ECLI:NL:RBDHA:2026:12848

ECLI:NL:RBDHA:2026:12848

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-05-2026
Datum publicatie 21-05-2026
Zaaknummer 09/028440-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling voor gekwalificeerde opzetverkrachting en diefstal met geweld gepleegd tegen een vrouw in haar woning. Verminderde toerekeningsvatbaarheid. Oplegging van tbs-maatregel met dwangverpleging en een gevangenisstraf van 36 maanden. Gedeeltelijke toewijzing schadevergoeding,

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/028440-25

Datum uitspraak: 7 mei 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ( [land] ),

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] ,

locatie [locatie] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 23 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Briejer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M. Bouman naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1hij op of omstreeks 25 januari 2025 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland met een persoon, te weten [aangeefster] meermalen, althans eenmaal een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- betasten van haar borsten,- likken aan haar borsten en/of vagina,

- tongzoenen,- zich door haar laten aftrekken,- brengen van zijn vinger(s) in haar vagina,- brengen van zijn penis in haar mond,- brengen van zijn penis tegen haar vagina en/of anus,- klaarkomen over haar buik, nadat hij zich in haar bijzijn had afgetrokken terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door- wederrechtelijk de woning van die [aangeefster] te betreden,- de woning binnen te stormen,- zich op die [aangeefster] te laten vallen waardoor zij op de bank terecht kwam,- zijn hand op de mond van die [aangeefster] te doen en daarbij te zeggen “no talk”,- (meermalen) haar knieën en/of benen uit elkaar te duwen,- haar hard beet te pakken en om te draaien en/of- zijn handen om haar keel te doen, vervolgens druk te zetten op haar keel en daarbij te zeggen “I will kill you”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2hij op of omstreeks 25 januari 2025 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, ketting en/of ring, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangeefster] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangeefster] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- de woning van die [aangeefster] binnen te stormen en/of- de ketting van de nek van die [aangeefster] af te trekken.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde bepleit.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Nadere duiding van de bewijsmiddelen

De rechtbank gebruikt de bewijsmiddelen 1 en 3 tot en met 6 voor de bewezenverklaring van feit 1 en de bewijsmiddelen 1, 2 en 4 voor de bewezenverklaring van feit 2.

Bewijsoverwegingen

Feit 1: verkrachting

Juridisch kader in zedenzaken

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een (deels) ontkennende verdachte, zoals in deze zaak het geval is, brengt dit in veel gevallen mee dat slechts de verklaring van het vermeende slachtoffer als belangrijkste bewijsmiddel voorhanden is.

Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de verklaring van één getuige met betrekking tot de feiten en omstandigheden op zichzelf staat en onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad in zedenzaken volgt dat niet vereist is dat de seksuele handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Het is voldoende wanneer de verklaring van een aangever op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Wel is het zodat tussen de verklaring van een aangever en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan. Daarnaast geldt dat een voor het bewijs gebruikte verklaring op zichzelf voldoende betrouwbaar moet zijn.

Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat steunbewijs onder meer kan bestaan uit een verklaring over de eigen waarneming van een getuige van de emotie van het slachtoffer na het ten laste gelegde feit. Zo’n verklaring kan steunbewijs opleveren als de emotionele toestand of eventuele gedragsverandering die de getuige (‘disclosure-getuige’) bij het slachtoffer heeft waargenomen, niet anders kan worden opgevat dan als een bevestiging van de verklaringen van het slachtoffer. Het tijdsverloop tussen het ten laste gelegde feit en de waargenomen emoties is daarbij relevant. In de regel dient het te gaan om bewijs waaruit emoties blijken die kort na het incident door een getuige zijn waargenomen. Wel is behoedzaamheid op haar plaats bij het gebruik van emoties als steunbewijs.

De rechtbank ziet zich dus gesteld voor de vragen of (1) de belastende verklaring van de aangeefster betrouwbaar is en of (2) deze verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen.

Betrouwbaarheid van de verklaring van mevrouw [aangeefster]

De rechtbank acht de verklaring van de aangeefster betrouwbaar en overweegt daartoe als volgt.

De aangeefster heeft verschillende keren een verklaring afgelegd met betrekking tot het ten laste gelegde. De aangeefster heeft direct op 25 januari 2025 in de avond een verklaring afgelegd tegenover de verbalisanten die ter plaatse kwamen nadat haar buurvrouw 112 had gebeld. Diezelfde avond heeft de aangeefster haar verhaal nogmaals gedaan tijdens een informatief gesprek op het politiebureau. Vervolgens heeft zij enkele dagen later aangifte gedaan en is zij nog een keer telefonisch aanvullend gehoord. Tot slot is de aangeefster ook bij de rechter-commissaris als getuige gehoord.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van de aangeefster in de kern gedetailleerd, consistent en niet onderling tegenstrijdig. De verklaring van de aangeefster vindt bovendien in belangrijke mate en op overtuigende wijze steun in andere bewijsmiddelen, zoals onder het kopje ‘steunbewijs’ nader wordt overwogen.

Daarnaast is de verklaring van de aangeefster ook authentiek. Zo heeft zij niet alleen verklaard over wat haar fysiek is overkomen, maar ook over haar angstige gevoelens op die momenten. De aangeefster heeft verder ook verklaard dat ze zich bepaalde dingen niet meer precies wist te herinneren, bijvoorbeeld wanneer de verdachte haar shirt en broek uittrok.

Tot slot is niet gebleken van redenen op grond waarvan aan de waarheid van de verklaring van de aangeefster zou moeten worden getwijfeld.

Gezien het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de aangeefster betrouwbaar is. Daarom zal die verklaring ook als uitgangspunt worden genomen bij de beantwoording van de bewijsvragen. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de verklaring van de aangeefster voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, in die zin dat deze verklaring niet op zichzelf staat maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in andere bronnen.

Steunbewijs

Niet ter discussie staat dat de verdachte en de aangeefster in de avond van 25 januari 2025 seks hebben gehad, waarbij het gaat om alle in de tenlastelegging opgenomen handelingen. Er bestaan echter twee scenario’s over de wijze waarop deze seks heeft plaatsgevonden.

Het eerste scenario houdt – conform de verklaring van de aangeefster – in, dat de verdachte, een voor de aangeefster onbekende man, haar woning is binnengestormd. Direct daarna wordt zij op de bank geduwd en gedwongen tot meerdere seksuele handelingen.

Het tweede scenario houdt – conform de verklaring van de verdachte – in, dat de verdachte en de aangeefster elkaar drie maanden voorafgaand aan het incident hebben ontmoet op straat. Daarop hebben de verdachte en de aangeefster voor de eerste keer seks gehad, na een korte kennismaking. De aangeefster heeft de verdachte toen verteld waar zij woonde en de verdachte heeft op 25 januari 2025 haar huis opgezocht. Hij is binnengelaten en zij hebben vervolgens seks gehad met wederzijdse instemming.

De rechtbank heeft het bewijsmateriaal bekeken in het licht van beide scenario’s. De rechtbank is ervan overtuigd geraakt dat het is gegaan zoals de aangeefster in haar verklaringen bij de politie heeft verklaard, nu haar verklaring wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Ten eerste vindt de verklaring van de aangeefster steun in de verklaring van de verdachte zelf. De verdachte heeft immers bekend dat hij seksuele handelingen heeft verricht met de aangeefster, zoals in de tenlastelegging staat opgenomen. De verdachte heeft bovendien verklaard dat zij op een bepaald moment een asbak naar zijn hoofd gooide, waardoor hij begon te bloeden. Bij zijn uiteindelijke aanhouding, minder dan twee uur na het incident, werd de verdachte aangetroffen met een bebloed voorhoofd, wat spoort met de verklaring van de aangeefster en die van hemzelf.

Ten tweede vindt de verklaring van de aangeefster steun in de waarnemingen van de verbalisanten die kort na de melding ter plaatse zijn gekomen. Een verbalisant heeft verklaard te hebben gezien dat er een gebroken rode asbak op de salontafel lag. Verder zag deze verbalisant dat de aangeefster aan het trillen was. Toen de verbalisant aan haar vroeg wat er was gebeurd, zag de verbalisant dat haar lip begon te trillen en dat zij huilde. De rechtbank stelt vast dat deze verbalisant, beroepswaarnemer, haar waarneming heeft gedaan kort na de gedragingen die aan de verdachte in deze zaak ten laste zijn gelegd. De rechtbank is van oordeel dat de waarnemingen van de verbalisant over de emotionele toestand van de aangeefster bijdragen aan de geloofwaardigheid van de verklaring van de aangeefster, waarin zij stelt dat er tegen haar wil seks heeft plaatsgevonden. De door de verbalisant waargenomen emotie sluit niet aan bij het door de verdachte geschetste scenario van seks met wederzijdse instemming. Daarnaast vormt ook de waarneming van de verbalisant dat er een gebroken rode asbak op de salontafel lag een bevestiging van de verklaring van de aangeefster. Het gooien met een asbak naar het hoofd van de verdachte sluit evenmin aan bij het door de verdachte geschetste scenario van seks met wederzijdse instemming.

Ten derde ondersteunt het letsel dat bij de aangeefster is geconstateerd haar verklaring. De verdachte heeft verklaard dat de seks er rustig aan toe ging. Echter, op basis van het gebezigde bewijs stelt de rechtbank vast dat de aangeefster onder meer uitwendig letsel heeft in de nek, en een verdikking en verkleuring rondom de lippen, de kin en de wang. Dit letsel past bij de handelingen die de verdachte volgens de aangeefster bij haar heeft ondernomen.

Bovendien is het door de verdachte naar voren gebrachte scenario van seks met wederzijdse instemming niet te rijmen met de wijze waarop de aangeefster direct nadat de verdachte haar woning had verlaten eerst haar nicht heeft geprobeerd te bellen en vervolgens direct haar buurvrouw om hulp heeft gevraagd. Daarnaast beweert de verdachte dat de seks met wederzijdse instemming plaatsvond, omdat zij drie maanden eerder al seks zouden hebben gehad en omdat de aangeefster de verdachte op 25 januari 2025 zou hebben gezoend. Deze verklaring staat echter op zichzelf, vindt geen bevestiging in het dossier en biedt bovendien geen enkele ondersteuning voor de gestelde instemming met seksueel contact.

De rechtbank acht het door de verdachte aangevoerde alternatieve scenario om bovengenoemde redenen ongeloofwaardig. De rechtbank gaat dus uit van het scenario zoals door de aangeefster naar voren is gebracht en zal hierna ingaan op welke kwalificatie dat oplevert.

Kwalificatie

Voor een bewezenverklaring van een gekwalificeerde opzetverkrachting moet sprake zijn van het door (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Daarvan kan sprake zijn indien de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. Of zo een dwangsituatie zich heeft voorgedaan, laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.

De rechtbank concludeert op grond van de bewijsmiddelen dat de verdachte door gebruikmaking van geweld en dreiging met geweld een situatie heeft gecreëerd waarin de aangeefster gedwongen werd tot het ondergaan van seksuele handelingen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door zijn handelen de aangeefster opzettelijk in een zodanige situatie heeft gebracht dat zij zich niet tegen de seksuele handelingen kon verzetten en zij zich daaraan niet kon onttrekken. Het door de verdachte aangevoerde scenario vindt geen steun in het dossier en schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde.

Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde, zoals hierna onder 3.5. omschreven.

Feit 2: diefstal met geweld

De verdachte ontkent dat hij de ketting en de ring van de aangeefster in zijn bezit heeft gehad. De rechtbank heeft echter ook op dit punt geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de aangeefster. Zij heeft verklaard dat de verdachte vroeg of haar ketting van goud was, waarna hij haar ketting met ring van haar nek af trok. De aangeefster heeft verklaard dat zij zag dat hij de ketting in zijn rechterjaszak deed. Ook de verbalisanten hebben waargenomen dat de aanhechtingsring van de sluiting van de ketting stuk was.

De verdediging heeft aangevoerd dat, wanneer wordt uitgegaan van de verklaring van de aangeefster, hooguit sprake kan zijn geweest van een poging tot diefstal. De sieraden zijn immers in de woonboot aangetroffen. De rechtbank oordeelt anders. Van betekenis is de vraag of de ‘wegneming’ is voltooid. De Hoge Raad heeft overwogen dat hiervoor is vereist dat de dader zich een zodanige feitelijke heerschappij over het goed heeft verschaft dan wel dit goed zodanig aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken dat de wegneming van het goed als voltooid kan gelden. De verdachte heeft de ketting met ring van de nek van de aangeefster getrokken en heeft deze in zijn jaszak gedaan. Daarmee heeft de verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank de feitelijke heerschappij over het goed verschaft en is dus sprake geweest van een voltooide diefstal. Dat de verdachte de ketting en de ring daarna heeft teruggegeven, doet aan het voorgaande niet af.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ring en ketting van de aangeefster met geweld heeft weggenomen, zoals onder 3.5. omschreven.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1hij op 25 januari 2025 te ’s-Gravenhage, met een persoon, te weten [aangeefster] meermalen, seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- betasten van haar borsten,- likken aan haar borsten en vagina,

- tongzoenen,- zich door haar laten aftrekken,- brengen van zijn vinger(s) in haar vagina,- brengen van zijn penis in haar mond,- brengen van zijn penis tegen haar vagina en anus,- klaarkomen over haar buik, nadat hij zich in haar bijzijn had afgetrokken

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang, geweld en bedreiging, door- wederrechtelijk de woning van die [aangeefster] te betreden,- de woning binnen te stormen,- zich op die [aangeefster] te laten vallen waardoor zij op de bank terecht kwam,- zijn hand op de mond van die [aangeefster] te doen en daarbij te zeggen “no talk”,- (meermalen) haar knieën en benen uit elkaar te duwen,- haar hard beet te pakken en om te draaien en - zijn handen om haar keel te doen, vervolgens druk te zetten op haar keel en daarbij te zeggen “I will kill you”;

2hij op 25 januari 2025 te ’s-Gravenhage, een ketting en een ring, die aan [aangeefster] , toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [aangeefster] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door- de woning van die [aangeefster] binnen te stormen en- de ketting van de nek van die [aangeefster] af te trekken.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid volledig uitsluiten.

6. De oplegging van een straf en maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de strafbare feiten verminderd aan de verdachte zal toe rekenen, maar gelet op de ernst van feit 1 geen strafverlaging zal toe passen, en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte zal opleggen de ongemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met het bevel dat hij van overheidswege wordt verpleegd (hierna: dwangverpleging). Ten slotte heeft hij gevorderd dat aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt opgelegd, evenals een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van 38v Sr voor de duur van vijf jaren, in de vorm van een contactverbod met de aangeefster en dat bij overtreding van deze maatregel telkens twee weken vervangende hechtenis wordt toegepast met een maximum van zesentwintig weken.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank bij veroordeling primair de strafbare feiten verminderd aan de verdachte toe te rekenen en hem een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Subsidiair verzoekt de verdediging de rechtbank om aan de verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting en diefstal met geweld van een gepensioneerde vrouw. Op 25 januari 2025 werd de aangeefster plotseling geconfronteerd met een voor haar onbekende man die haar woning binnenstormde. Binnen in de woning van de aangeefster heeft de verdachte haar verkracht onder bedreiging en met geweld, en beroofd. Haar woning is bij uitstek de plek waar zij zich veilig zou moeten voelen. Als gevolg van het handelen van de verdachte heeft de aangeefster letsel opgelopen. De verdachte heeft met zijn gedrag daarnaast een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de seksuele en lichamelijke integriteit van de aangeefster. Het handelen van de verdachte heeft geleid tot gevoelens van angst, onveiligheid en psychische problematiek bij de aangeefster. De rechtbank rekent dit alles de verdachte zeer aan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het (buitenlandse) strafblad van de verdachte van 27 januari 2025. Daaruit volgt dat de verdachte herhaaldelijk is veroordeeld tot onder meer onvoorwaardelijke gevangenisstraffen in andere EU-lidstaten ter zake van vermogensdelicten. Deze eerdere veroordelingen zijn onherroepelijk. De rechtbank weegt dit ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Pro Justitia-rapport, opgemaakt op 17 februari 2026 door [naam 1] , psychiater, en [naam 2] , GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 10 april 2026. De rechtbank zal de rapporten hierna bespreken.

Pro Justitia-rapport

De deskundigen stellen vast dat er bij de verdachte sprake is van een matige verstandelijke beperking, een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol en ten minste een lichte stoornis in het gebruik van cocaïne. Ten tijde van het ten laste gelegde waren zowel de verstandelijke beperking als de stoornissen in het gebruik van alcohol en cocaïne aanwezig.

Ten aanzien van beide tenlastegelegde feiten adviseren de deskundigen hem dit in verminderde mate toe te rekenen. Zij overwegen daartoe het volgende.

Vanuit zijn verstandelijke beperking is de verdachte zeer sterk gericht op snelle behoeftebevrediging, en is hij zeer beperkt in staat dit gedrag te remmen of op de gevolgen van dit gedrag te reflecteren. De verdachte is vanuit zijn verstandelijke beperking beperkt in staat tot het opvangen en interpreteren van sociale signalen van anderen. De combinatie van de forse hoeveelheid alcohol (waarbij de verstandelijke beperking een grote rol heeft gehad bij de inname en de totstandkoming van de verslaving), de beperkte vermogens van de verdachte op het gebied van seksualiteit en sociale informatieverwerking, en de sterke neiging van de verdachte op het handelen naar zijn impulsen (wederom vanuit zijn verstandelijke beperking), heeft daarmee in belangrijke mate bijgedragen aan de totstandkoming van het ten laste gelegde, indien bewezen.

De deskundigen schatten het risico op het plegen van soortgelijke feiten matig tot hoog in bij het uitblijven van interventies.

De noodzakelijke interventies voor het beheersen van het recidiverisico en het ondersteunen van dagelijkse, sociale en seksuele vaardigheden kunnen alleen effectief worden uitgevoerd binnen het kader van tbs met dwangverpleging, bij voorkeur in een kliniek met expertise op het gebied van verstandelijke beperkingen. Dit gedwongen kader maakt het mogelijk om intensieve begeleiding, toezicht en behandeling continu te waarborgen. De behandeling dient zich primair te richten op de verstandelijke beperking.

Reclasseringsadvies

De reclassering heeft geadviseerd over de (on)mogelijkheden van een tbs-maatregel met voorwaarden. Het ontbreekt de verdachte aan probleembesef en -inzicht en hij ziet zelf geen noodzaak voor behandeling of ondersteuning. Nog los van de taalbarrière is de te verwachten responsiviteit op behandeling laag. Daarnaast is het volgens de reclassering niet van de verdachte te verwachten dat hij zich vanuit zijn beperkingen zal kunnen houden aan bijzondere voorwaarden in een tbs-voorwaarden kader. De reclassering is van mening dat zij alles overwegende binnen het kader van een tbs met voorwaarden het hoge recidivegevaar naar verwachting niet afdoende kan afwenden en ziet derhalve geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico's te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen. Zij adviseert daarom negatief over tbs met voorwaarden.

De tbs-maatregel

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor oplegging van tbs met dwangverpleging. De verdachte heeft misdrijven begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Voorts was ten tijde van het begaan van de feiten sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Daarnaast eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van tbs. De rechtbank stelt vast dat de bewezen verklaarde feiten misdrijven zijn die gericht waren tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege moet worden opgelegd.

Geen gedragsbeïnvloedende en/of vrijheidsbeperkende maatregel 38z Sr en geen contactverbod 38v Sr

Nu de rechtbank aan de verdachte een ongemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging oplegt, acht de rechtbank het niet nodig een maatregel ex artikel 38z of 38v Sr op te leggen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van artikel 38z Sr - onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2013/14, 33816, nr. 3) - dat deze maatregel (als het gaat om het opleggen van deze maatregel in combinatie met tbs) bedoeld is om de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen te beschermen, in aansluiting op een in duur gemaximeerde tbs. Nu – zoals hiervoor overwogen – een in duur ongemaximeerde tbs met dwangverpleging zal worden opgelegd, ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van de maatregel in de zin van 38z Sr. In het geval van een in duur ongemaximeerde tbs met dwangverpleging geldt dat het verlengen van de tbs de aangewezen weg is wanneer het recidiverisico ten aanzien van de verdachte niet voldoende is afgenomen.

Ook voor een contactverbod in de zin van artikel 38v Sr ziet de rechtbank geen reden, nu er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte na de datum van het bewezenverklaarde contact met de aangeefster heeft gezocht of nog zal zoeken.

Gezien het voorgaande zal de rechtbank de gevorderde maatregelen ex artikel 38z en 38v niet opleggen.

De straf

De rechtbank is van oordeel dat naast de tbs-maatregel met dwangverpleging ook een straf aan de verdachte moet worden opgelegd. De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is (voor artikel 242 (oud) Sr) als uitgangspunt vermeld een gevangenisstraf van vierentwintig maanden onvoorwaardelijk voor een verkrachting met een beperkte mate van dwang en zesendertig maanden onvoorwaardelijk voor een verkrachting met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang. Voor een diefstal met geweld wordt doorgaans een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enkele maanden opgelegd. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat beide feiten zich hebben voorgedaan in het huis van het slachtoffer en dat de verdachte fors geweld heeft gebruikt tegen een kwetsbaar slachtoffer op leeftijd. In dit geval acht de rechtbank strafverlagend dat het tenlastegelegde in mindere mate aan de verdachte kan worden toegerekend, en neemt zij daarbij het advies van de deskundigen over.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

De rechtbank komt, alles afwegende, tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

Mr. D.M.P. van Eijsden heeft zich namens [aangeefster] als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 19.920,50, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 9.920,50 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering benadeelde partij volledig kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Enerzijds omdat de verdediging onvoldoende tijd heeft gehad om adequaat verweer te kunnen voeren, anderzijds omdat de gestelde schade volgens de verdediging niet eenvoudig is vast te stellen.

Subsidiair verzoekt de verdediging om het bedrag, bij toewijzing, te matigen op grond van de schadebeperkingsplicht.

Meer subsidiair verzoekt de verdediging om, bij toewijzing van enig bedrag, geen gijzeling toe te passen. Daartoe voert de verdediging aan dat de verdachte niet over financiële middelen beschikt, zodat gijzeling geen nut heeft. Daarnaast zou de gijzeling de behandeling van de verdachte kunnen doorkruizen indien tbs wordt opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank

Geen onevenredige belasting

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De rechtbank is van oordeel dat de verdediging voldoende tijd heeft gehad om een adequaat verweer te kunnen voorbereiden. De vordering is relatief eenvoudig van aard en al op 10 april 2026 ingediend. Weliswaar is op 17 april 2026 nog een aanvulling ingediend, maar dit betreft een overzichtelijke aanvulling.

Voorts voert de verdediging aan dat de schade niet eenvoudig vast te stellen is. De rechtbank is van oordeel dat dit niet voor alle schade het geval is en zal dit in het onderstaande nader toelichten.

Materiële schade

Namens de benadeelde partij is een bedrag van € 5.420,50 gevorderd in verband met medische kosten en een bedrag van € 4.500,00 in verband met toekomstige kosten.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op reeds geleden schade, is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 tenlastegelegde feit, ter grootte van € 5.420,50. Uit de onderbouwing is naar oordeel van de rechtbank voldoende gebleken van een causaal verband tussen het psychische letsel dat door het tenlastegelegde feit is ontstaan bij de benadeelde partij en de daaruit voortvloeiende medische kosten.

De rechtbank zal de vordering voor het overige, te weten € 4.500,00, niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank sluit niet uit dat de benadeelde partij meer schade zal lijden in de toekomst. Voor de bepaling daarvan is echter, in het licht van de betwisting door de verdediging, een nadere onderbouwing vereist. De benadeelde partij daartoe de gelegenheid geven zou leiden tot een onevenredige belasting van het strafproces. Daarnaast is het onzeker welke kosten de benadeelde partij nog exact gaat maken in de toekomst. Zij kan zich daarvoor wenden tot de civiele rechter.

Immateriële schade

Namens de benadeelde partij is een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schade gevorderd. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin het recht bestaat op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, kunnen de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in de persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in het onderhavige geval meebrengen dat de in dit verband door de benadeelde ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Op grond van het dossier, de onderbouwing van de vordering en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd en met inachtneming van de Rotterdamse schaal, zal de rechtbank de gevorderde immateriële schade in haar geheel toewijzen.

Totaal toegewezen schade

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 15.420,50, bestaande uit € 5.420,50 aan materiële schade en € 10.000 aan immateriële schade.

De verdediging heeft verzocht om het bedrag te matigen gelet op de schadebeperkingsplicht. De rechtbank ziet daartoe geen aanleiding.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de schade toewijzen met ingang van 25 januari 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling verdachte

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij zal daarom tegenover het slachtoffer [aangeefster] aansprakelijk zijn voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 15.420,50, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 januari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag volledig is betaald, ten behoeve van [aangeefster] .

De verdediging heeft verzocht om geen gijzeling toe te passen wegens het ontbreken van financiële middelen. Dit ziet eraan voorbij dat op grond van artikel 6:4:20 Sv gijzeling niet wordt toegepast indien de veroordeelde voldoende aannemelijk maakt dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling. Gelet hierop ziet de rechtbank geen beletsel om gijzeling toe te passen.

8. De inbeslaggenomen voorwerpen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts een beslaglijst overgelegd. Op die beslaglijst staat onder 1 genoemd een mes, omschrijving: Stiletto. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is door de officier van justitie geen standpunt ingenomen omtrent het inbeslaggenomen mes.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ook geen standpunt ingenomen omtrent het inbeslaggenomen mes.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is ambtshalve van oordeel dat het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer. Dit mes is bij de aanhouding in de jaszak van de verdachte aangetroffen en behoort hem dus toe. Er is sprake van een voorwerp dat kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Hierom zal de rechtbank de onttrekking aan het verkeer van het mes bevelen.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 36b, 36d, 36f, 37a, 37b, 57, 243 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

gekwalificeerde opzetverkrachting;

en

ten aanzien van feit 2:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de terbeschikkingstelling van verdachte;

beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] ;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 15.420,50 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 januari 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

de schadevergoedingsmaatregel;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat te betalen een bedrag van € 15.420,50, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 januari 2025 tot aan de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 102 (honderdentwee) dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

het inbeslaggenomen goed;

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1 STK Mes.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Rabbie, voorzitter,

mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,

mr. T.A.B. Mentink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.E. Kramer, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E. Rabbie
  • mr. P.C. Goilo-Kam
  • mr. T.A.B. Mentink

Griffier

  • mr. L.E. Kramer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand