ECLI:NL:RBDHA:2026:12761

ECLI:NL:RBDHA:2026:12761

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-05-2026
Datum publicatie 20-05-2026
Zaaknummer NL25.61484
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Ongegrond. In de opvolgende asielaanvraag is eiser er niet in geslaagd zijn identiteitsgroei en daarmee zijn homoseksualiteit alsnog aannemelijk te maken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,geboren op [geboortedatum],van Nigeriaanse nationaliteit, V-nummer: [nummer],

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.61484

(gemachtigde: mr. H.A. Jeuring),

en

(gemachtigde: mr. J. Veendorp).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven, omdat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom eiser in de opvolgende aanvraag niet heeft weten te overtuigen van identiteitsgroei betreffende zijn homoseksualiteit. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 8 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. Als deskundige is de heer S. Kortekaas verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag dat er sprake is van identiteitsgroei wat betreft zijn homoseksualiteit. Eiser legt dit uit als de groei in zijn gevoelens, zelfacceptatie en zichtbaarheid. Eiser geeft aan dat hij trots is om hierover te praten. Daarnaast heeft eiser een relatie met [partner], de afgelopen twee jaar contact gehouden met LHBTI-organisaties en neemt hij deel aan evenementen.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. Seksuele gerichtheid.

De minister vindt nog steeds het eerste asielmotief geloofwaardig, maar eisers seksuele gerichtheid niet. Eisers gerichtheid is in de vorige asielprocedure al ongeloofwaardig geacht en volgens de minister mocht van eiser daarom in de huidige procedure meer verwacht worden. De minister stelt zich op het standpunt dat wat eiser heeft ingebracht tijdens de huidige procedure, niet opweegt tegen de ongeloofwaardig geachte verklaringen over de gestelde seksuele gerichtheid uit de vorige aanvraag. Eisers verklaringen over zijn gestelde identiteitsgroei zijn volgens de minister algemeen en vaag. Van eiser mag worden verwacht dat hij authentiekere verklaringen aflegt, omdat de identiteitsgroei van zijn seksuele gerichtheid de voornaamste reden betreft van eisers opvolgende asielaanvraag. Van dergelijke verklaringen is volgens de minister geen sprake. De minister acht geen sprake van daadwerkelijke identiteitsgroei aangaande eisers gestelde homoseksualiteit, wel van algemene persoonlijke groei. Bovendien heeft eiser volgens de minister oppervlakkig verklaard over zijn relatie met [partner]. Eisers aanwezigheid bij LHBTI bijeenkomsten en verklaringen van derden dragen evenmin bij aan de geloofwaardigheid van eisers seksuele gerichtheid. Volgens de minister is eiser er niet in geslaagd zijn homoseksuele gerichtheid alsnog geloofwaardig te maken. Wat vindt eiser?

5. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zijn homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig is. De minister heeft ten onrechte geoordeeld dat eisers verklaringen over identiteitsgroei algemeen en vaag zijn en meer zien op algemene persoonlijke groei. Eisers groei van haat en schaamte naar acceptatie en trots is onlosmakelijk verbonden met zijn homoseksualiteit. Ook bestempelt de minister eisers verklaringen over zijn relatie ten onrechte als oppervlakkig. Hierbij hanteert de minister een stereotype verwachting, namelijk dat partners in een relatie alles over elkaar moeten weten. Hierbij houdt de minister geen rekening met culturele aspecten en persoonlijke grenzen. Nu er geen expliciet referentiekader is vastgesteld, kan de minister niet inzichtelijk maken vanuit welk verwachtingspatroon meer van eiser verwacht mocht worden. De minister heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd dat eisers verklaringen oppervlakkig en summier zouden zijn. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser hieraan toegevoegd dat de besluitvormingsprocedure onzorgvuldig is, omdat de minister de aangekondigde nieuwe werkinstructie waarin identiteitsgroei zal worden opgenomen, had moeten afwachten.

Daarnaast heeft de minister volgens eiser geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas verricht. Eisers verklaringen moeten in onderlinge samenhang en in het licht van de overige verklaringen en het bewijsmateriaal worden bezien, maar de minister heeft de verschillende thema’s afzonderlijk beoordeeld. De minister heeft nagelaten te onderzoeken of de combinatie van alle elementen tezamen voldoende zijn om de gestelde seksuele gerichtheid aannemelijk te maken. Ook stelt de minister ten onrechte dat eisers LHBTI-participatie en de ondersteuningsbrieven niet bijdragen aan de geloofwaardigheid van zijn homoseksualiteit. Uit een uitspraak van de Afdeling volgt dat de enkele opmerking dat het bezoeken van bijeenkomsten niet hoeft te betekenen dat iemand homoseksueel is, onvoldoende is. Overgelegde stukken kunnen ertoe leiden dat iemand zijn seksuele gerichtheid ondanks ontoereikende verklaringen toch aannemelijk heeft gemaakt. De minister schuift eisers participatie bij LHBTI organisaties, het bijwonen van bijeenkomsten en de ondersteuningsbrieven ten onrechte terzijde met de standaardformulering dat het aan eiser is om zijn gerichtheid persoonlijk aannemelijk te maken. Hierbij geeft de minister niet aan hoe hij rekening heeft gehouden met elk van de aangeleverde stukken en in welke mate het kan bijdragen aan de geloofwaardigheid van eisers seksuele gerichtheid. Zo heeft de minister bijvoorbeeld het rapport van LGBT Asylum Support niet inhoudelijk betrokken, terwijl deze organisatie door de minister zelf als deskundige is erkend. Volgens eiser had de minister kenbaar en deugdelijker moeten motiveren of de combinatie van zijn LHBTI-participatie en de overgelegde stukken eventuele zwakkere verklaringen kunnen compenseren.Juridisch kader

6. De rechtbank overweegt dat bij de geloofwaardigheidsbeoordeling in LHBTI-zaken het zwaartepunt ligt bij het persoonlijke, authentieke verhaal dat een vreemdeling vertelt vanuit zijn eigen ervaringen. Dit geldt temeer in een geval als dit, waarbij de vreemdeling al in een eerdere procedure heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid en ook bekend is met de redenen waarom hij zijn gestelde seksuele gerichtheid destijds niet aannemelijk heeft weten te maken. Dat laat echter onverlet dat de minister een integrale beoordeling moet verrichten, waarbij de verklaringen van een vreemdeling over de verschillende in WI 2019/17 genoemde thema’s uitdrukkelijk in hun onderlinge samenhang én in het licht van de overige verklaringen en het overgelegd bewijsmateriaal worden bezien. Daarbij kan de omstandigheid dat een vreemdeling over één thema ontoereikend heeft verklaard zonder dat hiervoor een rechtvaardiging bestaat, er niet zonder meer toe leiden dat de door die vreemdeling gestelde seksuele gerichtheid ongeloofwaardig moet worden geacht. De ontoereikende verklaring kan worden gecompenseerd met andere verklaringen en bewijsmateriaal. Het is daarbij aan de minister om in het besluit inzichtelijk te maken hoe hij de afgelegde verklaringen en overgelegde stukken in het kader van de verschillende thema’s waardeert en onderling weegt. Bij de beoordeling wordt betrokken of de verklaringen consistent zijn en overeenkomen met hetgeen bekend is over de algemene situatie ten aanzien van LHBTI’ers in het land van herkomst. Als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar LHBTI-gerichtheid niet wordt geaccepteerd en misschien zelfs strafbaar is, mag van een vreemdeling worden verwacht dat hij inzicht kan geven in een denkproces over wat het betekent om anders te zijn dan de maatschappij of wet verlangt en hoe hij daar invulling aan geeft. De minister moet inzichtelijk maken dat hij rekening houdt met het referentiekader van de vreemdeling, hoe hij dat doet en wat dat betekent voor de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas.

Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser in zijn opvolgende aanvraag de groei in zijn seksuele gerichtheid, en daarmee de gestelde homoseksualiteit, niet geloofwaardig heeft gemaakt. De rechtbank zal dit hieronder uitleggen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister mogen vinden dat eiser algemeen en vaag heeft verklaard over zijn gestelde identiteitsgroei. Eiser heeft tijdens de gehoren zijn identiteitsgroei gedefinieerd als de groei van zijn gevoelens, benadering, zelfacceptatie en zichtbaarheid. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser hierover bij het doorvragen hierover tijdens de gehoren, vaag en oppervlakkig is gebleven. De minister heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over de identiteitsgroei niet bijdragen aan de geloofwaardigheid van zijn homoseksualiteit.

Verder volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. De rechtbank stelt vast dat de minister in het voornemen eisers referentiekader heeft benoemd en op kenbare en deugdelijke wijze heeft aangegeven wat gelet op het referentiekader verwacht mag worden van eiser. Bovendien is in de vorige procedure al vastgesteld dat eiser niet laaggeschoold of van jonge leeftijd is. Hierbij heeft de minister kunnen stellen dat van eiser meer verwacht mocht worden omdat het een opvolgende aanvraag betreft. Verder blijkt uit de gehoren naar het oordeel van de rechtbank dat er open vragen zijn gesteld en dat er ook is doorgevraagd, waarbij aan eiser uitgebreid de ruimte is gegeven om zijn eigen ervaringen en gevoelens te delen, en dat er waar nodig pauzes zijn ingelast. Eiser heeft bovendien zelf verklaard zich niet meer te schamen en trots te zijn dat hij hierover kan praten. Eisers stelling dat de minister onvoldoende rekening zou hebben gehouden met eisers referentiekader, faalt derhalve.

