.RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3616
(gemachtigde: mr. S.R. Kwee),
en
(gemachtigde: mr. M. Latul).
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 20 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.3617, op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Inleiding
Eiser stelt de Somalische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 26 juni 2025 ingediend.
Uit EU-Vis is gebleken dat Frankrijk een visum heeft verleend aan eiser met een geldigheidsduur van 17 mei 2025 tot 16 juni 2025. Op 25 september 2025 heeft Nederland aan Frankrijk verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 12, vierde lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Frankrijk heeft dit verzoek op 26 november 2025 aanvaard op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag met toepassing van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling ervan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser voert aan dat de opvangsituatie in Frankrijk voor alleenstaande mannen slecht is. Ter onderbouwing verwijst hij naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024 van juni 2025. Verder voert eiser aan dat verweerder toepassing had moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening omdat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Frankrijk onevenredig hard is. Eiser is in Nederland actief als mensenrechtenactivist en als journalist. Hij stelt dat hij in Nederland inmiddels een groot netwerk aan contacten heeft opgebouwd, dat hij verliest indien hij wordt overgedragen aan Frankrijk. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij in Somalië heeft samengewerkt met de Federation of Somali Journalists (FESOJ). Deze organisatie is verbonden met Free Press Unlimited (FPU), die haar hoofdkantoor in Amsterdam heeft. In Somalië had eiser al contact met FPU, omdat hij trainingen en cursussen van deze organisatie volgde. In Nederland is dit contact verder geïntensiveerd en heeft eiser ook banden met andere journalistieke organisaties en personen opgebouwd. Hij heeft in dat kader diverse bijeenkomsten en events in Nederland bijgewoond. Ter onderbouwing heeft eiser een schriftelijke toelichting, werkpassen, steunverklaringen, aanbevelingsbrieven en foto’s overgelegd. Volgens eiser kan hij zijn werkzaamheden als journalist en mensenrechtenactivist in Frankrijk niet (goed) uitvoeren omdat hij daar geen banden heeft met organisaties zoals FPU en vanwege de taalbarrière. Daar komt bij dat eiser kampt met medische klachten waarvoor hij in Nederland gesprekken voert met een psycholoog en medicatie gebruikt. Op de zitting is toegelicht dat de medische klachten van eiser in samenhang met zijn eerdere traumatische ervaringen in Somalië en zijn werk als mensenrechtenactivist en journalist maken dat verweerder toepassing dient te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
Bij de toepassing van de Dublinverordening is het uitgangspunt dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 31 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3623), volgt dat verweerder ten aanzien van Frankrijk nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.
Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Frankrijk geen risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Frankrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Franse autoriteiten, een reëel risico loopt op een artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dit kan eiser doen door landeninformatie over te leggen en/of aan de hand van verklaringen over zijn eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending op van artikel 4 van het Handvest. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218).
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. De stelling van eiser over de opvangsituatie in Frankrijk voor alleenstaande mannen en zijn beroep in dit verband op het meest recente AIDA-rapport (update 2024) van juni 2025 is daarvoor onvoldoende. De rechtbank acht daarbij van belang dat de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraak van 31 juli 2025 heeft geoordeeld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld van de opvang van asielzoekers in Frankrijk schetst dan volgt uit de landeninformatie die de Afdeling eerder in de uitspraak van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552, al heeft betrokken. De rechtbank sluit zich daarbij aan en overweegt dat als eiser in Frankrijk onverhoopt problemen ervaart in het kader van de asielprocedure of opvangvoorzieningen, het op zijn weg ligt om daarover de Franse autoriteiten benaderen. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Franse autoriteiten voor eiser niet mogelijk zal zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere individuele omstandigheden maken dat overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht van eiser aan Frankrijk van een onevenredige hardheid getuigt. Uit eisers verklaringen en de door hem overgelegde stukken blijkt dat eiser in Nederland actief is als mensenrechtenactivist en als journalist en dat hij in het kader van zijn journalistieke werkzaamheden contacten met personen en organisaties in Nederland heeft opgebouwd. Hoewel de rechtbank wil aannemen dat het vanwege de (ook al in Somalië) bestaande contacten wellicht gemakkelijker is voor eiser om zijn werkzaamheden als journalist vanuit Nederland te verrichten, is onvoldoende aannemelijk geworden dat het onmogelijk of aanzienlijk moeilijker voor eiser is om soortgelijke activiteiten in Frankrijk te verrichten. De stelling van eiser ter zitting dat hij niet bekend is met journalistieke organisaties in Frankrijk en zijn verwijzing naar de taalbarrière acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Daarbij wordt betrokken dat het eiser in Nederland ook is gelukt om nieuwe contacten te leggen. Ten aanzien van de gestelde trauma’s en de medische omstandigheden van eiser en zijn behandeling daarvoor in Nederland wordt overwogen dat niet is gesteld of gebleken dat eiser in Frankrijk niet de benodigde zorg voor zijn medische klachten kan krijgen. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er vanuit gaan dat Frankrijk vergelijkbare medische zorgmogelijkheden kent als Nederland. Ook wanneer alle naar voren gebrachte omstandigheden van eiser in samenhang worden bezien, hoeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.