RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18095
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Benayad),
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op grond van wedertoelating. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een beroepsgrond aan. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op grond van wedertoelating.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 20 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 maart 2025 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 4 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. De gemachtigde van eiser heeft zich afgemeld voorafgaand aan de zitting. Eiser zelf was ook niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser is geboren op [geboortedag] 1952 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij is in de periode rondom 1981 naar Nederland gekomen als arbeidsmigrant. Eiser voert aan dat hij lang in Nederland heeft gewoond en gewerkt, maar in 2002/2003 de dupe is geworden van onrechtmatig handelen van het UWV. Als gevolg hiervan is hij teruggekeerd naar Marokko en heeft hij zijn verblijf niet op tijd verlengd. Eiser voelt zich niet thuis in Marokko en wil graag terugkeren naar Nederland.
4. Op grond van artikel 3.92, eerste lid, van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd worden verleend aan de meerderjarige vreemdeling die:
5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet aan de voorwaarden voldoet van artikel 3.92, eerste lid, van het Vb 2000. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister zijn belangen onvoldoende heeft meegenomen in de afweging. Er is sprake van een zeer schrijnende situatie die hem onevenredig hard treft.
6. De rechtbank overweegt dat uit eisers brief duidelijk naar voren komt dat zijn vertrek uit Nederland hem zwaar is gevallen, en dat hij graag weer in Nederland zou verblijven. Eiser heeft zijn aanvraag op grond van artikel 3.92, eerste lid van het Vb 2000 ingediend. Nu hij niet aan de voorwaarden van dit artikel voldoet, kan zijn beroep (om op grond hiervan een verblijfsvergunning te verkrijgen) niet slagen. Wat betreft de (belangen)afweging, overweegt de rechtbank dat de minister op de zitting terecht heeft toegelicht dat binnen artikel 3.92, eerste lid, van het Vb 2000 geen ruimte bestaat voor een belangenafweging. Dit betekent dat de minister de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op grond van artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onder a of b, van het Vb 2000 terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.