RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63706
(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en
(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser is van Ethiopische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1997. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, Y. Gababe als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij in januari 2024 in training is gegaan bij de inlichtingendienst, de National Intelligence and Security Service (NISS). In maart 2024 is eiser voor de NISS aan het werk gegaan en moest hij inlichtingen verzamelen over het Oromo Liberation Front (OLF). Eiser stelt dat hij nooit informatie heeft doorgegeven aan de NISS. Na enkele weken vermoedde eiser dat hij werd achtervolgd en is er daarna in zijn huis ingebroken. Eiser vermoedt dat dit gedaan is door OLF. Daarop is eiser gestopt met het werk voor NISS en is hij teruggekeerd naar zijn woonplaats. Hier is eiser gearresteerd door de districtspolitie. Eiser vermoedt dat hij is opgepakt vanwege zijn werkzaamheden voor de NISS. Eiser stelt op borgtocht vrijgelaten te zijn. Eiser vreest bij terugkeer in Ethiopië vermoord of vervolgd te worden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister vindt de problemen vanwege de werkzaamheden voor NISS niet geloofwaardig. Volgens de minister vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister werpt eiser tegen dat het een vermoeden is dat de OLF achter hem aanzit en dat eiser daar vaag over heeft verklaard. Het is een vermoeden dat de autoriteiten achter eiser aanzitten vanwege de gestelde werkzaamheden en eiser heeft daar ook vaag over verklaard. Verder heeft eiser wisselend en vaag verklaard over de data in zijn asielmotief. Tot slot is het ongerijmd dat eiser niet geïnformeerd heeft naar de gestelde problemen die zijn vader heeft ondervonden.
De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Hoewel uit het landenbeleid volgt dat academici in Ethiopië worden aangemerkt als risicoprofiel, heeft eiser geen vrees aangedragen die samenhangt met zijn academische achtergrond. Eiser heeft verklaard dat hij enkel om internationale bescherming vraagt vanwege de door hem gestelde problemen met NISS en OLF. Verder volgt uit het landenbeleid dat in [plaats] sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft volgens de minister niet aannemelijk geweld dat hij persoonlijk meer te vrezen heeft dan anderen voor willekeurig geweld. De minister wijst de asielaanvraag daarom af als ongegrond.
Documentonderzoek
5. Eiser voert aan dat de minister door de uitslag van het documentonderzoek niet af te wachten in zijn belangen is geschaad. De minister miskent dat de echtheid van een document een belangrijk bewijselement vormt. Volgens eiser stelt de minister ten onrechte dat het document een summiere omschrijving bevat. Het document vormt een objectief bewijs waaruit volgt dat eiser kan worden gerelateerd aan de NISS. Eiser stelt dat zijn verklaringen samen met dit bewijsmiddel in onderlinge samenhang moet worden beoordeeld. Op de zitting heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat uit het voornemen niet duidelijk volgt of de werkzaamheden voor NISS geloofwaardig zijn, maar uit het bestreden besluit volgt wel dat de werkzaamheden door de minister geloofwaardig worden geacht.
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser door het niet afwachten van de uitslag van het documentonderzoek niet in zijn belangen is geschaad. De rechtbank is van oordeel dat uit het besluit en de toelichting die de minister daarop op zitting heeft gegeven, volgt dat de minister de geloofwaardigheid van de werkzaamheden en de training niet op geloofwaardigheid heeft beoordeeld. Dit wordt door de minister in het midden gelaten. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat de inhoud van het document voor de besluitvorming bij de minister bekend was en bij de geloofwaardigheidsbeoordeling is betrokken en dat dit document de problemen die eiser stelt te hebben gehad met de autoriteiten of de OLF niet onderbouwt. Uit het document volgt immers enkel dat eiser succesvol de officers tradecraft training zou hebben afgerond. De rechtbank is van oordeel dat eiser in dit geval niet in zijn belangen is geschaad, omdat het document gelet op de inhoud niet ondersteunend is voor zijn verklaringen over zijn problemen vanwege de werkzaamheden voor NISS.
De geloofwaardigheid van de problemen vanwege werkzaamheden voor NISS
Vage verklaringen over vermoeden dat de OLF achter eiser aanzit
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat de elementen in de geloofwaardigheidsbeoordeling in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld. Eiser vindt dat de mededeling van de huisbaas, de inbraak en het wantrouwen vanuit de omgeving een samenhangend geheel is en niet enkel speculaties zijn. Ook vindt eiser de bewijsmaatstaf te streng. Dat eiser geen direct contact heeft gehad met de OLF sluit een reële vrees voor vervolging niet uit. Een asielzoeker kan niet met absolute zekerheid vaststellen wie hem bedreigt. Ook vindt eiser dat de minister hem niet kan tegenwerpen dat hij onvoldoende onderzoek heeft gedaan en van een asielzoeker mag ook niet worden verwacht dat hij onderzoek verricht naar problemen wanneer dit risico’s met zich brengt. Dat eiser de achtervolging en de inbraak heeft gemeld bij NISS dient juist te worden gezien als een oprechte poging om duidelijkheid te verkrijgen.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het een vermoeden is dat de OLF achter eiser aanzit en dat eiser daar vaag over heeft verklaard. Eiser heeft verklaard dat de mensen die achter hem aanzaten wel of niet van de OLF konden zijn, dat hij het gevoel had dat zij van de OLF waren, dat eiser dacht dat de huisbaas aan de kleding of het haar zou hebben gezien dat het mensen van de OLF waren, dat de huisbaas heeft verklaard dat dagala op zoek zijn geweest naar eiser en dat eiser daarom wist dat het ging om de OLF, en dat eiser nadat hij is gevlucht niets meer heeft gehoord van OLF. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat deze verklaringen van eiser enkel zijn gebaseerd op vermoedens, waarbij hij weinig concreet maakt waar deze vermoedens op zijn gebaseerd. Uit de verklaringen blijkt meer dat het een gevoel is dat de OLF achter hem aanzat en dat uit het telefoontje met de huisbaas ook niet volgt dat het de OLF was die hebben ingebroken. De minister heeft eiser ook kunnen tegenwerpen dat eiser nooit contact heeft gehad met de OLF en na de inbraak niets meer heeft vernomen van de OLF. Uit het telefoontje met de huisbaas blijkt daarnaast dat eiser geen navraag heeft gedaan, maar zelf de conclusie trekt dat het de OLF moet zijn die heeft ingebroken. Ten aanzien van eisers stelling dat de minister een verkeerde bewijsmaatstaf hanteert, heeft de minister zich niet terecht op het standpunt gesteld dat van eiser gelet op zijn referentiekader mag worden verwacht dat hij meer inzicht geeft in wat er precies aan de hand was en of de inbraak met zijn werkzaamheden voor NISS te maken had. Ook dat hij zich gelet op de gestelde problemen meer had ingespannen om er achter te komen wie er precies achter de inbraak zat. Dit lag in de lijn der verwachting ook omdat van hem als academicus verwacht mag worden zijn weg hierin te vinden en het belang hiervan in te zien. Zeker nu dit de reden was om zijn land te verlaten.
Vage verklaringen over vermoeden dat de autoriteiten achter eiser aanzitten
9. Eiser stelt dat het niet onlogisch is dat hij door de politie is vrijgelaten, dat komt in de praktijk juist voor. De vrijlating geeft ook geen indicatie dat er geen sprake is van een risico. Verder stelt eiser dat niet van hem kan worden verwacht dat hij volledige zekerheid verkrijgt over de achtergrond van zijn arrestatie. De verklaringen dat de politie tegen hem zei dat de opdracht ‘van bovenaf kwam’, sluit aan bij de werkwijze. Eiser was kort voor de arrestatie gestopt met zijn werkzaamheden voor NISS en had geen andere problemen. Dat de politie aan eiser vroeg of hij de OLF hielp, maakt dat eiser hieruit afleidt dat NISS achter de arrestatie zat.
10. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat het een vermoeden is dat de autoriteiten achter eiser aanzaten, omdat eiser zelf heeft verklaard dat hij niet precies weet waarom hij is gearresteerd. Eiser heeft slechts gehoord dat de opdracht ‘van boven kwam’, heeft hier geen vragen over gesteld, en niet is concreet tegen hem gezegd wat de reden was van de arrestatie. Bovendien heeft eiser verklaard dat veel mensen worden verdacht van contact hebben met OLF en in dat kader worden opgepakt, waarmee eiser met zijn verklaring dat de NISS achter hem aanzat minder aannemelijk is. Eiser heeft verder ook niet duidelijk gemaakt waarom uit het gegeven dat hij bij de politie niet kon verklaren over zijn werkzaamheden voor NISS, de conclusie zou moeten volgen dat hij juist vanwege deze werkzaamheden zou zijn gearresteerd.
Ongerijmd dat eiser niet bij vader heeft geïnformeerd naar gestelde problemen
11. Eiser stelt dat van hem niet kan worden verlangd om uitvoerig navraag te doen. Eiser heeft verklaard over dat zijn vader is gearresteerd, maar dat hij gelet op de emotionele gebeurtenis niet direct heeft doorgevraagd en dat dit ook menselijk is. Ook stelt eiser dat het niet kunnen duiden van de exacte reden van de arrestatie van zijn vader of de vrijlating niet zonder meer iets zegt over de gebeurtenis zelf. De minister miskent daarnaast dat de vrijlating van zijn vader betekent dat eiser zelf geen problemen meer heeft.
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het ongerijmd is dat eiser niet heeft geïnformeerd naar de gestelde problemen die zijn vader heeft ondervonden. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat het ongerijmd is dat eiser wel met zijn vader heeft gesproken over de arrestatie en vrijlating maar niet weet of zijn vader daarna nog problemen heeft gehad. Ook volgt de rechtbank de minister dat het opmerkelijk is dat eiser dit nog steeds niet heeft nagevraagd, terwijl eiser wel contact onderhoudt met zijn vader. Verder is ook niet gebleken welke inspanningen eiser in dat kader heeft verricht.
Conclusie geloofwaardigheid
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarom aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat eiser vage verklaringen heeft afgelegd en dat het ongerijmd is dat eiser niet bij zijn vader heeft geïnformeerd naar de gestelde problemen. Het standpunt van de minister dat de problemen vanwege de werkzaamheden voor NISS ongeloofwaardig zijn, berust hiermee op een voldoende grondslag. De rechtbank laat daarom de bespreking van de tegenwerping van de minister dat eiser wisselend en vaag heeft verklaard over de data achterwege.
Gegronde vrees voor vervolging en een reëel risico op ernstige schade
14. Eiser stelt dat het feit dat de problemen vanwege de werkzaamheden door de minister ongeloofwaardig zijn geacht niet betekent dat het risico ontbreekt. Eiser is juist vanwege zijn academische achtergrond, werkzaamheden voor een NGO, behorend tot de [plaats] -bevolkingsgroep, benaderd voor de NISS-training. Zijn problemen vloeien dus direct voort uit zijn achtergrond. De minister heeft onvoldoende onderzocht of eiser als academicus die werkzaamheden voor NISS heeft verricht een verhoogd risico loopt op vervolging bij terugkeer.
15. De rechtbank overweegt als volgt. In het asielbeleid voor Ethiopië is bepaald dat de minister ‘academici’ aanmerkt als risicoprofiel voor vervolging. Uit paragraaf C2/2.4 van de Vc volgt dat het behoren tot een groep, aangemerkt als risicoprofiel, op zichzelf dan ook niet voldoende is voor vluchtelingschap of subsidiaire bescherming. Als een vreemdeling binnen een risicoprofiel valt, dan beoordeelt de IND de individuele omstandigheden van het geval, afgezet tegen de positie van de groep en algemene (veiligheidssituatie) in het land van herkomst. Aan de hand van de individuele omstandigheden zoals de persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen, beoordeelt de IND of de vreemdeling een reëel risico op vervolging of ernstige schade loopt of heeft gelopen.
16. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser onvoldoende met individuele omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat juist hij bij terugkeer mogelijk een verhoogd risico loopt op vervolging. De minister heeft namelijk de problemen vanwege de werkzaamheden voor NISS niet geloofwaardig bevonden. Eiser heeft ook niet nader onderbouwd dat hij vanwege zijn academische achtergrond onder de aandacht van de autoriteiten staat. Bovendien volgt uit eisers verklaringen niet dat hij is benaderd door NISS. Eiser heeft verklaard dat hij werkzaam was bij een NGO en op zoek was naar mogelijkheden voor een andere baan. Zijn doel was om een training te doen om zo een betere baan te kunnen vinden. Verder heeft de minister terecht tegengeworpen dat eiser heeft verklaard dat hij enkel om internationale bescherming vraagt vanwege de gestelde problemen met NISS en OLF, maar dat eiser geen vrees heeft aangedragen die samenhangt met zijn academische achtergrond.
17. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk een reel risico loopt op vervolging of ernstige schade bij terugkeer. Ten aanzien van dit laatste zijn ook geen gronden aangevoerd.
Conclusie en gevolgen
18. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 17 april 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.