RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam],
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.44488
V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H. Meijerink),
en
(gemachtigde: mr. D. Post).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 21 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en behoort tot de Ibo bevolkingsgroep. Hij heeft verklaard dat hij sinds 2014 lid is van de IPOB-beweging. In Nigeria verspreidde hij de boodschap van IPOB. Op een bepaald moment kwamen spionnen van de Nigeriaanse autoriteiten achter zijn activiteiten, waardoor de autoriteiten op de hoogte raakten van zijn lidmaatschap en betrokkenheid bij IPOB. Eiser heeft verklaard dat hij moest vluchten, omdat de politie tijdens een vergadering kwam om hem op te pakken en/of te doden. Verder heeft eiser verklaard dat hij in Nederland twee protesten heeft bijgewoond en dat hij nog steeds de boodschap van IPOB verspreidt. Eiser heeft aangegeven dat hij deze boodschap bij terugkeer naar Nigeria zou blijven verspreiden. Hij heeft verklaard bij terugkeer te vrezen voor de Nigeriaanse overheid.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst.
- problemen vanwege lidmaatschap IPOB.
5. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet met documenten heeft aangetoond, de persoonsgegevens worden aangehouden die eiser zelf heeft genoemd. De minister heeft voor de beoordeling van eisers asielaanvraag eisers identiteit niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft geen identiteitsdocumenten overgelegd en hij heeft verklaard ook geen enkele inspanning te hebben geleverd om alsnog aan deze documenten te komen. Eiser heeft geen concrete reden gegeven waarom hij persoonlijk nooit in het bezit is geweest van officiële documenten en waarom hij deze niet heeft kunnen verkrijgen of behouden. Ook is de minister van mening dat eiser in grote lijnen niet geloofwaardig is, omdat hij in de asielprocedure in Frankrijk gebruikt gemaakt heeft van een alias. Deze informatie heeft hij niet naar voren gebracht bij de Nederlandse autoriteiten en heeft invloed op de betrouwbaarheid van eisers verklaringen.Dat eiser Nigeria zou hebben verlaten om politieke redenen en dat hij stelt dat personen uit Biafra niet als Nigerianen worden beschouwd, vormt geen verschoonbare reden om geen identificerende documenten te overleggen. Eisers nationaliteit en herkomst heeft de minister wel aannemelijk geacht.
De minister acht eisers lidmaatschap van IPOB en de daarmee samenhangende problemen deels geloofwaardig. Omdat het begrip politieke overtuiging ruim moet wordt uitgelegd, volgt de minister het lidmaatschap van IPOB. De minister heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over de problemen door het lidmaatschap niet zijn onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. De minister heeft verder dit asielmotief in het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling evenmin geloofwaardig gevonden, omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en eiser verklaringen in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. De minister acht tot slot het wel geloofwaardig gevonden asielmotief nationaliteit en herkomst niet voldoende voor de conclusie dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging dan wel dat bij terugkeer naar Nigeria sprake zal zijn van een risico op ernstige schade. Eiser krijgt geen verblijfsvergunning asiel.
Overwegingen
Over het als herhaald en ingelast beschouwen van de zienswijze
6. De rechtbank overweegt dat eisers stelling dat zijn zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen worden aangemerkt als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. Verweerder is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijzen. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van verweerder op de zienswijze volgens hem niet juist of niet toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook alleen richten op wat eiser in beroep daarover heeft aangevoerd. De rechtbank verwijst ter onderbouwing hiervan naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
Identiteit van eiser
7. Eiser voert aan dat hij in Nigeria niet geregistreerd staat en daarom geen identiteitspapieren kan verkrijgen. Hij verwijst hiermee naar het AAB 2023, waaruit blijkt dat een groot percentage kinderen in Nigeria niet geregistreerd is. Ook heeft hij geen National Identity Number (NIN). Dat dit niet vreemd is, blijkt ook uit landeninformatie waarin is vermeld dat een standaard e-paspoort kan worden aangevraagd zonder dat een NIN verplicht is. Als persoon afkomstig uit Biafra en zijn gestelde problemen kan eiser zich echter niet wenden tot de Nigeriaanse autoriteiten zoals de Nigeriaanse ambassade in Den Haag, omdat de autoriteiten hem niet beschouwen als Nigeriaan. Daarnaast voert eiser aan dat hij in Frankrijk geen gebruik heeft gemaakt van een alias en niet heeft verklaard dat hij uit Eritrea komt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht verwezen naar het AAB 2023 waaruit blijkt dat De National Identity Management Commisson Act uit 2007 (de NIMC-act) het hebben van een NIN verplicht stelt voor alle Nigeriaanse staatsburgers en buitenlanders die legaal in het land verblijven. Hoewel naar het oordeel van de rechtbank uit het AAB 2023 blijkt dat nog niet iedereen een NIN heeft, laat dit onverlet dat eiser nog geruime tijd – van 2007 tot 2015 – in Nigeria heeft gewoond, toen de NIN-plicht al gold. Eiser heeft niet nader onderbouwd dat deze verplichting niet voor personen uit Biafra zou gelden. Daarbij blijkt uit het AAB 2023 eveneens dat voor het volgen van onderwijs in Nigeria identificerende documenten nodig zijn. Eiser is tot 2015 woonachtig geweest in Nigeria en heeft toegang gehad tot onderwijs. Eiser heeft geen afdoende verklaring kunnen geven over waarom hij onderwijs heeft kunnen volgen zonder in het bezit te zijn van een identiteitsbewijs. Vervolgens heeft hij vanaf 2015 in Europa verbleven. Eiser heeft gedurende deze periode geen inspanning geleverd om identificerende documenten te verkrijgen. Hierbij heeft de minister terecht overwogen dat uit het AAB 2023 blijkt dat het mogelijk is om zonder een NIN een standaard e-paspoort aan te vragen bij de ambassade in Den Haag.
Het betoog van eiser dat het voor hem gevaarlijk is om documenten in het buitenland aan te vragen bij de Nigeriaanse autoriteiten en dat hij een verschoonbare reden heeft waarom hij geen identiteitsdocumenten heeft, slaagt evenmin. Zoals hierna ook volgt uit rechtsoverweging 8.2, heeft de minister eisers verklaringen over de gestelde problemen met betrekking tot zijn politieke activiteiten niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. De minister heeft daaraan als conclusie mogen verbinden dat de omstandigheid dat eiser in de negatieve aandacht van de Nigeriaanse autoriteiten zou staan, geen reden is voor de onmogelijkheid om identiteitsdocumenten te kunnen overleggen. De enkele stelling van eiser dat hij wel een document heeft overgelegd van de IPOB en dat zij eisers persoonsgegevens wel hebben gecheckt in Nigeria heeft eiser niet onderbouwd en doet aan voorgaande niet af. Tot slot heeft de minister eiser mogen tegenwerpen dat uit Eurodac blijkt dat eiser in Frankrijk bekend staat met de Eritrese nationaliteit. De enkele stelling van eiser dat dit niet klopt omdat hij geen Eritrese naam heeft en geen Tigrinja of Tigre spreekt, is onvoldoende om dit te ontkrachten.
Problemen vanwege lidmaatschap IPOB
8. Eiser voert aan dat de minister zijn gestelde problemen vanwege zijn lidmaatschap met de IPOB ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. Ten onrechte wordt gesteld dat het krantenartikel van 9 News Nigeria, waarin wordt gesteld dat eiser wordt gezocht door de politie, niet kan worden aangemerkt als objectief en verifieerbaar. Eiser stelt dat het krantenartikel niet terzijde kan worden gelegd, omdat een krantenartikel altijd op bronnen is gebaseerd en niet zomaar wordt gepubliceerd. Bovendien is eiser van mening dat zijn situatie vergelijkbaar is met die van IPOB leider Nnamdi Kanu, wiens arrestatie duidelijk maakt dat het leiding geven aan een illegale organisatie niet getolereerd wordt in Nigeria en je beschuldigd kan worden van landverraad. Eiser was vanwege zijn activiteiten bij veel mensen bekend. Hij stelt dat leden van de IPOB worden gemonitord, ook als zij in het buitenland wonen. Eiser is verder van mening dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verklaringen omtrent zijn ontsnapping tijdens de politie-inval onduidelijk (en niet inzichtelijk en samenhangend) zijn.
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd. De minister heeft geen waarde hoeven hechten aan het overgelegde krantenartikel. Hierbij heeft de minister het grote tijdsverschil in datum van schrijven van het nieuwsbericht, te weten 2 juni 2015 en datum van online publicatie ervan, het jaar 2022, mogen betrekken. Ook heeft eiser geen duidelijke verklaring kunnen geven voor de omstandigheid dat de desbetreffende krant pas in 2016 is opgericht, wat niet overeenkomt met de gestelde publicatiedatum van het artikel.
De rechtbank oordeelt verder dat de minister niet ten onrechte heeft overwogen dat eiser niet duidelijk en onvoldoende gedetailleerd heeft verklaard over zijn gestelde rol als coördinator van IPOB in Nigeria. De minister heeft in het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen uitgebreid gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser over zijn activiteiten voor IPOB in Nigeria tekortschieten. Eisers verklaring dat anderen aan de spionnen van de Nigeriaanse overheid hebben verteld dat hij van plaats naar plaats reist om mensen te werven, maakt niet inzichtelijk waarom de spionnen hem als coördinator zouden aanmerken. Evenmin heeft eiser inzichtelijk gemaakt dat en hoe deze spionnen weten wie hij is. De minister heeft de stelling van eiser dat er foto’s bekend zijn en het aannemelijk is dat de autoriteiten hiervan op de hoogte zou zijn, niet voldoende mogen vinden omdat onduidelijk is gebleven hoe de autoriteiten aan deze gegevens zijn gekomen. Ook de verklaringen van eiser over zijn ontsnapping aan de politie heeft de minister onsamenhangend mogen vinden, waardoor zijn relaas ongeloofwaardig is. Eiser heeft in het nader gehoor verklaard dat juist hij doelwit is, maar dat hij ondanks de achtervolging van de politie wist te ontkomen. Later in datzelfde gehoor heeft eiser verklaard dat het niet makkelijk is om iedereen op te pakken en dat de politie niet alleen eiser kan achtervolgen. De minister heeft hierbij niet ten onrechte gesteld dat van eiser mag worden verwacht dat hij ten minste een inschatting kan geven of meer details kan vertellen over wat hij heeft gezien, ondanks de chaotische situatie tijdens de politie-inval.
Risico bij terugkeer
9. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer naar Nigeria gevaar loopt. De minister heeft zijn politieke overtuiging en zijn IPOB-lidmaatschap geloofwaardig geacht. Eiser wijst op landeninformatie waaruit blijkt dat na het illegaal verklaren van IPOB leden van die organisatie zijn beschuldigd van verraad, er willekeurige arrestaties plaatsvonden bij demonstraties en buitengerechtelijke executies. Volgens eiser blijkt verder uit landeninformatie dat sprake is van monitoring in het buitenland door de Nigeriaanse autoriteiten. Eiser wijst op de situatie van IPOB-leider Nnamdi Kanu, die is opgespoord en gearresteerd in Kenia. Eiser heeft verklaard dat hij in Nigeria door zal gaan met het uiting geven aan zijn politieke overtuiging.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft gesteld dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. De rechtbank zal dat hieronder toelichten.
Uit het arrest S. en A. volgt dat de autoriteiten een uitputtend en grondig onderzoek moeten verrichten naar alle relevante omstandigheden met betrekking tot de specifieke persoonlijke situatie van de vreemdeling en van de meer algemene context van zijn land van herkomst, om vast te stellen of de vreemdeling een gegronde vrees heeft om persoonlijk te worden vervolgd wegens zijn politieke overtuiging. Met IB 2024/10 heeft de minister zijn werkwijze in zaken over de beoordeling van gestelde politieke overtuigingen aangepast aan het beoordelingskader zoals dat is verduidelijkt in de uitspraken van de Afdeling van 17 januari 2024. Uit IB 2024/10 volgt dat de beoordeling in dit verband is gericht op de sterkte van de overtuiging en de eventueel geloofwaardige verrichte activiteiten en de daaraan ontleende vrees bij terugkeer. Bij deze vrees wordt beoordeeld of aannemelijk is dat de vreemdeling zich op een bepaalde manier zal uiten en of hij daardoor te vrezen heeft.
De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen voldoende gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer niet te vrezen heeft voor de Nigeriaanse autoriteiten. De minister heeft terecht overwogen dat het feit dat eiser in Nederland wel eens heeft deelgenomen aan demonstraties niet maakt dat aannemelijk is geworden dat eiser in de negatieve aandacht staat van de Nigeriaanse autoriteiten of wordt gemonitord. De activiteiten van eiser zijn terecht marginaal bevonden en niet is aannemelijk gemaakt dat de Nigeriaanse autoriteiten op de hoogte zouden zijn van de activiteiten voor IPOB in Nederland. Eiser heeft verder evenmin aannemelijk gemaakt dat hij na terugkeer naar Nigeria dusdanige activiteiten zal ondernemen, dat hij een risico loopt. Eiser heeft pas na herhaaldelijk vragen aangegeven dat hij de boodschap van IPOB wil verspreiden. Eiser heeft tijdens het gehoor en ook in beroep niet nader toegelicht hoe hij dit wil doen. De minister heeft daarom mogen stellen dat eiser onvoldoende helder en concreet heeft verklaard op dit punt. Eiser heeft verder aangegeven na terugkeer in IPOB geld te willen investeren. De minister heeft kunnen overwegen dat dit een passieve handeling is, die niet als zichtbaar of strafbaar kan worden aangemerkt in Nigeria. Eiser heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Ook verder heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico op vervolging loopt vanwege zijn politieke overtuiging of lidmaatschap van IPOB. Naar het oordeel van de rechtbank is de beoordeling van de minister in lijn met het arrest S. en A. en slaagt het beroep van eiser op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht niet.
Conclusie en gevolgen
10. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.