Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/018314-26
Datum uitspraak: 18 mei 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1990 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 4 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Vermeulen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. C.U. Mons naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1hij, op of omstreeks 30 november 2025 te Tilburg, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangeefster] , van het leven te beroven, immers heeft verdachte met beide handen de keel en/of nek en/of hals van die [aangeefster] vastgepakt en/of de keel en/of nek en/of hals dichtgeknepen (gehouden), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 30 november 2025 te Tilburg, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangeefster] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft verdachte met beide handen de keel en/of nek en/of hals van die [aangeefster] vastgepakt en/of de keel en/of nek en/of hals dichtgeknepen (gehouden), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
2hij, op of omstreeks 30 november 2025 te Tilburg, althans in Nederland [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een mes op de keel van die [aangeefster] te zetten en/of (daarbij) de toe te voegen "Als je nou nog één woord zegt, steek ik dat mes in je keel", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
3hij op of omstreeks 17 januari 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland €500,-, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangeefster] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door de pinpas van die [aangeefster] weg te nemen en/of zonder toestemming gebruik te maken van die pinpas;
4hij, op of omstreeks 17 januari 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen:- "Als jij op een dag die auto uitstapt krijg je die kogel door je kop",- "Als jij je sleutel omdraait ligt er een bom onder je auto en vliegt je auto de lucht in met jou erin." en/of- "Ik ga je moeders huis bombarderen, dat van je vader en dat van jou ook. Ik ga jouw leven zuur maken en je zal het vanzelf wel zien.", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft onder bijlage I de wettige bewijsmiddelen opgenomen, met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
[aangeefster] (hierna: de aangeefster) heeft aangifte gedaan van meerdere strafbare feiten die door de verdachte zouden zijn gepleegd. Haar aangifte houdt onder andere in dat de verdachte haar op 30 november 2025 in zijn woning in Tilburg zou hebben gewurgd (feit 1) en met een mes zou hebben bedreigd (feit 2). De aangeefster en de verdachte hadden op dat moment een relatie met elkaar. Daarnaast zou de verdachte op 17 januari 2026 in Den Haag, kort nadat de aangeefster de relatie zou hebben beëindigd, haar nogmaals hebben bedreigd (feit 4) en zonder toestemming haar pinpas hebben gepakt en daarmee € 500,- hebben opgenomen (feit 3).
De verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij de aangeefster heeft gewurgd of bedreigd. Ten aanzien van het pinnen van het geld heeft de verdachte verklaard dat hij dat inderdaad heeft gedaan, maar dat hij hiervoor toestemming had.
Feit 1
Verwurging
De rechtbank is van oordeel dat de aangeefster op hoofdlijnen consistent en gedetailleerd heeft verklaard en dat haar verklaring ook betrouwbaar is. Haar verklaring bevat geen tegenstrijdigheden of onduidelijkheden die de betrouwbaarheid aantasten en de verklaring komt authentiek en niet aangedikt over. Hetgeen de aangeefster heeft verklaard tegen getuige [getuige] komt in essentie overeen met haar bij de politie afgelegde verklaring. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de aangeefster betrouwbaar en geloofwaardig is.
De rechtbank is van oordeel dat er, naast de verklaring van de aangeefster, meerdere bewijsmiddelen zijn die leiden tot de conclusie dat de verdachte de aangeefster daadwerkelijk heeft gewurgd.
Ten eerste bevat het dossier foto’s waarop blauwe plekken op de hals van de aangeefster te zien zijn. Ten tweede heeft getuige [getuige] verklaard dat zij op 3 december 2025 paarse plekken op de hals van de aangeefster heeft gezien. Toen deze getuige de aangeefster vroeg hoe zij hieraan was gekomen, antwoordde de aangeefster dat de verdachte haar had gewurgd. Daarnaast bevat het dossier meerdere WhatsApp-berichten tussen de verdachte en de aangeefster, waarin de verdachte lijkt te erkennen dat hij de aangeefster heeft gewurgd. Ten aanzien van deze belastende berichten heeft de verdachte zich ter terechtzitting voor een deel op zijn zwijgrecht beroepen en verder verklaard dat hij niet kan uitleggen wat hij precies met die berichten bedoelde, mede doordat de WhatsApp-gesprekken tussen hem en de aangeefster volgens hem chaotisch verliepen.
De rechtbank is van oordeel dat uit de WhatsApp-gesprekken blijkt dat de verdachte de aangeefster wel degelijk heeft gewurgd. Uit deze gesprekken volgt dat de verdachte meermaals door de aangeefster met het wurgen wordt geconfronteerd en dat de verdachte hierop schuldbewust – en niet met verbazing of verontwaardiging, wat de rechtbank een meer passende reactie zou vinden in het geval van een onterechte beschuldiging – reageert. De verdachte biedt in de berichten verschillende keren zijn verontschuldigingen aan, hij erkent dat hij te ver is gegaan, dat hij zijn belofte dat hij haar niet zou aanraken heeft verbroken en zegt bovendien dat hij haar niet meer bij haar nek durfde te grijpen tijdens seks. De rechtbank ziet geen andere uitleg voor de berichten dan dat de verdachte op dat moment de verantwoordelijkheid voor het wurgen van de aangeefster neemt.
De rechtbank constateert kortom dat de verklaring die aangeefster heeft afgelegd op verschillende onderdelen steun vindt in ander bewijs.
Poging doodslag of poging zware mishandeling?
Het wurgen van de aangeefster door de verdachte is onder feit 1 ten laste gelegd als (primair) poging tot doodslag, dan wel (subsidiair) poging tot zware mishandeling. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en bewezen verklaren dat de verdachte de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft begaan. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Het zijn feiten van algemene bekendheid dat de hals en de daarin aanwezige luchtweg en slagaders een kwetsbaar onderdeel van het lichaam zijn, dat mensen door verwurging buiten bewustzijn kunnen raken en dat een langdurig zuurstoftekort – door bijvoorbeeld een gebrek aan ademhaling ten gevolge van een verwurging – tot hersenschade en zelfs de dood kan leiden. Het met kracht dichtknijpen van de hals kan dan ook dodelijk letsel opleveren. Of in een concreet geval een aanmerkelijke kans bestaat op het ontstaan van dergelijk letsel, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de kracht van het knijpen, de duur van het knijpen en of het knijpen is onderbroken. In dit geval zal de rechtbank uitgaan van een verwurging zoals de aangeefster die heeft beschreven. De rechtbank ziet geen reden om te vermoeden dat de verklaring van de aangeefster hierover onbetrouwbaar is.
Uit de verklaring van de aangeefster volgt dat de aangeefster op de grond lag, dat de verdachte bovenop haar was gepositioneerd en dat de verdachte vervolgens ongeveer tien minuten lang met beide handen haar keel heeft dichtgeknepen. Af en toe verminderde de verdachte de druk, waardoor de aangeefster weer kon ademhalen. Al met al is de aangeefster door het wurgen meerdere keren in ademnood gekomen. Verder bevat het dossier geen medische stukken die nader inzicht verschaffen in de precieze kracht waarmee de verdachte de aangeefster heeft gewurgd en de hieruit volgende (mogelijke) fysiologische gevolgen. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat bij de verwurging een aanmerkelijke kans op het toebrengen van dodelijk letsel aanwezig was en de verdachte deze ook bewust heeft aanvaard, met name omdat uit de verklaring van de aangeefster volgt dat de verdachte het dichtknijpen van de keel verschillende keren heeft onderbroken.
Wél is de rechtbank is van oordeel dat er een aanmerkelijke kans bestond op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het handelen van de verdachte, bestaande uit het meermaals langdurig dichtknijpen van de keel van de aangeefster, is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het ontstaan van dit letsel bewust heeft aanvaard.
Pleegmoment
De raadsman heeft bepleit dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de verwurging ‘op of omstreeks 30 november 2025’, zoals ten laste is gelegd, heeft plaatsgevonden. Ter onderbouwing hiervan is aangevoerd dat de verklaring van de aangeefster op dit punt onbetrouwbaar is, omdat zij eerst had benoemd dat de verwurging op 2 december 2025 zou zijn gepleegd en pas later 30 november 2025 als pleegdatum heeft genoemd. Daarnaast zou de verwurging volgens de aangeefster tussen 10.00 en 11.00 uur ’s ochtends hebben plaatsgevonden, maar uit door de raadsman overgelegde foto’s blijkt dat de verdachte en de aangeefster op 30 november 2025 om 11.43 uur samen in een restaurant waren en op die foto’s zijn geen blauwe plekken op de hals van de aangeefster te zien.
De rechtbank volgt het verweer van de raadsman in zoverre dat de rechtbank van oordeel is dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de verwurging op 30 november 2025 tussen 10.00 en 11.00 uur heeft plaatsgevonden. Daarentegen is de rechtbank wel van oordeel dat het dossier voldoende aanknopingspunten bevat om bewezen te verklaren dat de verwurging omstreeks 30 november 2025 heeft plaatsgevonden. Uit de hiervoor genoemde getuigenverklaring volgt immers dat een getuige op 3 december 2025 – slechts enkele dagen na de ten laste gelegde datum van 30 november 2025 – het letsel op de hals van de aangeefster heeft waargenomen. Aan de hand hiervan kan worden vastgesteld dat de verwurging daarvoor moet hebben plaatsgevonden.
Feit 2
Bedreiging
De rechtbank is ook ten aanzien van de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging van oordeel dat deze bewezen kan worden verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de aangeefster ook op dit punt consistent, gedetailleerd en betrouwbaar is. Net als bij feit 1 wordt deze verklaring ondersteund door de WhatsApp-gesprekken, waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte de aangeefster met een mes heeft bedreigd. De verdachte reageert in die gesprekken immers schuldbewust op opmerkingen van de aangeefster die op de bedreiging betrekking hebben. Zoals eerder overwogen ziet de rechtbank hiervoor geen andere uitleg dan dat de verdachte verantwoordelijkheid neemt voor de bedreiging.
Pleegmoment
De rechtbank zal – om dezelfde redenen als bij feit 1 – bewezen verklaren dat het feit omstreeks 30 november 2025 is gepleegd. Uit de aangifte blijkt dat dit feit op dezelfde dag als feit 1 is gepleegd.
Feit 3
Diefstal (door middel van een valse sleutel)
Voor een bewezenverklaring van diefstal is vereist dat de verdachte het oogmerk had om zich het weggenomen goed wederrechtelijk toe te eigenen. De verdachte erkent dat hij op 17 januari 2026 met de pinpas van de aangeefster € 500 heeft gepind van haar rekening. De rechtbank moet dus enkel nog vaststellen of de verdachte onder de gegeven omstandigheden wist dat hij geen toestemming had om met de pinpas van de aangeefster voor zichzelf een geldbedrag van € 500,- te pinnen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Partners kunnen in een relatie een vergaande vertrouwensband hebben en het is dan ook niet ongebruikelijk dat partners elkaars pincode kennen en van elkaars pinpas gebruikmaken. Dit staat er echter niet aan in de weg dat ook in dergelijke gevallen oneigenlijk gebruik van een pinpas kan worden gemaakt en daardoor diefstal kan worden gepleegd. Voor de beoordeling hiervan is met name van belang of er afspraken over het gebruik van de pinpas zijn gemaakt, voor welke doeleinden de pinpas in het verleden (doorgaans) werd gebruikt en of – in geval van afwezigheid van (duidelijke) afspraken – de verdachte redelijkerwijs ervan uit had kunnen gaan dat hij de transactie(s) met de pinpas had mogen verrichten.
De aangeefster heeft verklaard dat zij en de verdachte een gesprek in haar auto hadden, dat zij tijdens dit gesprek had aangekondigd de relatie tussen hen te beëindigen, dat de verdachte vervolgens zonder haar toestemming en medeweten de pinpas uit haar auto heeft gepakt en uiteindelijk daarmee € 500,- heeft gepind. Wel mocht de verdachte in het verleden weleens voor het reizen met de trein van haar pinpas gebruik maken.
Daartegenover heeft de verdachte verklaard dat hij de pinpas van de aangeefster niet uit de auto heeft weggenomen, maar dat hij deze al bij zich droeg. Volgens de verdachte was namelijk afgesproken dat hij vrij van de pinpas gebruik mocht maken, zolang hij maar de gepinde bedragen aan de aangeefster zou terugbetalen. Daarnaast was volgens hem tijdens het gesprek in de auto slechts besproken dat zij een “time-out” in de relatie zouden instellen. Deze time-out hield volgens de verdachte in dat zij tijdelijk afstand van elkaar zouden nemen en op een later moment zou worden besproken of zij nog met elkaar verder in de relatie zouden willen gaan. Van een (definitief) einde van de relatie zou dus op dat moment geen sprake zijn geweest. Ter zitting zijn door de raadsman WhatsApp-gesprekken tussen de aangeefster en de verdachte overhandigd. In deze gesprekken valt te lezen dat de aangeefster op 29 oktober 2025 haar pincode aan de verdachte heeft verstrekt en dat zij zegt dat de verdachte alles wat hij nodig heeft kan kopen. De verdachte hoeft daar geen verdere toestemming voor te vragen. Daarna volgen gesprekken waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte gebruik maakte van de pinpas van de aangeefster om een treinkaartje, boodschappen en rookwaar te kopen. De verdachte zegt ook meermaals toe dat hij de gepinde bedragen aan de aangeefster zal terugbetalen.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de verdachte toestemming had om voor eigen gebruik en zonder nader overleg met de aangeefster een geldbedrag van honderden euro’s te pinnen. Een dergelijk bedrag pinnen is van geheel andere aard dan het gebruiken van de pinpas voor bijvoorbeeld een treinkaartje, of andere huishoudelijke zaken. Bovendien acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat de aangeefster ermee akkoord zou zijn gegaan dat de verdachte bij een beëindiging of “time-out” van de relatie haar pinpas bij zich zou mogen houden en daarvan gebruik zou mogen blijven maken, zeker als het gaat om bedragen in deze orde van grootte. De rechtbank gaat ervan uit dat ook voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat de eerder gemaakte afspraken met betrekking tot de pinpas niet (vanzelfsprekend) langer golden.
De rechtbank komt hiermee tot de conclusie dat de verdachte wist dat hij geen toestemming had om met de pinpas van de aangeefster voor zichzelf een geldbedrag van € 500,- te pinnen en zal dan ook de diefstal (door middel van een valse sleutel) bewezen verklaren. Omdat de rechtbank geen reden ziet om te vermoeden dat de verklaring van de aangeefster onbetrouwbaar is, zal de rechtbank ook bewezen verklaren dat de verdachte de pinpas uit de auto van de aangeefster heeft gepakt.
Feit 4
Bedreiging – geen steunbewijs
De rechtbank zal de verdachte van de onder feit 4 ten laste gelegde bedreiging vrijspreken. Het is de rechter, op grond van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), niet toegestaan om het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, uitsluitend te baseren op de verklaring van één persoon. De rechter mag daarom niet tot een bewezenverklaring komen als de door de aangeefster genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende door ander bewijs worden ondersteund. Onderdelen van het ten laste gelegde feit kunnen echter wel op grond van de enkele verklaring van de aangeefster worden bewezen, indien haar verklaring op specifieke punten door de inhoud van ander bewijsmateriaal wordt bevestigd. Dit zogeheten steunbewijs moet dan wel afkomstig zijn uit een andere bron en een voldoende duidelijk verband houden met de verklaring van de aangeefster.
De rechtbank is van oordeel dat de aangifte van de aangeefster op dit punt niet (voldoende) concreet door bewijs uit een andere bron wordt ondersteund, waardoor hiervoor dus onvoldoende wettig bewijs aanwezig is.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1hij, omstreeks 30 november 2025 te Tilburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met beide handen de keel van die [aangeefster] heeft vastgepakt en de keel dichtgeknepen heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
2hij, omstreeks 30 november 2025 te Tilburg, [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een mes op de keel van die [aangeefster] te zetten en (daarbij) toe te voegen "Als je nou nog één woord zegt, steek ik dat mes in je keel";
3hij op 17 januari 2026 te 's-Gravenhage € 500,- die aan [aangeefster] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door de pinpas van die [aangeefster] weg te nemen en zonder toestemming gebruik te maken van die pinpas.
Voor zover in de tenlasteleggingen type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden (meldplicht, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijk wonen, verbod op middelengebruik, contactverbod met elektronisch toezicht en locatieverbod met elektronisch toezicht). Daarnaast is de dadelijke uitvoerbaarheid van deze bijzondere voorwaarden gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van een eventuele strafoplegging opgemerkt dat de verdachte zich in het verleden altijd aan de hem opgelegde bijzondere voorwaarden heeft gehouden.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling, bedreiging en diefstal. Ten eerste heeft hij – naar het lijkt zonder enige aanleiding – zijn toenmalige partner minutenlang gewurgd en met een mes bedreigd. Zij heeft hierdoor voor haar leven moeten vrezen. Ten tweede heeft de verdachte zonder toestemming € 500,- met de pinpas van het slachtoffer opgenomen, nadat duidelijk was geworden dat hun relatie beëindigd was. Met zijn handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit en het eigendomsrecht van het slachtoffer geschonden, en gevoelens van angst en onveiligheid bij haar teweeggebracht. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dit soort gewelddadige en onderdrukkende relaties langere tijd last kunnen hebben van de impact hiervan.
De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 30 maart 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat er sprake is van een delictpatroon, aangezien de verdachte in 2016, 2009 en 2007 ook voor huiselijk geweld is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 20 april 2026. Daaruit volgt dat in het verleden sprake is geweest van middelenproblematiek en momenteel sprake is van schuldenproblematiek. De reclassering ziet risico’s op de leefgebieden psychosociaal functioneren en houding. Zij vermoeden dat er mogelijk sprake is van onderliggende psychische problemen bij de verdachte. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden – te weten een meldplicht, ambulante behandeling, een verblijf in begeleid wonen of maatschappelijk wonen, een verbod op middelengebruik, een contactverbod met elektronisch toezicht en een locatieverbod met elektronisch toezicht – op te leggen. Daarnaast is geadviseerd om deze voorwaarden en het bijbehorende reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
LOVS-oriëntatiepunten
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Als uitgangspunt geldt bij het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zonder gebruik van een wapen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. In dit geval gaat het echter om een poging daartoe.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 59 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van het aantal dagen dat de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank acht een voorwaardelijk strafdeel passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Daarnaast zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk strafdeel verbinden.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Uit het voorgaande blijkt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere misdrijven die gericht zijn tegen de onaantastbaarheid van het lichaam. Gelet op de aard van de feiten en het strafblad van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal worden bevolen dat de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden en het bijbehorende reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 29.675,86, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 4.675,86 aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de toe te wijzen immateriële schade dient te worden gematigd. Voor het overige heeft de officier van justitie tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij geconcludeerd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard, omdat hij onvoldoende tijd heeft gehad om de vordering met de verdachte te bespreken. Een eventuele aanhouding van de zaak hiervoor zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.
Het oordeel van de rechtbank
Tijdigheid vordering
De rechtbank ziet geen aanleiding om de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. De vordering is naar het oordeel van de rechtbank niet dusdanig laat ingediend dat de verdediging zich hier in het geheel niet meer op had kunnen voorbereiden. Daarbij vindt de rechtbank bovendien van belang dat de vordering niet bijzonder complex of omvangrijk is.
Materiële schade
De vordering is op de punten van de kosten voor het opvragen van medische gegevens en de vervoerskosten namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en naar het oordeel van de rechtbank namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks deze materiële schade heeft geleden door de bewezen verklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 180,86. De rechtbank zal de benadeelde partij echter niet-ontvankelijk in de vordering verklaren voor zover deze op de opleidingskosten betrekking heeft, omdat dit deel van de vordering namens de verdachte (gemotiveerd) is betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. Uit het verstrekte kostenoverzicht en de mail van een persoon van het opleidingsinstituut kan de rechtbank niet afleiden of en in hoeverre het niet behalen van het certificaat in rechtstreeks verband staat tot het bewezenverklaarde. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering, zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan deze schade slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bewezen verklaarde feiten. De benadeelde partij is door de verdachte gewurgd, bestolen en met een mes bedreigd. Het psychische letsel is voldoende met stukken onderbouwd. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de rechtbank recht op smartengeld op grond van artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek, op de grond dat er sprake is van psychisch letsel dat een aantasting van de persoon op andere wijze oplevert.
Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op de vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 5.000,-. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.
Toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 5.180,86, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 november 2025. Dit bedrag bestaat uit € 180,86 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bewezen verklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 5.180,86, bestaande uit € 180,86 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] .
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 285, 302 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 (subsidiair):
poging tot zware mishandeling;
ten aanzien van feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
ten aanzien van feit 3:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 180 (HONDERDTACHTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 121 (honderdeenentwintig) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 59 (negenenvijftig) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
Meldplicht
- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland (adres: Ringbaan West 275, 5307 PD Tilburg) op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
Ambulante behandeling
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van Ambulant Centrum Tilburg of een soortgelijke zorginstelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde meewerkt aan het opstellen van diagnostiek;
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
- gedurende de proeftijd verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten Unitio of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan de huisregels en het (dag)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
Verbod middelengebruik
- zich gedurende de proeftijd onthoudt van het gebruik van verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan urine-, adem- of speekselonderzoek;
Contactverbod met elektronisch toezicht
- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 1998, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring van dit contactverbod, zolang de reclassering dat nodig vindt. Met elektronische monitoring via enkelband en Slachtofferdevice kan de reclassering het genoemde slachtoffer informeren als de veroordeelde dichtbij komt;
Locatieverbod met elektronisch toezicht
- zich gedurende de proeftijd niet bevindt binnen een straal van 2500 meter van de [straatnaam 1] te Den Haag, binnen een straal van 2000 meter van de [straatnaam 2] te Den Haag en binnen een straal van 2000 meter van de [straatnaam 3] te Den Haag, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De veroordeelde stelt zich onder elektronisch toezicht ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde. Voor een goede werking van het elektronisch toezicht kan de veroordeelde Nederland niet zonder toestemming van de reclassering verlaten;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] toe tot een bedrag van € 5.180,86 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster] ;
verklaart de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] voor het overige niet-ontvankelijk;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij [aangeefster] , begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 5.180,86, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] ;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Schaaf, voorzitter,
mr. G.P. Verbeek, rechter,
mr. C. Hofman, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. [aangeefster] . Aksu, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 mei 2026.
Bijlage I
Bewijsmiddelenoverzicht
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).
De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 4 mei 2026, voor zover inhoudende:
U, voorzitter, houdt voor wat er volgens de aangeefster op 17 januari 2026 is gebeurd. Het klopt dat zij mij kwam ophalen. Zij had het over een time-out. Daarmee bedoelde zij dat je elkaar even niet ziet en vervolgens gaat kijken of je alsnog verder wilt. De € 500,- euro had ik gepind.
2. De eigen waarneming van de rechtbank, gedaan op de terechtzitting van 4 mei 2026, voor zover inhoudende:
De voorzitter houdt voor dat hij op pagina 48 van het dossier (betreffende foto 2 van het fotoblad behorend bij proces-verbaalnummer PL1500-2026018660) een foto van de nek van de aangeefster, met op de linkerkant van haar hals blauwe plekken, waarneemt.
3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , opgemaakt op 17 januari 2026, voor zover inhoudende (proces-verbaalnummer PL1500-2026018660-2):
Ik leerde [verdachte] kennen. In 2024 besloten we een liefdesrelatie aan te gaan. Hij kreeg een studio toegewezen in Tilburg. Op 2 december 2025 waren [verdachte] en ik samen in zijn studio. Ik zag dat [verdachte] op mij af liep. Ik voelde dat hij mij op de grond gooide op mijn rug. Ik zag en voelde dat [verdachte] bovenop mij kwam zitten ter hoogte van mijn heupen met een been aan elke kant. Ik voelde dat [verdachte] zijn beide handen om mijn keel legde. Ik voelde dat hij met beide handen mijn keel dichtkneep. Af en toe verminderde hij de druk zodat ik een beetje kon ademhalen. Daarna kneep hij weer harder zodat ik meerdere keren in ademnood kwam. Als hij losliet maakte mijn keel een geluid omdat ik naar adem snakte. Ik moest er ook hard van hoesten. In totaal heeft dit circa tien minuten geduurd. Daarna is [verdachte] naar de keuken gelopen om een aardappelschilmesje te pakken. Daarna is hij weer op me gaan zitten. Ik zag en voelde dat hij het mes hardhandig tegen mijn keel zette. Hij schreeuwde: "Als je nou nog een (1) woord zegt steek ik dat mes in je keel." Op dat moment dacht ik echt dat ik dood zou gaan, ik was zo verschrikkelijk bang.
17 januari 2026 heb ik [verdachte] opgehaald in Den Haag. [verdachte] stapte in. Op de Utrechtsestraat in Den Haag heb ik de auto stil gezet. Ik zei tegen [verdachte] dat ik onze relatie verbrak. Uiteindelijk is [verdachte] uitgestapt. Even later zocht ik mijn pinpas. Deze had ik in de auto in een bekerhouder gezet. Ik kon mijn pinpas nergens vinden. Ik had het vermoeden dat [verdachte] mijn pinpas mee had genomen uit mijn auto. Ik bekeek mijn internetbankieren en zag dat er op zaterdag 17 januari 2026 om 15:54 uur een bedrag van 500,00 euro van mijn rekening was opgenomen bij de geldmaat bij Kurhuisweg 2 Den Haag. Dit had ik niet zelf gedaan.
4. Het proces-verbaal van aanvullend verhoor van aangever [aangeefster] , opgemaakt op 19 januari 2026, voor zover inhoudende (proces-verbaalnummer PL1500-2026018660-19):
Ik heb per abuis gezegd dat de wurging op 3 december heeft afgespeeld. Toen ik thuis was ben ik even rustig na gaan denken en weet ik dat mijn badkamerpanelen op 1 december zijn gebracht. De wurging is de dag ervoor gebeurd dus dat is dan 30 november geweest.
5. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , opgemaakt op 19 januari 2026, voor zover inhoudende (proces-verbaalnummer PL1500-2026018660-16):
Op 3 december is [aangeefster] bij mij thuis. Ik zag dat het vest van [aangeefster] heel de tijd omhoog zat tot boven haar nek. Ik vroeg aan [aangeefster] om de rits van haar vest naar beneden te doen. Ik zag dat [aangeefster] de rits van haar vest naar beneden deed. Ik zag aan de linkerkant paarse plekken. Ik zag ook aan de rechterkant paarse plekken, maar vooral aan de linkerkant. Ik hoorde dat [aangeefster] zei dat [verdachte] haar bij haar keel had gegrepen en bijna bewusteloos raakte.
6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 februari 2026, voor zover inhoudende (proces-verbaalnummer PL1500-2026018660-39):
Ik, verbalisant, zag dat [aangeefster] (owner) op dinsdag 16 december 2025 met behulp van de applicatie WhatsApp een gesprek heeft met een contact genaamd [verdachte] , telefoonnummer 31686167508.
[aangeefster] (owner): Je moet niet vergeten[aangeefster] (owner): Dat jij klein beetje boos word[aangeefster] (owner): En me gelijk aanvalt
[aangeefster] (owner): Met een foking mes
[aangeefster] (owner): Op me keel[aangeefster] (owner): En me foking wurgt tot k bijna dood ga[aangeefster] (owner): Met allemaal kkr blauwe plekken in me nek
[aangeefster] (owner): Wat had je mij beloofd?[aangeefster] (owner): Je zou mij NOOIT aanraken[aangeefster] (owner): En wat heb je gedaan na 1 maand dat je buiten bent?
[verdachte] : Ja dat had ik beloofd heb dat verbroken
[aangeefster] (owner): Je hebt t kapot gemaakt met dat mes [verdachte] eerlijk gezegd[aangeefster] (owner): Je bent veel te ver gegaan[verdachte] : Ik snap het
[aangeefster] (owner): Maar als jij zoiets doet bij mij[aangeefster] (owner): Denk je dt er dan geen schade overblijft?
[verdachte] : Jawel daarvoor heb k ook verdriet in me en spijt[verdachte] : Dat het zo is gegaan
[verdachte] : Dat verdiende je gwn niet
[verdachte] : Sorry [aangeefster] spijt me echt[verdachte] : Kon ik de tijd maar terug draaien
[verdachte] : Durfde niet eens meer bij je nek te grijpen tijdens sex
7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 19 januari 2026, voor zover inhoudende (proces-verbaalnummer PL1500-2026018660-17):
Ik, verbalisant, belde naar [aangeefster] . Ik vroeg aan haar of [verdachte] de pinpas mocht gebruiken van haar. Ik hoorde dat [aangeefster] zei, dat [verdachte] wel eens haar pinpas mocht gebruiken als hij met de trein ging. Dit wist ze en vond ze prima. Op 17 januari had ze haar pinpas in de auto liggen. Ze wist niet dat hij de pinpas uit haar auto had gestolen, en daar mee had gepind. [aangeefster] had hier zeker geen toestemming voor gegeven en wist niet dat [verdachte] haar pinpas uit de auto had gehaald.