RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2902
(gemachtigde: mr. E. Berger),
en
(gemachtigde: mr. E. Spykerman).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de herhaalde asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft de Somalische nationaliteit. Hij heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 januari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, I. Osman als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Vorige procedure en asielrelaas
3. Eiser heeft eerder, op 4 juli 2021, ook een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft die aanvraag bij besluit van 28 juli 2022 afgewezen als ongegrond. De minister heeft in dat besluit de problemen die eiser stelt te hebben gehad met Al-Shabaab ongeloofwaardig geacht. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst en de discriminatie vanwege het behoren tot een minderheidsstam wel geloofwaardig geacht, maar deze asielmotieven zijn niet zwaarwegend genoeg en leiden niet tot het toekennen van een asielvergunning. Ook heeft de minister een beschermingsalternatief in Mogadishu tegengeworpen. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 28 juli 2022 ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft die uitspraak in hoger beroep bevestigd. Daarmee staat dat besluit in rechte vast.
4. Op 22 april 2024 heeft eiser een herhaalde aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, waarover deze procedure gaat. Eiser heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië, gelet op de onveilige situatie en de problemen met Al-Shabaab. Eiser heeft verschillende documenten overgelegd, waaronder een iMMO-rapport van 17 februari 2025 (het iMMO-rapport).
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Wat betreft eisers asielrelaas verwijst de minister allereerst naar de eerdere asielprocedure, waarin eisers verklaringen over de problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn geacht. Het iMMO-rapport, de brief van het Ministerie van Gezondheid van 11 oktober 2023, het rapport van [naam] van 10 februari 2024 en de landeninformatie over Somalië geven geen aanleiding om het asielrelaas nu wel geloofwaardig te achten. De bevindingen van het iMMO tonen niet aan dat de klachten en littekens van eiser het gevolg zijn van de problemen die hij stelt te hebben gehad met Al-Shabaab. Er bestaat geen aanleiding voor nader onderzoek.
Dat eiser uit Somalië komt acht de minister onvoldoende om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Dat eiser tot een minderheidsstam behoort leidt ook niet tot gegronde vrees voor vervolging. De minister vindt dat van eiser kan worden verlangd dat hij zich in Mogadishu vestigt. In rechte staat vast dat Mogadishu voor eiser een beschermingsalternatief is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk problemen heeft ondervonden in Mogadishu en dat hij geen contact meer heeft met zijn oom. De minister neemt met betrekking tot Mogadishu aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en eiser heeft met zijn verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van dat willekeurige geweld. De minister wijst de asielaanvraag daarom op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw af als kennelijk ongegrond.
De geloofwaardigheidsbeoordeling: problemen met Al-Shabaab
De A-vraag uit het iMMO-rapport
6. Eiser voert aan dat de minister, door zich op het standpunt te stellen dat uit het iMMO-rapport niet volgt dat de littekens enkel door Al-Shabaab kunnen zijn toegebracht, ten onrechte geen waarde hecht aan het iMMO-rapport. Het is voor het iMMO niet mogelijk met zekerheid vast te stellen dat de littekens zijn veroorzaakt door geweld van Al-Shabaab. De minister heeft het iMMO-rapport ten onrechte opzijgeschoven en mocht niet zonder nader onderzoek concluderen dat het relaas ongeloofwaardig is. Voor het ontstaan van de verplichting tot nader medisch onderzoek is niet vereist dat het iMMO geen ruimte laat voor een andere dan de door de vreemdeling gestelde oorzaak. Verder dient de minister de kosten voor het iMMO-rapport te vergoeden.
7. Uit het iMMO-rapport volgt dat de medische (lichamelijke en/of psychische) problematiek van eiser voortgekomen kan zijn uit het gestelde geweldsrelaas dat ten grondslag ligt aan de asielaanvraag. De A-vraag is onderverdeeld in drie deelvragen. Vraag A1 ziet op de vraag in welke mate, volgens de gradaties van het Istanbul Protocol, dit geldt voor de lichamelijke problematiek. Vraag A2 ziet op de vraag in welke mate, volgens de gradaties van het Istanbul Protocol, dit geldt voor de psychische problematiek. Vraag A3 gaat over de algehele beoordeling van het totaal van bevindingen volgens de gradaties van het Istanbul Protocol. In dit kader zijn bij vraag A1, 13 littekens of littekengroepen zichtbaar, waarvan zes littekens door eiser worden toegeschreven aan de problemen met Al-Shabaab. Vier van de littekens worden door het iMMO beoordeeld als “consistent” en twee littekens als “zeer consistent”. In het kader van de vraag A2 wordt aan eisers psychische problematiek de gradatie “zeer consistent” toegekend. Het geheel aan medische klachten (vraag A3) wordt door het iMMO beoordeeld als “zeer consistent”.
8. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat het aan de minister is om, als een medisch rapport, zoals een iMMO-rapport, een sterke aanwijzing vormt dat de door een vreemdeling gestelde onmenselijke behandeling in het land van herkomst het letsel heeft veroorzaakt, de twijfel over de oorzaak van het letsel weg te nemen, wanneer de minister die gestelde onmenselijke behandeling desondanks niet aannemelijk acht. Dit kan verplichten tot nader medisch onderzoek. Bij de vraag of deze verplichting ontstaat, zijn verschillende factoren van belang. Zo moet worden beoordeeld of de vreemdeling bevreemdingwekkend, vaag of tegenstrijdig heeft verklaard over het deel van het asielrelaas dat hij met het iMMO-rapport heeft willen staven. Daarnaast moet de minister nagaan in hoeverre dat deel van het asielrelaas past in betrouwbare algemene informatie over het land van herkomst en hoe sterk de kwalificatie in het iMMO-rapport is.
9. Niet in geschil is dat het asielrelaas van eiser past binnen de algemene landeninformatie. De rechtbank heeft in de eerdere asielprocedure echter geoordeeld dat de minister heeft mogen concluderen dat de gestelde problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn. In het gehoor opvolgende aanvraag heeft eiser geen bevredigende uitleg gegeven over de eerder ongeloofwaardig geachte verklaringen. Met het iMMO-rapport heeft eiser zijn asielrelaas evenmin aannemelijk gemaakt. Het iMMO-rapport zegt niets over de actor van het geweld en sluit het bestaan van andere mogelijke oorzaken voor de klachten en littekens van eiser niet uit. Hierbij is van belang de het iMMO de kwalificaties ”consistent” en “zeer consistent” heeft toegekend en niet de sterkere kwalificaties “typerend” en/of “kenmerkend”. Gelet hierop heeft de minister zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat het iMMO-rapport geen afbreuk doet aan zijn standpunt dat het asielrelaas ongeloofwaardig is. Ook in de overgelegde brief van het Ministerie van Gezondheid en het in beroep ingebrachte stuk van het Somali Sudanese Hospital heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om van zijn standpunt af te wijken, omdat eiser met deze stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verwondingen die hij heeft opgelopen zijn te relateren aan de gestelde problemen met Al-Shabaab.
De B-vraag uit het iMMO-rapport
10. Eiser stelt dat het iMMO concludeert dat zijn medische problemen mogelijk hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren.
11. De minister mocht in dit geval voorbijgaan aan het antwoord van het iMMO op de
B-vraag. Hierbij is van belang dat de Afdeling, mede op basis van de bevindingen van een
onafhankelijke deskundige, bij uitspraak van 2 april 2025 heeft geoordeeld dat het iMMO
bij beantwoording van de B-vraag onvoldoende inzichtelijk had gemaakt dat de conclusie
was gebaseerd op een op de individuele vreemdeling toegespitste beoordeling van zijn
vermogen om te verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank is dat ook in eisers geval aan
de orde. In het iMMO-rapport is niet inzichtelijk gemaakt waarom en in hoeverre eisers klachten zouden hebben geleid tot een interferentie met eisers vermogen om compleet, coherent en consistent over zijn asielrelaas te verklaren. Hierdoor is met het iMMO-rapport niet onderbouwd dat de bij eiser geconstateerde medische problematiek heeft geïnterfereerd met zijn vermogen om te verklaren.
Vergoeding kosten iMMO-rapport
12. Uit Informatiebericht 2023/12 volgt dat, indien een iMMO-rapport wordt ontvangen in het kader van een herhaalde asielaanvraag, doorgaans niet zal worden overgegaan tot het vergoeden van de kosten. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft de minister in deze zaak geen aanleiding hoeven zien om hiervan af te wijken.
Beschermingsalternatief
13. Eiser voert aan dat de minister Mogadishu niet als beschermingsalternatief mag tegenwerpen. Eiser heeft immers geen binding met Mogadishu en hij heeft geen contact meer met zijn oom. Bovendien is zijn oom oud en ziek.
14. Uit artikel 3.37d van het VV, in samenhang met paragraaf C2/3.4 van de Vc, volgt dat de minister een binnenlands beschermingsalternatief mag tegenwerpen indien de vreemdeling in een deel van het land van herkomst geen vrees heeft voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin of een reëel risico loopt op ernstige schade, op een veilige wijze naar dat gebied kan reizen en redelijkerwijs van de vreemdeling kan worden verwacht dat hij zich in dat gebied vestigt. Specifiek voor Somalië geldt dat de minister bij zijn beoordeling moet betrekken of een vreemdeling al eerder in het alternatieve gebied heeft verbleven en of er grootfamilie van de vreemdeling aanwezig is in dat gebied (paragraaf C7/30.5.2 van de Vc). Hierbij geldt de maatstaf dat de vreemdeling daar een leven kan leiden onder omstandigheden die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. De vreemdeling mag in het betreffende gebied niet achtergesteld worden in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking. Daarnaast mogen de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie.
15. De rechtbank constateert dat in de eerdere asielprocedure al is komen vast te staan dat de minister Mogadishu als beschermingsalternatief mocht tegenwerpen. Het ligt daarom op de weg van eiser om feiten en omstandigheden naar voren te brengen die de minister aanleiding geven om zijn eerdere standpunt hierover te herzien. Daarin is eiser niet geslaagd. Hij heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat hij geen contact meer heeft met zijn oom. Eiser heeft voorts onvoldoende geconcretiseerd welke pogingen hij heeft ondernomen om weer met zijn familie in contact te komen en ook niet onderbouwd dat zijn oom oud en ziek is. De beroepsgrond slaagt niet.
Algemene veiligheidssituatie
16. Verder stelt eiser dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij bij terugkeer een risico loopt op ernstige schade wegens willekeurig geweld. De minister heeft niet gemotiveerd waarom een lagere gradatie van willekeurig geweld (als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn) wordt gehanteerd voor Mogadishu. Eiser wijst daarbij op verschillende bronnen, waaronder het EUAA-rapport van 2 oktober 2025 waarin voor acht provincies in Centraal- en Zuid-Somalië de op een na hoogste categorie willekeurig geweld aanwezig wordt geacht.
17. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 12 december 2025 (zittingsplaats Arnhem). Wat eiser in deze procedure aanvoert, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.
Conclusie en gevolgen
18. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 13 mei 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.