ECLI:NL:RBDHA:2026:12864

ECLI:NL:RBDHA:2026:12864

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-02-2026
Datum publicatie 21-05-2026
Zaaknummer NL26.4256
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bewaring eerste beroep, voortvarendheid: laissez-passer Finland, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.4256

(gemachtigde: mr. H. Loth),

en

(gemachtigde: J. Willems).

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Eiser heeft op 27 januari 2026 toestemming gegeven om de zaak schriftelijk af te doen. Hij heeft op 29 januari 2026 de gronden van het beroep ingediend. De minister heeft op 30 januari 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 2 februari 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Finse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992. Bij besluit van 2 april 2025 heeft de minister vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van het Unierecht.

De gronden van de maatregel van bewaring

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen, niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Daaruit volgt ook het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

Voortvarendheid

4. Eiser stelt in de gronden van 19 januari 2026 dat de minister in het kader van de voortvarendheid dient aan te geven wanneer hij naar Finland wordt uitgezet.

5. De rechtbank overweegt als volgt. Er is geen sprake van een geplande inbewaringstelling en eiser beschikt niet over een geldig reisdocument. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat er op 23 januari 2026 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden en dat er op 27 januari 2026 een aanvraag voor een laissez-passer is verstuurd aan de Finse autoriteiten. De minister is nog in afwachting van een reactie. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

6. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 5 februari 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.M. den Dulk

Griffier

  • mr. S.J. Valk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand