RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20429
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.R. Kwee),
en
(gemachtigde: mr. S. Juriaans).
Procesverloop
Bij besluit van 10 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Verweerder heeft op 22 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven wegens een Dublinoverdracht aan Kroatië.
Overwegingen
Inleiding
1. Omdat de bewaring inmiddels is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Gezien artikel 106 van de Vw kan de rechtbank in dat geval aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden, bedoeld in artikel 5.1b, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden, bedoeld in artikel 5.1b, eerste en vierde lid van het Vb, vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. De zware gronden 3a en 3k en de lichte grond 4a, en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen de maatregel van bewaring al dragen. Er volgt namelijk uit dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
4. Eiser stelt dat zijn inbewaringstelling prematuur is, omdat hij bij de oplegging ervan nog in afwachting was van de uitspraak in zijn asielprocedure. Zijn verklaring dat hij niet terug wil keren naar Kroatië ziet hij als een uiting van zijn vrijheid van meningsuiting, zonder dat dit betekent dat hij weigert mee te werken. Daarnaast voert eiser aan dat hij lijdt aan nachtmerries en zijn psychische toestand slecht is, mede door de zelfmoord van zijn kamergenoot in het AZC.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Gelet op de onder rechtsoverweging 3. genoemde dragende zware gronden en lichte grond, en de toelichting op die gronden bestaat er een significant risico op onttrekking aan het toezicht. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser meermalen heeft verklaard niet mee te werken aan zijn overdracht aan Kroatië. Zo heeft eiser in het vertrekgesprek van 24 februari 2026 verklaard dat hij niet mee zal werken aan een overdracht maar dan wil terugkeren naar Turkije. In het vertrekgesprek van 25 maart 2026 verklaart eiser niet mee te werken omdat hij de uitspraak op zijn asielberoep wil afwachten. Uit de verslagen van de vertrekgesprekken van 24 februari 2026 en 17 maart 2026 blijkt ook dat eiser is gewezen op de consequenties van het niet meewerken en dat hij desondanks zegt niet te zullen meewerken dan wel weigert verder antwoord te geven. Gelet op de inhoud van de verslagen heeft verweerder eisers uitlatingen niet enkel als uiting van eisers mening hoeven begrijpen, maar daaruit mogen concluderen dat eiser weigert mee te werken aan een overdracht naar Kroatië. Op 10 april 2026 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, het asielberoep van eiser ongegrond verklaard. Hoewel eiser hoger beroep heeft ingesteld, heeft hij niet tijdig een voorlopige voorziening gevraagd waardoor eiser overdraagbaar was. Verweerder heeft eiser gezien het voorgaande terecht in bewaring gesteld. Voor zover eiser stelt dat vreemdelingenbewaring voor hem vanwege zijn medische en psychische gesteldheid onevenredig bezwarend is, volgt de rechtbank hem hierin niet. Zoals verweerder in de maatregel heeft opgemerkt, heeft eiser toegang tot de medische dienst. De medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland is gelijkwaardig aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Ten aanzien van het suïciderisico heeft verweerder overwogen dat er een extra beveiligde zorgafdeling aanwezig is op het detentiecentrum, waarmee de veiligheid en de gezondheid van eiser voldoende zijn gewaarborgd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij detentieongeschikt is en heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare begeleiding en medische en psychische zorg in zijn geval niet toereikend zijn of dat zijn gesteldheid in bewaring door gebrek aan medische of psychische zorg zal verslechteren. In de maatregel is er ook op gewezen dat, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ervan mag worden uitgegaan dat de medische zorg in Kroatië afdoende is. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.