ECLI:NL:RBDHA:2026:12832

ECLI:NL:RBDHA:2026:12832

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 21-05-2026
Zaaknummer NL26.20428
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewaring, beroep, bewaringsgronden, lichter middel, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.20428

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S.R. Kwee),

en

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is (telefonisch) verschenen S. Al Hassaan. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Bewaringsgronden

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden, bedoeld in artikel 5.1b, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden, bedoeld in artikel 5.1b, tweede en vierde lid, van het Vb, vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

2. Eiser betwist de zware grond 3k. Hij stelt niet bekend te zijn met de afwijzing op zijn asielaanvraag (en daarmee het overdrachtsbesluit) en dat deze niet aan hem is uitgereikt. Hij heeft zijn medewerking aan een voorgenomen overdracht aan Frankrijk dan ook niet geweigerd, omdat hij hiervan niet op de hoogte was.

3. Naar het oordeel van de rechtbank kan de zware grond 3k niet aan eiser worden tegengeworpen, omdat niet vaststaat dat hij het overdrachtsbesluit feitelijk heeft ontvangen. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het overdrachtsbesluit aan de asieladvocaat van eiser is gestuurd. De gemachtigde van eiser heeft verklaard contact te hebben gehad met de asieladvocaat, die op zijn beurt heeft aangegeven inmiddels niet meer voor eiser op te treden omdat hij geen contact met eiser heeft kunnen krijgen. De asieladvocaat had eerder namens eiser een uitstelverzoek van twee weken ingediend voor het indienen van een zienswijze, vanwege het ontbreken van contact met eiser. Gelet op deze informatie kan de rechtbank niet vaststellen dat eiser het overdrachtsbesluit daadwerkelijk heeft ontvangen. Voor de goede orde overweegt de rechtbank dat deze feitelijke constatering losstaat van de vraag of verweerder het overdrachtsbesluit heeft mogen toezenden aan de asieladvocaat van eiser (die volgens verweerder aan hem niet kenbaar heeft gemaakt dat hij zich aan de asielzaak van eiser onttrekt). De overige niet-bestreden zware gronden 3a en 3e en lichte gronden 4a, 4c en 4d kunnen wel worden tegengeworpen. Deze gronden, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

4. Eiser stelt dat zijn inbewaringstelling onterecht is, omdat hij niet op de hoogte was van een overdrachtsbesluit. Hij meent daarom recht te hebben op voortgezet verblijf in het AZC Enschede en op een overdracht vanuit dat AZC. Daarnaast benadrukt hij dat hij geen brieven of uitnodigingen heeft ontvangen. De uitlatingen van eiser tijdens het aanmeldgehoor dateren van vóór de beschikking en wijzen niet op een gebrek aan medewerking van zijn zijde. Eiser geeft aan dat het zwaar is om vast te zitten en verzoekt om vrijlating zodat hij terug kan keren naar het AZC.

5. De rechtbank is van oordeel dat, ook als eiser het overdrachtsbesluit niet heeft ontvangen, verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Gelet op de hiervoor onder 3. genoemde dragende gronden en de toelichting op die gronden bestaat er een significant risico op onttrekking aan het toezicht. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser meermalen heeft verklaard niet mee te werken aan zijn overdracht aan Frankrijk, maar in Nederland wil blijven. Daarnaast is eiser zonder opgave van reden niet verschenen op de vertrekgesprekken die – zo blijkt uit informatie van de DTenV dan wel het COA - bij hem bekend waren en gepland stonden op 17 maart 2026 en 23 maart 2026. Dat eiser in het vertrekgesprek van 13 april 2026 verklaart wel mee te zullen werken op de dag van de overdracht doet aan het hiervoor geconstateerde onttrekkingsrisico niet af. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.A. Bouter - Rijksen

Griffier

  • mr. M. Stehouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand