ECLI:NL:RBDHA:2026:1285

ECLI:NL:RBDHA:2026:1285

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-01-2026
Datum publicatie 27-01-2026
Zaaknummer NL25.27551
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Asiel, Afghanistan, herhaalde asielaanvraag, politieke mening, aanvullend gehoor, zwaarwegendheid, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.27551

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft eiser namelijk voldoende gelegenheid gegeven om te verklaren over zijn politieke meningen. Daardoor hoeft de minister eiser niet nader te horen hierover. Ook heeft de minister zich niet ten onrechte en voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser het risico op ernstige schade niet aannemelijk heeft gemaakt. Verder zijn er geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan een nieuwe beoordeling dient plaats te vinden van de eerder door de minister genomen asielbesluiten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 4 tot en met 9 staat een weergave van de vorige asielprocedures. Onder 10 en 11 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 12. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 22 juni 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 juni 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit om zijn aanvraag af te wijzen in stand blijft. Dit betekent dat ook het terugkeerbesluit in stand blijft. Hieronder wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Wat aan deze procedure voorafging

4. Eiser heeft, samen met zijn zoon en dochter, op 24 oktober 2015 een asielaanvraag ingediend. Hieraan hebben zij het volgende ten grondslag gelegd. Eiser en zijn zoon zijn door vier mannen gevraagd om eisers dochter te laten huwen met een oudere weduwnaar. Eiser en zijn zoon weigerden het verzoek, waarna twaalf gewapende mannen de woning van eiser bezochten. Deze mannen mishandelde hem en eisten dat twee zonen zich bij hen zouden voegen. Ook werd de dochter van eiseropgeëist om te huwen met de weduwnaar. Eiser kreeg een week de tijd om voorbereidingen te treffen. Omdat zij vreesden om vermoord te worden als zij geen gevolg zouden geven aan de eisen van de mannen, besloten zij te vluchten. De minister heeft de asielaanvraag bij besluit van 15 augustus 2016 afgewezen als ongegrond, omdat eiser zijn asielrelaas niet aannemelijk heeft gemaakt. Dit besluit is bij uitspraak van deze rechtbank zittingsplaats Roermond van 20 september 2016 onherroepelijk geworden. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

5. De asielaanvraag van 21 februari 2018 is door de minister niet-ontvankelijk verklaard. In deze procedure heeft eiser een rapport overgelegd die de verklaringen van eiser in de vorige procedure, aldus eiser, bevestigen. Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 mei 2018 staat de niet-ontvankelijkheid in rechte vast.

6. Eiser heeft op 23 augustus 2018 wederom een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de veiligheidssituatie in Afghanistan erg slecht is. Hierdoor loopt eiser een reëel risico om onmenselijk behandeld te worden. Daarbij is eiser drugsverslaafd en is hij afhankelijk van methadon. Bij terugkeer naar Afghanistan verwacht hij daarom ook in een onmenselijke situatie terecht te komen. De minister heeft de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 25 februari 2019. Dit besluit is onherroepelijk geworden.

7. Op 7 maart 2019 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft eiser het hetzelfde ten grondslag gelegd als aan zijn vorige asielaanvraag van 23 augustus 2018. Deze aanvraag is bij besluit van 18 november 2019 afgewezen en het beroep is op 16 december 2019 ongegrond verklaard door de rechtbank.

8. Op 19 december 2019 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. Eiser is toen tweemaal niet verschenen bij het geplande gehoor, waardoor de minister de asielaanvraag buiten behandeling heeft gesteld bij besluit van 26 november 2020. Op 4 maart 2020 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

9. Op 27 juli 2021 heeft eiser een nieuwe aanvraag ingediend. In deze asielaanvraag stond eisers Tadzjiekse etniciteit centraal. Deze aanvraag is bij besluit van 6 juni 2023 kennelijk ongegrond verklaard. Met de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2023 staat de afwijzing in rechte vast.

Wat is ten grondslag gelegd aan de huidige aanvraag?

10. Eiser heeft aan zijn huidige asielaanvraag van 8 mei 2024 het volgende ten grondslag gelegd. Eiser betoogt dat niet met zekerheid kan worden gesteld dat uit Europa terugkerende Afghanen niet in de negatieve aandacht zullen staan van de Taliban. De minister beschikt over onvoldoende informatie om te garanderen dat eiser geen reëel risico zal lopen in Afghanistan vanwege de algemene veiligheidssituatie. Eiser zal vanwege zijn politieke mening en gezien het feit dat hij al tien jaar in het Westen verblijft een reëel risico lopen op ernstige schade en daarnaast blootstaan aan vervolging. De minister heeft bij besluit van 19 juni 2025 de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het bestreden besluit

11. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst

2. eisers politieke mening

De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Eisers politieke mening is ook geloofwaardig geacht. Uit de verklaringen van eiser blijkt echter niet dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Dat eiser vanuit het Westen terug naar Afghanistan komt is daarvoor op zichzelf niet genoeg. Gesteld noch gebleken is dat de Taliban op de hoogte zijn van zijn politieke mening, terwijl niet wordt gevolgd dat hij zijn bescheiden politieke mening in Afghanistan zal uiten.

Aanvullend gehoor

12. Eiser voert aan dat de minister in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat eiser niet aanvullend is gehoord. Eiser heeft namelijk tijdens het gehoor verklaard dat hij zich bij terugkeer zal aansluiten bij de Tadzjiekse gemeenschap en zich zal inzetten tegen de Taliban. Deze verklaringen zijn concrete indicaties van een politieke overtuiging. De minister had eiser hierover, zoals volgt uit het Informatiebericht (IB) 2024/10, nadere gerichte vragen moeten stellen. Nu de minister dit niet heeft gedaan is het onderzoek gebrekkig geweest.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat een aanvullend gehoor niet nodig is. Eiser is namelijk tijdens het gehoor opvolgende aanvraag voldoende in de gelegenheid gesteld toe te lichten welke (politieke) meningen hij heeft. De minister stelt terecht dat van eiser verwacht mag worden dat hij alles wat voor hem van belang is naar voren brengt tijdens het gehoor, zeker nu het de negende aanvraag van eiser betreft. Eiser heeft tijdens het gehoor verklaard over zijn geloof in de vrijheden die Nederland biedt, menselijkheid en mensenrechten. Ook verklaart eiser dat hij gelooft in een andere interpretatie van de Islam dan de Taliban. Desgevraagd geeft eiser ook aan dat hij deze mening niet openlijk heeft geuit in Nederland. Ook verklaart eiser dat als hij om zijn mening zou worden gevraagd door de Taliban hij deze niet voor zich houdt. Gevraagd naar welke meningen hij dan niet voor zich zou willen houden noemt eiser dat hij een korte baard zou dragen en dat vrouwen in het openbaar mogen verschijnen. Aan het einde van het gehoor is aan eiser ook gevraagd of hij nog iets wil toevoegen aan zijn verklaringen. Eiser verklaarde hierop dat hij alles heeft gezegd wat hij wilde. Gelet op het voorgaande heeft eiser dus verklaard over zijn (politieke) meningen en heeft de minister daar ook naar gevraagd. Ook op de zitting heeft eiser de mogelijkheid gekregen om te verklaren over zijn politieke overtuiging. De antwoorden die eiser op de zitting gaf, kwamen overeen met zijn verklaringen tijdens het gehoor. Deze antwoorden zijn vervolgens meegenomen in het voornemen en besluit. Gezien het bovenstaande valt niet in te zien waarom de minister nadere gerichte vragen had moeten stellen. De beroepsgrond slaagt niet.

Vluchtelingschap en reëel risico op ernstige schade

13. Eiser voert aan dat hij vanwege zijn Tadzjiekse etniciteit, politieke overtuiging en verwestering is aan te merken als vluchteling dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade.

Tadzjiekse etniciteit

14. Eiser voert aan dat het in gebied waar eiser vandaan komt, Baghlan, personen van de Tadzjiekse etniciteit door de Taliban structureel worden aangemerkt als aanhangers van het National Resistance Front (NRF) en derhalve als vijanden. Hierdoor bestaat voor Tadzjieken in de regio Baghlan een gegrond vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade. Hierbij verwijst eiser naar het rapport Country Guidance: Afghanistan van 17 mei 2024 van de European Union Agency for Asylum (EUAA).

De minister stelt zich terecht op het standpunt dat uit de genoemde bron niet blijkt dat er voor alle Tadzjieken in Baghlan sprake zou zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade, nu uit het rapport van de EUAA alleen blijkt dat sprake is van groepsvervolging van personen die door de Taliban worden gezien als (vermeend) betrokken bij of steun verlenend aan het NRF.

De minister stelt daarnaast niet ten onrechte dat niet aannemelijk is gemaakt dat de Taliban eiser zien als betrokken bij of steun verlenend aan het NRF. Eisers etniciteit en herkomst zijn hiertoe onvoldoende. De minister volgt dat eiser Tadzjiek is en uit Baghlan komt. De minister wijst er terecht op dat uit het rapport van EUAA niet volgt dat Tadzjieken ondanks hun numerieke meerderheid in de provincie Baghlan als kwetsbaar moeten worden aangemerkt. Uit dit rapport volgt immers enkel dat personen die verdacht worden lid te zijn van het NRF een risico lopen, maar niet dat alle Tadzjieken een risico lopen. In dit rapport staat ook niet vermeld dat alle Tadzjieken als tegenstander van de Taliban of als sympathisant van het NRF gezien worden. Daar komt bij dat eiser ook niet met individuele redenen aannemelijk heeft gemaakt dat hij iets van de Taliban te vrezen heeft, , aangezien eiser niet aannemelijk heeft gemaakt hoe hij onder de aandacht zou komen te staan bij de Taliban. Ook valt niet in te zien hoe de Taliban na tien jaar afwezigheid van eiser zouden weten uit welke regio hij afkomstig is. Dat eisers afkomst bekend is bij de Taliban wordt niet gevolgd. Verder merkt de minister niet ten onrechte op dat eisers eerdere persoonlijke problemen met de Taliban in voorgaande asielprocedures ongeloofwaardig zijn geacht.

Verwesterd

15. Eiser betoogt dat hij is verwesterd en ook daarom risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Afghanistan. Vanwege eisers gezinssituatie en levensstijl in Nederland wordt eiser gezien als een verwesterde man met normen die haaks staan op de sociale normen van de Taliban. Zo heeft eiser zijn dochter volgens westerse waarden opgevoed. Deze verwestering beperkt zich niet enkel tot taalgebruik, uiterlijkheden of oppervlakkige kenmerken, maar betreft een wezenlijke afwijking in wereldbeeld, gedrag en normen. Dat eiser nog Dari spreekt en moslim is, sluit niet uit dat hij niet als westers wordt gezien door de Taliban. Daarnaast is hij door het ontbreken van familie in Afghanistan zichtbaarder en kwetsbaarder voor de Taliban.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn verwestering. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat uit openbare bronnen niet is gebleken dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij terugkeren naar Afghanistan. Deze categorie vreemdelingen is daarom niet aan te merken als groep die een reëel risico op ernstige schade loopt. Dat eiser een lange tijd in Nederland heeft verbleven, is dus onvoldoende. Verder heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij vanwege individuele omstandigheden een risico loopt. De minister stelt namelijk niet ten onrechte dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom hij bij terugkeer met westerse denkbeelden geassocieerd zal worden. Eiser heeft niet onderbouwd waarom hij, gelet op het samenstel van individuele omstandigheden, problemen zal ondervinden. Het enkele gegeven dat eiser langdurig heeft verbleven in het westen, is daarvoor onvoldoende. Dat eisers dochter is verwesterd, betekent niet dat eiser zo zal worden gezien. De relatie en omgang met zijn kinderen zegt niets over eisers leefstijl. Eiser spreekt immers nog Dari en is praktiserend moslim. Zoals de minister op de zitting heeft toegelicht heeft eiser onvoldoende verklaard over zijn wezenlijke afwijking in wereldbeeld, gedrag en normen ten aanzien van de Taliban. Zo geven de verklaringen van eiser tijdens het gehoor geen blijk van een innerlijke worsteling of gedachten over zijn verwestering. Eiser heeft hierdoor niet inzichtelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk is verwesterd en wat dat voor hem betekent. Dat eiser zonder zijn gezin kwetsbaarder is kan wellicht zo zijn, echter hiermee maakt hij nog niet met individuele redenen aannemelijk dat hij bij terugkeer naar Afghanistan te vrezen heeft voor de Taliban.

Voor zover eiser heeft willen betogen dat hij vanwege zijn verwestering een gegronde vrees heeft voor vervolging en dat de minister dit heeft miskend, faalt dat betoog om bovengenoemde redenen eveneens.

Politieke en religieuze overtuiging

16. Eiser betoogt dat hij ook een gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege zijn politieke overtuiging en afwijkende religieuze overtuiging. Eiser heeft verklaard dat hij bij terugkeer zijn politieke en religieuze overtuigingen openlijk wil uitdragen. Hierdoor valt hij onder een risicogroep. Dat eiser zich in het verleden niet publiekelijk tegen het Taliban-regime heeft uitgesproken, doet niet af aan zijn huidige politieke overtuigingen. Bovendien is de veiligheidssituatie sinds de machtsaanname door de Taliban zodanig verslechterd dat zwijgen geen optie is. Anders dan voorheen hoeft hij nu geen rekening te houden met de veiligheid van gezins- en familieleden. Eiser betoogt verder dat ondanks het gegeven dat gedwongen terugkeer naar Afghanistan niet plaatsvindt, niet is uit te sluiten dat de Taliban bekend raakten met hem als hij op een andere wijze terugkeert.

De rechtbank stelt voorop dat de minister de politieke mening van eiser geloofwaardig acht. Wel kwalificeert de minister deze politieke overtuiging als een bescheiden mening. Eiser heeft tijdens het gehoor verklaard dat hij gelooft in de vrijheden die Nederland biedt, in menselijkheid en in mensenrechten. Ook heeft eiser een andere interpretatie van de Islam en is hij het niet eens met de interpretatie van het geloof van de Taliban. Daarnaast verklaart eiser dat wanneer hij om zijn mening wordt gevraagd door de Taliban, hij deze mening niet voor zich zou houden. Hierbij noemt eiser dat hij geen lange baard zou willen dragen en dat vrouwen in het openbaar zouden mogen verschijnen.

De minister stelt terecht dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor een gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel een risico loopt op ernstige schade. Gesteld noch gebleken is dat de Taliban op de hoogte zijn van deze politieke mening. Eiser heeft daarnaast ook niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn bescheiden politieke en religieuze opvatting bij terugkeer naar Afghanistan zal uiten. Eiser heeft immers eerder onder de Taliban geleefd en toen was hij ook geen openlijk tegenstander van het regime. Dit gegeven mag de minister meewegen in zijn beoordeling. Eiser verklaarde over deze tijd dat hij zich niet met de politiek bemoeide, geen wapen had en niet te heeft meegedaan met de oorlog. Daarnaast heeft eiser de afgelopen tien jaar zich in Nederland ook niet kritisch uitgelaten over de Taliban. Niet valt in te zien waarom eiser dit dan wel zal doen bij terugkeer naar Afghanistan. De enkele verklaring dat eiser bij terugkeer zou gaan vechten tegen de Taliban is onvoldoende en wordt niet ten onrechte onwaarschijnlijk geacht. Ook is er, zoals hierboven reeds is overwogen, geen reden om aan te nemen dat eiser als vermeend aanhanger van de NRF, en derhalve als vijand, zal worden gezien door de Taliban. Verder is van belang dat bij de Taliban niet bekend zal zijn dat eiser is teruggekeerd naar Afghanistan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Taliban bij een eventuele vrijwillige terugkeer naar Afghanistan van eisers terugkeer op de hoogte zullen raken. Eiser is immers al 10 jaar weg uit Afghanistan.

Heeft de minister het heroverwegingsverzoek mogen afwijzen?

17. De minister heeft het verzoek tot heroverweging van het besluit van 15 augustus 2016 ten aanzien van de beoordeling van artikel 8 van het EVRM in het bestreden besluit afgewezen. De minister heeft gesteld dat eiser niets nieuws heeft aangevoerd om tot een nieuwe beoordeling over te gaan. Ook het verzoek tot heroverweging van de besluiten van 27 maart 2018, 25 februari 2019, 18 november 2019, 26 januari 2020 en 6 juni 2023 zijn afgewezen. Ook hieraan legt de minister ten grondslag dat eiser niets nieuws heeft aangevoerd om tot een herbeoordeling van deze besluiten over te gaan.

De rechtbank overweegt als volgt. In het IB 2024/42 is opgenomen dat bij een verzoek tot heroverweging de vreemdeling vraagt om de afwijzing in de eerdere asielaanvraag, die in rechte vaststaat, te heroverwegen. Verder is opgenomen dat het in het kader van een heroverweging gaat om een ‘weigering om terug te komen op een in rechte onaantastbaar besluit’. Uit het IB 2025/25 volgt dat bij de beoordeling van een verzoek tot heroverweging wordt beoordeeld of er nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Dit volgt uit artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nieuw gebleken feiten of omstandigheden zijn:

- Feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen

- Feiten of omstandigheden die vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen maar niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd;

- Bewijsstukken als deze niet vóór het eerder genomen besluit konden worden overgelegd.

18. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het besluit van 15 augustus 2016 met betrekking tot artikel 8 van het EVRM niet heroverwogen dient te worden. De kinderen van eiser vallen onder het jongvolwassenenbeleid en er bestaan nog steeds hechte persoonlijke banden.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd in de zin van artikel 4:6 van de Awb, waardoor er geen nieuwe beoordeling dient plaats te vinden. In het besluit van 15 augustus 2016 is gesteld dat er ambtshalve geen aanleiding is om een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM te verlenen. Dat aan eisers kinderen een asielvergunning is verleend maakt nog niet dat eiser in aanmerking komt voor een afgeleide asielstatus. De kinderen van eiser zijn immers volwassen. Ter onderbouwing van de stelling dat zijn kinderen afhankelijk zijn van eiser, zijn ook geen nieuwe stukken overgelegd. Bovendien heeft eiser op 12 december 2019 een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Deze is bij besluit van 29 juni 2020 afgewezen. Hiertegen heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend. In deze procedure is vast komen te staan dat er geen gezinsleven bestaat tussen eiser en zijn kinderen, aangezien niet is gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Hierin is ook gesteld dat uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

19. Eiser betoogt verder dat de minister ook onvoldoende heeft gemotiveerd dat de besluiten van 15 augustus 2016, 27 maart 2018, 25 februari 2019, 18 november 2019, 26 januari 2020 en 6 juni 2023 niet heroverwogen moeten worden. De minister heeft immers nagelaten te beoordelen of de eerdere aanvragen hadden moeten worden ingewilligd, gelet op de algemeen geldende veiligheidssituatie in Afghanistan en de glijdende schaal.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Daar komt bij dat hetgeen eiser thans aanvoert over de algemeen geldende veiligheidssituatie in Afghanistan en de glijdende schaal ook in onderhavige procedure, gezien bovenstaande, niet leidt tot een andere beoordeling omtrent het reële risico op ernstige schade dan eerder het geval was, zodat ook om die reden niet valt in te zien waarom de minister tot heroverweging over moet gaan.

Is het inreisverbod voldoende gemotiveerd?

20. Eiser betoogt dat het inreisverbod onvoldoende is gemotiveerd, aangezien niet duidelijk is welk kader bij de beoordeling is betrokken. Aangezien er wel degelijk sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM is het inreisverbod onrechtmatig opgelegd.

Naar het oordeel van de minister mocht hij het verzoek om het inreisverbod op het heffen afwijzen. Reeds is geoordeeld dat er geen sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Niet is gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Eiser heeft ook niets aangevoerd waaruit dit wel zou blijken. Dat de dochter van eiser inmiddels is genaturaliseerd en zij een hechte band hebben vanwege eisers verleden met drugsverslaving, is daarvoor, zoals de minister terechte overweegt, onvoldoende.

Conclusie en gevolgen

21. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en de afwijzing van zijn aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?