RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20169
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
(gemachtigde: mr. B. Pattiata).
Procesverloop
Bij besluit van 8 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Essebai. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Schending informatieplicht
1. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn informatieplicht zoals neergelegd in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden. Uit die bepaling volgt dat de op de zaak betrekking hebbende stukken tijdig overgelegd dienen te worden. Eiser voert aan dat verweerder enerzijds te laat stukken aan het dossier toevoegt, en anderzijds relevante stukken niet heeft toegevoegd. Zo heeft verweerder nagelaten om de laissez passer (lp) aanvraag van 3 april 2026 en een bewijs van de verzending van die aanvraag naar de Algerijnse autoriteiten over te leggen. Hierdoor kan niet worden beoordeeld of verweerder voortvarend handelt. Eiser heeft bovendien verklaard niets te weten van de pretense lp-aanvraag. Hij heeft geen aanvraag gezien of ondertekend.
2. Op grond van artikel 8:42 van de Awb moet verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter sturen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hieraan voldaan. Verweerder heeft in de aanbiedingsbrief van 21 april 2026 meegedeeld dat op 3 april 2026 de lp-aanvraag is ingevuld en verzonden naar DIA en op 8 april is doorgezonden aan de Algerijnse autoriteiten. Deze lp-aanvraag is tot op heden in behandeling. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangedragen die de rechtbank zouden moeten doen twijfelen aan de juistheid van die informatie. De rechtbank overweegt hierbij dat verweerder op de zitting heeft verklaard dat sprake is van een ambtshalve lp-aanvraag, zodat verklaarbaar is dat eiser geen aanvraag heeft ondertekend. Verder blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 9 april 2026 dat aan eiser is meegedeeld dat een lp-aanvraag is ingediend. De rechtbank acht zich met de informatie uit de aanbiedingsbrief voldoende in staat om de voortvarendheid van verweerder te beoordelen en ziet geen aanleiding om de onderliggende lp-aanvraag en het verzendbewijs op te vragen. De rechtbank ziet hierin ook geen schending van de informatieplicht. Verder acht de rechtbank van belang dat de bewaringsprocedure zich kenmerkt door zeer korte termijnen waardoor stukken soms pas relatief kort voor de zitting worden geüpload. Mede daarom kunnen de beroepsgronden nog op de zitting worden ingediend. Wanneer een gemachtigde door het late tijdstip van indienen van de stukken niet in de gelegenheid is daar afdoende op te reageren, kan dit (op de zitting) aan de orde gesteld worden en bezien worden hoe alsnog recht kan worden gedaan aan het verdedigingsbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden, bedoeld in artikel 5.1b, eerste en derde lid van het Vreemdelingenbesluit (Vb), vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden, bedoeld in artikel 5.1b, eerste en vierde lid van het Vb, vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. De zware gronden 3a en 3c en de lichte grond 4a, en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen de maatregel van bewaring al dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.