ECLI:NL:RBDHA:2026:12837

ECLI:NL:RBDHA:2026:12837

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-05-2026
Datum publicatie 21-05-2026
Zaaknummer NL26.25086
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Grensdetentie art. 6 lid 3 Vw. Maatregel niet onevenredig bezwarend, beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.25086

(gemachtigde: mr. M.M. Volwerk),

en

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek geschorst in afwachting van de afstandsverklaring. Later op de dag is de afstandsverklaring alsnog geüpload in het digitale dossier. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt enkel de Zimbabwaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op

[geboortedag 1] 1976. Eiser is echter naar Nederland gereisd met een echt bevonden paspoort van Zuid-Afrika met daarin een origineel door Nederland afgegeven visum, onder de naam

[naam], geboren op [geboortedag 2] 1976.

2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

3. Eiser betoogt dat de vrijheidsontnemende maatregel niet had mogen worden opgelegd, omdat hij psychische en fysieke klachten heeft ten gevolge van wat hij heeft meegemaakt in Zimbabwe.

De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Aan eiser is voorafgaand aan het opleggen van de maatregel gevraagd of hij daartegen bezwaar had en of er bijzondere medische omstandigheden waren waarmee rekening moest worden gehouden. Eiser heeft daarop geantwoord dat hij het prima vond en dat er geen bijzonderheden waren.

Ook anderszins is niet gebleken van fysieke of psychische klachten die al bij aanvang van de grensdetentie bij de minister bekend waren. Evenmin is gebleken dat het voortduren van de grensdetentie vanwege die klachten voor eiser onevenredig bezwarend is. Het opleggen en voortduren van de bestreden maatregel is daarom niet onrechtmatig.

4. Eiser betoogt verder dat het voortduren van de maatregel onrechtmatig is, omdat hij inmiddels zijn identiteit en nationaliteit heeft aangetoond met documenten en zijn relaas dat hij slachtoffer is van gevangenname, marteling en mishandeling in Zimbabwe door de minister geloofwaardig is geacht.

De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond ook niet slaagt. Eisers asielaanvraag is bij besluit van 29 april 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond, waarbij ook is overwogen dat de maatregel in het kader van het grensbewakingsbelang blijft voortduren. Niet valt in te zien waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden tot een andere conclusie (hadden) moeten leiden.

5. De rechtbank ziet ambtshalve ook geen aanleiding om opleggen of voortduren van de bestreden maatregel onrechtmatig te achten. Het beroep is daarom ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van

D.P. van Middelkoop, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. V.F.J. Bernt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand