ECLI:NL:RBDHA:2026:12830

ECLI:NL:RBDHA:2026:12830

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 21-05-2026
Zaaknummer NL26.19838
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewaring, vervolgberoep, lichter middel, voortvarend handelen en verdedigingsbeginsel, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.19838

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. D. Matadien),

en

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Verweerder heeft op 10 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

Verweerder heeft op 8 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Inleiding

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 24 maart 2026 (in de zaak NL26.13387) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 18 maart 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 18 maart 2026 tot 8 april 2026.

Lichter middel

3. Eiser stelt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling, zoals een meldplicht of plaatsing in een AZC. Volgens eiser is er geen onttrekkingsrisico omdat hij in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling en in vertrekgesprekken heeft verklaard bereid te zijn mee te werken en snel aan Spanje overgedragen te willen worden. Bovendien meent hij dat er geen zorgvuldige belangenafweging is gemaakt, omdat de bewaring zijn fysieke en mentale gezondheid schaadt.

4. Deze beroepsgrond is voor wat betreft de medische omstandigheden van eiser eerder aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 24 maart 2026. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverwegingen 3. en 3.1. van deze uitspraak. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er zich in de te toetsen periode gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan die aanleiding geven voor het oordeel dat eiser inmiddels wel detentieongeschikt moet worden geacht of dat de beschikbare zorg in detentie voor hem ontoereikend zou zijn. Wat betreft het risico op onttrekking merkt de rechtbank op dat dit is beoordeeld in de uitspraak van 24 maart 2026 en dat het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling en het enige met eiser gehouden vertrekgesprek van respectievelijk 10 maart 2026 en 11 maart 2026 dateren, en daarmee buiten de te toetsen periode vallen. De beroepsgrond dat in de te toetsen periode alsnog een lichter middel moest worden toegepast slaagt gelet op dit alles niet.

Voortvarend handelen en verdedigingsbeginsel

5. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn overdracht. Daartoe stelt eiser dat hij op 24 maart 2026 zou worden overgedragen aan Spanje, maar dat deze geplande overdracht om onduidelijke redenen niet heeft plaatsgevonden. Eiser is vervolgens op 8 april 2026 overgedragen. Gezien het claimakkoord van 18 december 2025 en het overdrachtsbesluit van 26 januari 2026 heeft de overdracht te lang geduurd en verweerder heeft volgens eiser geen deugdelijke verklaring gegeven voor deze vertraging. Dat verweerder hier pas op zitting uitleg over geeft is in strijd met het verdedigingsbeginsel. Volgens eiser is er sprake van nieuwe feiten en omstandigheden, waardoor het voortduren van de maatregel onrechtmatig en niet proportioneel is.

6. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de vlucht van 24 maart 2026, in tegenstelling tot wat in de voortgangsrapportage staat, niet is geannuleerd vanwege een asielverzoek of reguliere aanvraag, maar omdat eisers asieladvocaat op 23 maart 2026 aangaf niet bevoegd te zijn en zich te hebben teruggetrokken. Hierdoor was het besluit de asielaanvraag niet in behandeling te nemen en eiser over te dragen aan Spanje niet correct uitgereikt. Het besluit is vervolgens op 26 maart 2026 op de juiste wijze uitgereikt, waarna op 30 maart 2026 een nieuwe vlucht is geboekt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende voortvarend heeft gehandeld. Dat er al op 18 december 2025 een claimakkoord was en op 26 januari 2026 een overdrachtsbesluit is genomen, maakt niet dat de overdracht te lang heeft geduurd. In dit verband verwijst de rechtbank naar de rechtsoverwegingen 2. en 2.1. van de uitspraak van 24 maart 2026 waar deze beroepsgrond ook is beoordeeld. De rechtbank is verder van oordeel dat geen sprake is van schending van het verdedigingsbeginsel. De zaak is immers op zitting behandeld zodat verweerder informatie kon geven over de voortgang met betrekking tot de uitzetting van eiser en eisers gemachtigde heeft hierop kunnen reageren. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

7. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.A. Bouter - Rijksen

Griffier

  • mr. M. Stehouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand