ECLI:NL:RBDHA:2026:12866

ECLI:NL:RBDHA:2026:12866

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-04-2026
Datum publicatie 21-05-2026
Zaaknummer NL25.32262
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

VK, asiel, Guinee, iMMO-rapport, conclusie B-vraag onvoldoende op eiser toegespitst, conclusie A-vraag laat andere oorzaken klachten/littekens open, beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.A. Pieters),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S. Aboulouafa).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn opvolgende asielaanvraag.

Eiser heeft op 16 maart 2023 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, V.M. Corcelle als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

3. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Eerdere procedures

4. Eiser heeft op 30 juli 2018 voor het eerst asiel aangevraagd. Hij heeft hieraan, kort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. Eiser komt uit Guinee. Zijn stiefmoeder heeft zijn vader door vergiftiging om het leven gebracht. Eisers moeder is vermoord omdat zijn stiefmoeder haar beschuldigde van hekserij. Eiser is in verband hiermee zelf ook mishandeld. De stiefmoeder van eiser heeft er daarnaast voor gezorgd dat eiser, na een geschil over grond, werd gearresteerd. Eiser heeft vervolgens zes maanden in detentie gezeten, waar hij is mishandeld.

De minister heeft die aanvraag bij besluit van 12 april 2019 afgewezen. Hierbij heeft de minister het overlijden van eisers ouders en de daarmee samenhangende problemen niet geloofwaardig geacht. Ook de problemen over de grondverkoop en de detentie van eiser heeft de minister niet geloofwaardig geacht.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 12 april 2019 bij uitspraak van 3 juni 2019 ongegrond verklaard en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft die uitspraak bevestigd bij uitspraak van 8 juli 2019.

Eiser heeft op 24 augustus 2019 een opvolgende aanvraag ingediend. De minister heeft die aanvraag bij besluit van 6 oktober 2019 buiten behandeling gesteld, omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken.

Huidige aanvraag

5. Eiser heeft bij zijn huidige asielaanvraag een rapport van het Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (het iMMO) van 8 februari 2023 overgelegd. Het iMMO heeft in dat rapport geconcludeerd dat de geconstateerde psychische problematiek van eiser beperkingen heeft gegeven die ten tijde van de gehoren zeker hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren (antwoord op de zogenoemde ‘B-vraag’). Verder heeft het iMMO geconcludeerd dat de klachten van eiser typerend zijn voor het ondergane geweld zoals eiser dat heeft gesteld in zijn asielrelaas (antwoord op de zogenoemde ‘A-vraag’). Eiser stelt dat hij hiermee de problemen die hij in Guinee heeft ondervonden alsnog aannemelijk heeft gemaakt.

Het bestreden besluit

6. De minister stelt zich op het standpunt dat aan het iMMO-rapport niet de door eiser gewenste waarde kan worden gehecht. Het iMMO heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom en in hoeverre de psychische klachten van eiser hebben geïnterfereerd met zijn vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren (B-vraag). In de eerste procedure is bovendien al rekening gehouden met de psychische problematiek van eiser. Het antwoord van het iMMO op de A-vraag levert weliswaar steunbewijs op voor (een deel van) het asielrelaas van eiser, maar leidt niet tot de conclusie dat de door eiser gestelde problemen geloofwaardig zijn. Hierbij is van belang dat die problemen in de eerdere procedure ongeloofwaardig zijn geacht, dat eiser geen uitleg heeft gegeven met betrekking tot zijn eerdere ongeloofwaardige verklaringen en dat de conclusies van het iMMO niet uitsluiten dat er andere oorzaken kunnen zijn voor de klachten en littekens van eiser. De aanvraag wordt dan ook afgewezen als kennelijk ongegrond.

Beoordeling gronden

Antwoorden iMMO op B-vraag

7. Eiser voert aan dat het iMMO in het rapport van 8 februari 2023 en in de nadere reactie van 21 oktober 2025 voldoende heeft toegelicht dat in zijn individuele geval de psychische klachten hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren.

De minister mocht in dit geval voorbijgaan aan het antwoord van het iMMO op de B-vraag. Hierbij is van belang dat de Afdeling, mede op basis van de bevindingen van een onafhankelijke deskundige, bij uitspraak van 2 april 2025 heeft geoordeeld dat het iMMO bij beantwoording van de B-vraag onvoldoende inzichtelijk had gemaakt dat de conclusie was gebaseerd op een op de individuele vreemdeling toegespitste beoordeling van zijn vermogen om te verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank is dat ook in eisers geval aan de orde. Bovendien heeft het iMMO in de nadere reactie van 21 oktober 2025 te kennen gegeven dat het voor het iMMO niet mogelijk is om nog onderzoek te doen naar de vraag of sprake was van een geheugenstoornis bij de gehoren van eiser, en op welke wijze en op welke momenten de problematiek van eiser precies van invloed is geweest. De minister heeft daarom mogen volstaan met de verwijzing naar het FMMU-advies in de eerste asielprocedure over de klachten die bekend waren, en de constatering dat daarmee rekening is gehouden tijdens de gehoren. De beroepsgrond slaagt niet.

Antwoorden iMMO op A-vraag

8. Eiser voert aan dat de minister een te hoge bewijsmaatstaf hanteert. Het is niet aan eiser om zijn asielrelaas volledig en met zekerheid aan te tonen. Het standpunt van de minister komt er feitelijk op neer dat hij alle iMMO-rapportages categorisch uitsluit als steunbewijs. Dat is niet in overeenstemming met de rechtspraak van de Afdeling en bovendien heeft de minister in het bestreden besluit erkend dat het iMMO-rapport steunbewijs oplevert.

Hoewel uit de bewoordingen die de minister in het bestreden besluit heeft gebruikt zou kunnen worden opgemaakt dat hij een te hoge bewijsmaatstaf heeft gehanteerd, blijkt dit niet uit de verdere beoordeling zoals de minister die heeft verricht. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is en dat ook het antwoord van het iMMO op de A-vraag daar geen verandering in brengt. Hierbij is het volgende van belang.

In de eerste asielprocedure heeft de rechtbank geoordeeld dat eiser zijn asielrelaas niet aannemelijk heeft gemaakt. In het gehoor opvolgende aanvraag heeft eiser geen bevredigende uitleg gegeven over de eerder ongeloofwaardig geachte verklaringen. HeMet het iMMO-rapport heeft eiser zijn asielrelaas evenmin aannemelijk gemaakt. De conclusies van het iMMO laten immers andere oorzaken voor de klachten en littekens van eiser open. Daarnaast is relevant dat, voor zover het iMMO-rapport betrekking heeft op littekens die eiser zou hebben overgehouden aan de gebeurtenissen in detentie, eiser zelf heeft verklaard dat hij in detentie geen littekens heeft opgelopen. Dit heeft hij bevestigd in de correcties en aanvullingen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 16 april 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.J. Janssen

Griffier

  • mr. S.J. Valk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand