RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20433
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.R. Kwee),
en
(gemachtigde: mr. S. Juriaans).
Procesverloop
Bij besluit van 10 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. van Beek-Nikitina. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
2. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. De zware gronden 3a en 3b en de lichte grond 4a, en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen de maatregel van bewaring al dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige gronden en de overwegingen van verweerder in het kader van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, behoeven daarom geen bespreking.
Lichter middel
3. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Hij voert aan dat er geen aanwijzingen zijn dat hij niet mee wil werken en dat hij zich niet recent heeft onttrokken aan het toezicht. Eiser licht toe dat hij in het verleden afspraken heeft gemist vanwege zijn drugs- en alcoholproblematiek, maar dat deze problemen inmiddels niet meer spelen. Daarnaast heeft hij een meldplicht gemist omdat hij vrijwilligerswerk deed voor de stichting [naam stichting] , die steun verleent aan Oekraïne. Ook is hij van mening dat de inbewaringstelling kort na afwijzing van zijn asielaanvraag niet gerechtvaardigd is. Na de ongegrondverklaring van 30 maart 2026 is hij zonder vertrekgesprek in bewaring gesteld. Eiser wil zijn asielprocedure afwachten in een AZC onder een meldplicht.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Gelet op de hiervoor onder 2. genoemde dragende gronden en de toelichting op die gronden bestaat er een risico op onttrekking aan het toezicht. Dat enkele feiten die ten grondslag zijn gelegd aan deze bewaringsgronden hebben plaatsgevonden in de tijd dat eiser verslaafd was (zoals met onbekende bestemming vertrekken op 8 juni 2023), neemt het risico op onttrekking niet weg. Die feiten zijn wel juist en bovendien zijn de meeste feiten die verweerder in de toelichtingen op de bedoelde bewaringsgronden heeft genoemd nog actueel. Eiser heeft meermalen verklaard niet mee te werken aan terugkeer. Daarnaast weigert eiser mee te werken aan het verkrijgen van een laissez passer (lp). De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat de keuze voor bewaring niet is te volgen omdat er geen aanwijzingen zijn dat hij niet mee wil werken. Hoewel eiser hoger beroep heeft ingesteld tegen de ongegrondverklaring van zijn beroep tegen het besluit tot buitenbehandelingstelling van zijn asielaanvraag, en een voorlopige voorziening heeft gevraagd, had hij Nederland moeten verlaten omdat hij geen rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder h van de Vw, zolang de voorlopige voorziening niet is toegewezen. Daarom is eiser in principe verwijderbaar en heeft verweerder eiser dan ook terecht in bewaring gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Non-refoulement
5. Eiser stelt dat het beginsel van non-refoulement in zijn geval nooit inhoudelijk is beoordeeld.
6. De rechtbank overweegt dat de bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vw niet is gericht op uitzetting van eiser, maar op de behandeling van eisers nieuwe asielaanvraag terwijl sprake is van een risico op onttrekking. Het eerder opgelegde terugkeerbesluit is opgeschort vanwege de thans lopende nieuwe asielprocedure. In het kader van die asielprocedure zal een beoordeling van het refoulementrisico plaatsvinden. Ook eisers persoonlijke omstandigheden kunnen in dat kader verder aan de orde komen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
7. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.