Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/291930-24 en 22/001407-21 (tul)
Datum uitspraak: 7 mei 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 23 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.R. Knobbout en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M. van Loon naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1hij op of omstreeks 29 juni 2024 te ’s-Gravenhage om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of- het opzettelijk vervaardigen van Cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede teplegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen vandat feit heeft getracht te verschaffen,- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelenvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden hadom te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door- een hoeveelheid Cocaïne (van ongeveer 6.2 gram), en/of- een geldbedrag van 1712.50 euro,voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);2hij op of omstreeks 29 juni 2024 te ’s-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehadongeveer 6.2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende Cocaïne, zijnde Cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer
PL1500-2024206943, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 38).
1. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte, opgemaakt op 30 juni 2024, voor zover inhoudende (p. 6 tot en met 8):
Op zaterdag 29 juni 2024 omstreeks 23.05 uur werd ik, verbalisant, met meerdere collega's naar het [straatnaam] te 's-Gravenhage gestuurd voor een melding dat er een aantal personen zouden dealen in drugs bij de steigers aldaar. Deze locatie is mij ambtshalve bekend als een overlastlocatie met betrekking tot de handel en het gebruik van drugs.
Ter plaatse zag ik, verbalisant, dat drie personen van de vier mij ambtshalve bekend zijn en die meermaals aangehouden zijn voor Opiumdelicten en antecedenten hebben op het gebied van de WWM. Een van hun was [de verdachte] . Ik, verbalisant, vroeg aan alle mannen of zij verboden zaken bij zich hadden zoals wapens en drugs. Ik hoorde het groepje ontkennen dat zij verboden spullen bij zich hadden waarop er één zei dat we wel mochten fouilleren. Alle mannen werkten hieraan mee.
Ik, verbalisant, zag dat politie collega [de verdachte] fouilleerde en hoorde hem zeggen dat hij drugs in zijn ondergoed had aangetroffen en dat [de verdachte] ook een groot contant geldbedrag bij zich had. Aan het bureau bleek dat de verdachte
een grote hoeveelheid contant geld bij zich had, namelijk iets meer dan 1700 euro,
met daarbij een 200 eurobiljet. De totale hoeveelheid bolletjes bleek uiteindelijk 46
stuks te zijn.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 juni 2024, voor zover inhoudende (p. 9):
Op zaterdag 29 juni 2024 was ik, verbalisant, belast met de noodhulpsurveillance.Ik ondersteunde bij de fouillering van de groep mannen en fouilleerde [de verdachte] naar aanleiding van een melding dat er gedeald zou worden in de [straatnaam] te 's-Gravenhage.In zijn zak voelde ik, verbalisant, een verdikking. Ik keek en zag eengrote hoeveelheid briefgeld zitten. Ik liet dit, briefgeld, zitten in zijn zak.Toen ik bij zijn lies kwam met mijn handen voelde ik een bobbel zitten. Ik hoorde ook gekraak, dit gekraak herkende ik als van plasticzakjes. Hierdoor kreeg ik het vermoeden had dat dit een zakje drugs betrof.Aangezien we in een donkere steeg stonden en de kans op kwijtmaking aanwezig was haalde ik het zakje uit zijn onderbroek. Ik, verbalisant, zag dat dit een gripzakje was met een flink aantal witte bolletjes.
2. Het geschrift kennisgeving van inbeslagneming, opgemaakt op 30 juni 2024, voor zover inhoudende (p. 29):
Plaats: [straatnaam] 's-Gravenhage
Datum en tijd: 29 juni 2024 te 23:35 uur
Beslagene
Achternaam: [de verdachte]
Voornamen: [voornamen verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1992
Object: Geld
Totale hoeveelheid: 1712,50 EUR
Bijzonderheden: : 1 x 200, 28 x 50, 4 x 20, 2 x 10, 1 x 5 en 7,50 aan munten
3. De deskundigenverslagen, op 8 augustus 2024 opgemaakt en ondertekend door ing. C.M.M. Diever – Heezer, deskundige op het gebied van forensische drugsanalyse, voor zover inhoudende (p. 36-38):
4. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 23 april 2026, voor zover inhoudende:
Ik had die 46 bolletjes die dag nog gehaald, van iemand op straat om zelf te gebruiken en om aan vrienden uit te delen.
U, de officier van justitie, houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik de drugs ook aan vrienden geef en vraagt mij wat ik daarvoor terug krijg. Niets.
Nadere duiding bewijsmiddelen
De rechtbank gebruikt de bewijsmiddelen 1 tot en met 4 voor de bewezenverklaring van feit 1 en de bewijsmiddelen 1 en 3 voor de bewezenverklaring van feit 2.
Bewijsoverwegingen
De verdediging voert ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde aan dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet.
De rechtbank stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verdachte zich op de bewuste avond bevond op een locatie die bekend staat vanwege drugsoverlast, terwijl hij 46 bolletjes cocaïne in zijn ondergoed had en in het bezit was van een groot geldbedrag in verschillende coupures, waaronder briefjes van 20 euro, 10 euro en 5 euro. De verdachte heeft zelf verklaard dat hij ook drugs aan vrienden wilde geven. Op grond van deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft getroffen om op 29 juni 2024 drugs te verkopen, af te leveren en te verstrekken. Ten aanzien van het geldbedrag heeft de verdachte verklaard dat dit zijn spaargeld betreft en dat hij het bedrag heeft gepind. De rechtbank schuift deze verklaring als ongeloofwaardig terzijde, omdat de verdachte geen bewijs van de vermeende pintransactie(s) heeft geleverd en hij onder meer een biljet van €200,- bij zich had, een biljet dat niet door een bankautomaat wordt verstrekt.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1hij op 29 juni 2024 te ’s-Gravenhage om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren en verstrekken van cocaïne, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door- een hoeveelheid cocaïne (van 6.2 gram), en - een geldbedrag van 1712.50 euro,voorhanden te hebben;
2hij op 29 juni 2024 te ’s-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad 6.2 gram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering en een inspanningsverplichting tot het verkrijgen van dagbesteding.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om aan de verdachte een taakstraf op te leggen met daarnaast eventueel een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. De verdediging verzoekt de rechtbank om in strafmatigende zin rekening te houden met een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, namelijk de inzet van handboeien na de aanhouding.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van cocaïne en het voorbereiden van het verkopen, afleveren en verstrekken daarvan. Door het bezit en de voorbereiding van het verspreiden van harddrugs is de verdachte mede verantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt. Daarbij is van belang dat cocaïne een stof is die zeer verslavend werkt en schadelijk is voor de gezondheid. Door deze drugs te willen verkopen, afleveren en verstrekken aan anderen, laat de verdachte zien dat hij zich niet bekommert om de gezondheidsrisico’s voor anderen. Daarnaast gaat de handel in drugs gepaard met diverse vormen van (zware) criminaliteit, met veel geweld, schade en overlast tot gevolg. Met zijn handelen heeft de verdachte hieraan bijgedragen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 25 maart 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit, waarvoor de verdachte in een proeftijd liep.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een retourverslag van de reclassering van 17 maart 2026, waaruit volgt dat het voor de reclassering niet mogelijk is gebleken om contact met de verdachte te krijgen. De verdachte heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat hij een Wajong-uitkering heeft en niet werkt.
Geen vormverzuim
De verdediging stelt dat sprake is geweest van een vormverzuim, nu de verbalisanten handboeien hebben ingezet bij de aanhouding van de verdachte. Volgens de verdediging is onvoldoende gebleken dat van een gevaar voor vlucht sprake was. Daarmee is van een noodzaak voor de aanleg van handboeien onvoldoende gebleken en is daarom in strijd gehandeld met artikel 22 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren.
De rechtbank is van oordeel dat de verbalisanten rechtmatig hebben gehandeld door bij de verdachte handboeien aan te brengen, nu uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat de verdachte eerder is gevlucht voor de politie. Dat er gevaar is voor vlucht kan daarmee worden verondersteld. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een vormverzuim en ziet zij geen aanleiding om het voorgaande in strafmatigende zin mee te wegen.
Conclusie
De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten en wat in vergelijkbare gevallen door andere rechters is opgelegd, een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een taakstraf van 80 uren passend en geboden. De rechtbank acht daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. De rechtbank zal een proeftijd van twee jaren aan die voorwaardelijke straf verbinden. De rechtbank zal, anders dan door de officier van justitie gevorderd, geen bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke gevangenisstraf verbinden. De rechtbank ziet daartoe geen aanleiding, nu de reclassering daarover geen advies heeft kunnen uitbrengen.
7. De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1 genoemde voorwerp, te weten een geldbedrag van € 1.712,50 zal worden verbeurdverklaard. Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd om aan de verdachte een boete op te leggen van € 1.500,00.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om het inbeslaggenomen geldbedrag terug te geven aan de verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan verdachte toebehoort en met betrekking tot dit voorwerp het onder 1 bewezenverklaarde feit is begaan.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
8. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 13 maart 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 22/001407-21 door het gerechtshof Den Haag op 31 januari 2024 voorwaardelijke opgelegde straf van een geldboete van € 750,00, subsidiair vijftien dagen hechtenis, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarde.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde straf te verlengen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 13 maart 2026 tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde geldboete, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof te Den Haag van 31 januari 2024. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld arrest was opgelegd wederom schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de proeftijd te verlengen, omdat het bij de nieuwe feiten gaat om een soortgelijk strafbaar feit als waarvoor de voorwaardelijke straf is opgelegd.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a en 55 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
de eendaadse samenloop van
ten aanzien van feit 1:
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit
en
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 1 (ÉÉN) MAAND;
bepaalt dat die straf, groot 1 (één) maand, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van 80 (TACHTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 40 (VEERTIG) DAGEN;
de inbeslaggenomen goederen;
verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1.712,50 EUR Geld;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld arrest van het gerechtshof Den Haag d.d. 31 januari 2024, gewezen onder parketnummer 22/001407-21, te weten een geldboete van € 750,00, subsidiair vijftien dagen vervangende hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.C. Goilo-Kam, voorzitter,
mr. E. Rabbie, rechter,
mr. T.A.B. Mentink, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.E. Kramer, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 mei 2026.