhoogd risico op willekeurig geweld.
Terugkeerbesluit
14. Eiser heeft er terecht op gewezen dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet toetsen aan het non-refoulementbeginsel. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden.
Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi twee situaties onderscheidt:- In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.
In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd. Ook heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Eiser heeft volgens verweerder niet aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een zodanig schrijnende humanitaire situatie.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Dit motiveringsgebrek is in het verweerschrift onvoldoende hersteld.
Ten eerste heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval moet worden aangesloten bij de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi in plaats van de ‘lichtere’ toets. Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, moet namelijk gekeken worden naar eisers ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’Verweerder heeft, in het kader van artikel 3 van het EVRM, niet gemotiveerd dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen. Hoewel verweerder dit in het kader van de 15c-beoordeling wel heeft gemotiveerd, heeft verweerder niet gemotiveerd dat en waarom dezelfde argumentatie ook in het kader van artikel 3 van het EVRM opgaat. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen moet de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en de uitleg van artikel 3 van het EVRM autonoom plaatsvinden.
Ten tweede heeft verweerder, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, onvoldoende gemotiveerd dat hieraan niet wordt voldaan. De enkele stelling in het verweerschrift, dat eiser een gezonde, hoogopgeleide jongeman is met een netwerk en familie woonachtig in zijn herkomstgebied is onvoldoende, nu verweerder in het nader gehoor heeft nagelaten eiser te bevragen over de situatie voor hem bij terugkeer. Verder staat in het verweerschrift ook dat voor het gouvernement Damascus geldt dat 44% van de bevolking behoort tot de categorie ‘people in need’, en dat die groep uit mensen bestaat waarvoor geldt dat hun fysieke veiligheid, basisrechten, waardigheid, levensomstandigheden of bestaansmiddelen worden bedreigd of verstoord en waarvan de huidige toegang tot basisdiensten, goederen en sociale bescherming ontoereikend is om tijdig en zonder aanvullende hulp weer normale levensomstandigheden te kunnen opbouwen met de middelen die zij gewend zijn. Dit had verweerder ook moeten betrekken bij zijn beoordeling van de vraag of eiser bij terugkeer naar Damascus in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De enkele verwijzing in het verweerschrift naar het opheffen van de voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man door het EHRM, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Het EHRM heeft de voorziening opgeheven omdat niet is aangetoond dat de Syrische man, gelet op de huidige veiligheidssituatie in Syrië en de individuele omstandigheden van de zaak, bij terugkeer naar Syrië een reëel en onmiddellijk risico zou lopen op onherstelbare schending van zijn rechten zoals gewaarborgd door de artikelen 2 en 3 van het EVRM. Het EHRM heeft echter niet nader gemotiveerd waarom het in die zaak tot dit oordeel is gekomen en welke individuele omstandigheden er speelden. Verweerder moet zelf een individuele beoordeling maken van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal een nieuw besluit op eisers aanvraag moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met de overwegingen van deze uitspraak.
16. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser gemaakt proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.