Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/015118-26 en 05/230662-25 (tul)
Datum uitspraak: 7 mei 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres [adres] ,
op dit moment gedetineerd in [plaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 23 april 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. de Graaf en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. T.V. Seedorf naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 15 januari 2026 te ’s-Gravenhage een sixpack bier (merk Hertog Jan), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan (winkelbedrijf) Albert Heijn (filiaal Apeldoornselaan), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen volstaan, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer
PL1500-2026015923, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 26).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 23 april 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte, inclusief bijlagen, opgemaakt op 15 januari 2026 (p. 5 tot en met 9).
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 15 januari 2026 te ’s-Gravenhage een sixpack bier (merk Hertog Jan), dat aan (winkelbedrijf) Albert Heijn (filiaal Apeldoornselaan), toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De oplegging van een maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om aan de verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Volgens de verdediging kan de problematiek van de verdachte voldoende worden beheerst met voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke ISD-maatregel.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Strafblad
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 17 maart 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte veelvuldig voor soortgelijke delicten is veroordeeld, onder meer tot gevangenisstraffen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 9 april 2026, opgemaakt en ondertekend door reclasseringswerker dhr. J. Kloek. Ter terechtzitting is dhr. Kloek als getuige-deskundige gehoord. Hij heeft zijn advies verder toegelicht en de conclusies daarvan bevestigd.
Uit het reclasseringsadvies volgt dat sprake is van problematiek bij de verdachte op vrijwel alle leefgebieden en van een hoog recidiverisico. De reclassering heeft sinds 2021 meerdere keren geprobeerd om een gedragsverandering bij de verdachte te bewerkstelligen en om het risico op recidive te beperken. Tot op heden is dit niet gelukt en ook het huidige reclasseringstoezicht lijkt niet toereikend. Daarom zal verzocht worden dit toezicht voortijdig negatief te beëindigen. Het delictgedrag van de verdachte blijft standhouden, ondanks de hem geboden hulpverlening in zowel het vrijwillige kader als met drang en dwang. Om dit patroon te doorbreken heeft de reclassering de mogelijkheden voor een ISD-maatregel onderzocht, zowel in een voorwaardelijk als onvoorwaardelijk kader. Een voorwaardelijke ISD-maatregel wordt praktisch onuitvoerbaar geacht, gezien de aanwezigheid van diverse instabiele factoren zoals het niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats, het ontbreken van een dagbesteding, schulden en verslavings- en psychosociale problematiek. Tevens is er geen recente diagnostiek beschikbaar. Gezien deze zorgen, het hoge risico op recidive en het negatieve verloop van eerdere reclasseringsinterventies is de reclassering van mening dat een voorwaardelijk ISD-kader onvoldoende mogelijkheden biedt om het recidiverisico te beperken. De reclassering adviseert daarom bij veroordeling van de verdachte hem een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
Voldaan aan ‘harde’ ISD-criteria
De rechtbank stelt vast dat de verdachte aan de zogenoemde ‘harde’ ISD-criteria van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voldoet. Het bewezenverklaarde feit wordt gekwalificeerd als diefstal, een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van 17 maart 2026 blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voordat hij dit feit pleegde ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Het feit waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld heeft hij gepleegd nadat deze straffen ten uitvoer waren gelegd.
De verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, nu over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
Voldaan aan ‘zachte’ ISD-criteria
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of ook aan de zogenoemde ‘zachte’ ISD-criteria is voldaan. Dat wil zeggen dat de rechtbank beoordeelt of alle reële, minder ingrijpende alternatieven voor hulpverlening en het voorkomen van recidive zijn uitgeput en dus het uiterste middel van de ISD-maatregel overblijft. De verdachte is sinds 2021 meermalen onder toezicht geweest bij de reclassering en de laatste drie keer is het reclasseringstoezicht telkens voortijdig negatief beëindigd. Ook het huidige toezicht verloopt niet goed. Gelet hierop, en gelet op de diverse instabiele leefgebieden, acht de rechtbank het, net als de reclassering, niet haalbaar om binnen een voorwaardelijk kader recidive te voorkomen. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat voldoende is onderzocht of en in hoeverre ISD in een voorwaardelijk kader mogelijk is.
Dit alles bij elkaar genomen maakt dat de rechtbank van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen. Omdat de verdachte steeds weer overlast en schade veroorzaakt, gaat nu het belang van de samenleving voor. Daarom is het voor de veiligheid van goederen nodig om de ISD-maatregel op te leggen. Daarnaast kan de ISD-maatregel een bijdrage leveren aan het oplossen van de verslavings- en psychosociale problemen van de verdachte en om herhaling van delictgedrag na afloop van de ISD-maatregel te voorkomen.
Conclusie van de rechtbank
De rechtbank acht het passend en geboden om aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen voor de duur van twee jaar. Om de bescherming van de maatschappij voor die duur te waarborgen en voor het leveren van een bijdrage aan een oplossing voor de instabiliteit op diverse leefgebieden van de verdachte, past de rechtbank geen aftrek van voorarrest toe.
7. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 13 maart 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 05/230662-25 door de politierechter van de rechtbank te Zutphen op 17 september 2025 deels voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie maanden ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarde. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie het standpunt ingenomen dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen, gelet op de vordering tot het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf niet opportuun is. Daarom verzoekt de verdediging om de vordering af te wijzen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet dat er gronden zijn voor de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in de rechtbank te Zutphen van 17 september 2025. Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormelde uitspraak is opgelegd, wederom schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank acht toewijzing van deze vordering echter niet opportuun omdat zij aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel zal opleggen. De rechtbank zal de vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dan ook afwijzen.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen:
- 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
diefstal;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt de verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van TWEE JAREN;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank te Zutphen van 17 september 2025, gewezen onder parketnummer 05/230662-25.
Dit vonnis is gewezen door
mr. T.A.B. Mentink, voorzitter,
mr. E. Rabbie, rechter,
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.E. Kramer, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 mei 2026.