De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich ook niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over zijn relatie oppervlakkig zijn. Hierbij heeft de minister erop kunnen wijzen dat eiser zijn relatie enkel heeft omschreven en er niet in is geslaagd om op authentieke wijze in detail te treden over zijn gevoelens. Daarnaast heeft de minister het bevreemdend mogen vinden dat eiser niet met zijn partner sprak over zelfacceptatie, nu dit op de kern ziet van eisers gestelde identiteitsgroei.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister de documenten die eiser heeft overgelegd voldoende bij de besluitvorming heeft betrokken. In het bestreden besluit heeft de minister alle ingebrachte documenten betrokken, is kenbaar gemotiveerd hoe de documenten in de beoordeling zijn betrokken en welk gewicht hij aan elk van de documenten heeft toegekend. De minister heeft kunnen overwegen dat de documenten ondersteunen dat eiser heeft deelgenomen aan activiteiten, maar dat de documenten niet eisers gerichtheid onderbouwen, omdat eiser alleen algemene verklaringen heeft afgelegd over de bijeenkomsten die hij heeft bijgewoond. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat eiser al tijdens zijn eerdere procedure heeft verklaard dat hij contact had met de LHBTI gemeenschap en deelnam aan activiteiten, maar dat hij niet verduidelijkt hoe de huidige bijeenkomsten hebben bijdragen aan de gestelde identiteitsgroei. Daarnaast heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat de ondersteuningsbrieven niet tot een ander oordeel leiden, omdat het zwaartepunt van de beoordeling ligt bij de verklaringen van eiser zelf. Aan de brief van ‘Here to support’ heeft de minister om die reden beperkt gewicht mogen toekennen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de documenten onvoldoende zijn om eisers ontoereikende verklaringen te compenseren. De minister hoefde hierin derhalve geen aanleiding te zien om tot een ander oordeel over de geloofwaardigheid van eisers gestelde homoseksualiteit te komen.

De rechtbank stelt verder vast dat het rapport van het LGBT Asylum Support kritiek uit op het niet vaststellen van een referentiekader en de toepassing van WI 2019/17 door de minister. Hierbij wordt erop gewezen dat WI 2019/17 geen toetsingskader bevat voor identiteitsgroei en dat er tijdens het debat van 14 april 2024 in de Eerste Kamer door de minister is aangegeven dat de werkinstructie op dit punt herzien zal worden. Daarnaast bevat het rapport analyses van specifieke (delen van) verklaringen van eiser. Net als in de uitspraak in de vorige procedure oordeelt de rechtbank dat deze analyse is aan te merken als een niet-objectieve, alternatieve wijze van beoordelen van de geloofwaardigheid van verklaringen van een asielzoeker over homoseksualiteit die voorbij gaat aan het feit dat het aan de minister is om een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te maken. Bovendien blijkt uit het rapport dat voorafgaand aan de analyse eiser niet is gehoord. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de analyse geen aanknopingspunten om te twijfelen aan het standpunt van de minister dat eisers verklaringen niet geloofwaardig zijn. Dat er zou zijn toegezegd dat de werkinstructie herzien zal worden, doet in dit verband niet ter zake. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister in dit verband terecht gesteld dat niet is gebleken dat de thans geldende werkinstructie gebrekkig is, zodat daarvan nog steeds kan worden uitgegaan.

Gelet op al het voorgaande heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank in eisers zaak een voldoende integrale beoordeling van het asielrelaas verricht. De minister heeft aan eiser mogen tegenwerpen dat zijn verklaringen over zijn seksuele gerichtheid algemeen, vaag en summier zijn en dat de overgelegde documenten onvoldoende zijn om eisers ontoereikende verklaringen te compenseren. De minister is tot deze conclusie gekomen na beoordeling van eisers seksuele gerichtheid aan de hand van WI 2019/17. Daarbij heeft de minister eisers verklaringen beoordeeld over de verschillende thema’s, die in deze werkinstructie worden vermeld. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft de minister ook deugdelijk gemotiveerd hoe hij de ingebrachte documenten in zijn beoordeling heeft betrokken. Aan het einde van deze beoordeling heeft de minister eisers verklaringen op de verschillende thema’s én in het licht van de overige verklaringen en het overgelegd bewijsmateriaal kenbaar in onderlinge samenhang beoordeeld en gewogen. Eisers beroepsgronden slagen niet.

Kennelijk ongegrond

8. Volgens eiser kan de aanvraag niet kennelijk ongegrond worden afgewezen, omdat eiser nieuwe elementen heeft aangevoerd. Zo heeft eiser zijn structurele LHBTI-participatie sinds 2022, relatie met een man sinds 2023, vijf ondersteuningsbrieven van gerenommeerde LHBTI-organisaties en zijn ontwikkeling in zichtbaarheid overgelegd.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g van de Vreemdelingenwet kan een opvolgende aanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard, kennelijk ongegrond worden verklaard. De door eiser gestelde omstandigheden maken dit niet anders.

Conclusie en gevolgen

9. Eisers beroepsgronden slagen niet. De minister heeft de aanvraag kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N.M. van Waterschoot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand