RECHTBANK DEN HAAG
[eiseres] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.8799 (beroep) en NL25.8800 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),
en
(gemachtigde: mr. M.F. Aly).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘familieleven op grond van artikel 8 EVRM’. Eiseres doet deze aanvraag om te kunnen verblijven bij haar zoon, schoondochter en twee minderjarige kleinkinderen.
2. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag niet in stand kan blijven. Eiseres heeft dementie, een progressieve ziekte, en er is bewijs ingebracht dat haar situatie is verslechterd. Verweerder had daarom meer onderzoek moeten doen naar haar medische situatie. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiseres heeft op 14 oktober 2021 een aanvraag ingediend voor een reguliere verblijfsvergunning bepaalde tijd. Deze aanvraag is met het primaire besluit van 13 december 2021 afgewezen. Eiseres heeft bezwaar ingediend tegen dit besluit, wat op 13 februari 2023 met een beslissing op bezwaar ongegrond is verklaard. Het beroep van eiseres hiertegen is gegrond verklaard op 4 juni 2024. Deze rechtbank en zittingsplaats hebben in de uitspraak van 4 juni 2024 geoordeeld dat verweerder een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Verweerder heeft een nieuw besluit genomen op 20 februari 2025 (het bestreden besluit) en de aanvraag opnieuw afgewezen.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres, J.M. van Schaik als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden
4. Eiseres is geboren op [datum 1] 1944 en heeft de Argentijnse nationaliteit. De zoon van eiseres, [zoon] , treedt op als referent. Hij is geboren op [datum 2] 1971. Referent woont, met tussenpozen, sinds 2006 in Nederland. Hij heeft de Nederlandse nationaliteit. Referent is getrouwd en heeft twee minderjarige kinderen, tevens kleinkinderen van eiseres. Eiseres is tussen 1 juni 2017 en 21 februari 2020 zes keer naar Nederland gereisd om bij haar zoon en zijn familie in huis te verblijven. Eiseres verbleef afwisselend ongeveer drie maanden in Argentinië en vervolgens drie maanden in Nederland. Dat was de periode waarvoor zij telkens een visum had gekregen. Aan deze cyclus is een einde gekomen door de coronapandemie in het voorjaar van 2020. Op 17 juli 2021 is eiseres weer met een visum naar Nederland gekomen en sindsdien verblijft zij bij referent en zijn gezin. Op 14 oktober 2021 is namens eiseres een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [zoon] ’.
Bij eiseres is in het najaar van 2021 een milde cognitieve beperking vastgesteld. Daarnaast is sprake van artrose. De huisarts heeft op 30 juni 2023 vastgesteld dat sprake is van cognitieve stoornissen, passend bij dementie. Bij de door de huisarts afgenomen Mini Mental State Examination (MMSE) scoorde eiseres 20 punten, bij een normaalscore van 30 punten. Op 18 december 2025 heeft de huisarts geconstateerd dat het geheugen en concentratievermogen van eiseres verder zijn verminderd. Bij de MMSE scoorde eiseres nu 18 punten. Op grond van het gesprek en onderzoek concludeert de huisarts dat eiseres mnestische stoornissen heeft, passend bij dementie.
Besluit van verweerder
5. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres niet in het bezit is van
een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van deze vereiste. Daarnaast ziet verweerder geen aanleiding om op grond van het familieleven of privéleven tussen eiseres en referent in het kader van artikel 8 EVRM een verblijfsvergunning te verlenen. De belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM valt volgens verweerder in het nadeel van eiseres uit.
Heeft verweerder de belangen van het kind voldoende meegewogen?
6. Eiseres heeft zich beroepen op de belangen van de minderjarige kleinkinderen en stelt dat bij de belangenafweging hiermee onvoldoende rekening is gehouden. Verweerder heeft naar aanleiding daarvan het volgende standpunt ingenomen. Verweerder heeft aangenomen dat er familieleven is tussen eiseres en haar zoon. De belangenafweging valt in het nadeel van eiseres uit. Verweerder benoemt in dit verband dat een vertrek van het gezin met eiseres naar Argentinië betekent dat de kleinkinderen van eiseres zullen moeten wennen aan een nieuwe situatie en dat dit niet altijd makkelijk is. Verweerder ziet echter geen reden om te denken dat de kleinkinderen zich niet zouden aanpassen. Ook in Argentinië kunnen de kleinkinderen naar school en vrienden krijgen. Verder is er geen reden om te denken dat er door vertrek naar Argentinië grote problemen ontstaan in de ontwikkeling van de kinderen. Daarbij is rekening gehouden met de medische informatie over de kleindochter, hoewel het inmiddels beter met haar gaat.
Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder de belangen van het kind niet voldoende meegewogen in zijn beslissing. Verweerder heeft onvoldoende kenbaar rekening gehouden met de belangen van de minderjarige kleinkinderen van eiseres. De rechtbank ziet in het besluit geen motivering terug met betrekking tot de vraag wat het voor de kleinkinderen betekent en wat voor impact het op hen zal hebben als eiseres naar Argentinië vertrekt zonder hen. Daarbij is van belang dat verweerder in het midden heeft gelaten of er gezinsleven bestaat tussen de kleinkinderen en eiseres. Ook ziet de rechtbank onvoldoende terug wat het voor de kleinkinderen betekent als het gehele gezin samen met eiseres vertrekt naar Argentinië. Dat hun ontwikkeling niet ernstig zou worden verstoord, is niet genoeg, want ook een kleinere verstoring dient te worden meegenomen in de beoordeling. De rechtbank leest verder niet terug dat de belangen van het kind de eerste overweging vormen voor verweerder, terwijl artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) dit wel vereist. De rechtbank oordeelt daarom dat sprake is van een motiveringsgebrek.
De beroepsgrond slaagt.
Heeft verweerder in voldoende mate rekening gehouden met de medische situatie van eiseres?
7. Eiseres stelt dat van haar niet kan worden verwacht dat zij terugreist naar Argentinië om daar een mvv aan te vragen. Ook is de belangenafweging van verweerder onjuist. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met haar medische situatie. Verweerder had een BMA-advies moeten aanvragen. Ook had eiseres hierover moeten worden gehoord. De laatste keer dat zij is gehoord was 8 december 2022, aldus eiseres. Verweerder stelt zich naar aanleiding daarvan op het standpunt dat hij in bezwaar geen compleet medisch dossier heeft ontvangen en dat verweerder het Bureau Medische Advisering (BMA) daarom niet heeft kunnen vragen om een advies uit te brengen over de gezondheidssituatie van eiseres. Verweerder heeft in het bestreden besluit daarom niet de gezondheidssituatie van eiseres kunnen beoordelen en eiseres niet nog een keer gehoord.
De rechtbank begrijpt dat eiseres onder andere in dit verband stelt dat zij in aanmerking had moeten komen voor de vrijstelling van artikel 17, eerste lid, letter c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat op het moment van het bestreden besluit in dat verband geen BMA-advies gevraagd hoefde te worden en ook geen hoorzitting heeft hoeven plaatsvinden. De eerdere uitspraak in deze zaak was op 4 juni 2024 en naar aanleiding hiervan heeft verweerder op 20 februari 2025, dus op relatief korte termijn, een nieuw besluit genomen. Op dat moment was er nog geen duidelijk blijk van gewijzigde omstandigheden in de gezondheid van eiseres.
Het is echter een feit van algemene bekendheid dat dementie een progressieve ziekte is. Dit geeft, in combinatie met de in beroep bekend geworden feiten, reden om aan te nemen dat de cognitieve situatie van eiseres slechter was op 20 februari 2025 dan waarvan verweerder is uitgegaan. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de meest recente informatie waarop verweerder zich heeft kunnen baseren stamde uit juni 2023, terwijl de in beroep ingebrachte brief van de huisarts van 18 december 2025 een lagere MMSE-score aangeeft.
Dit betekent dat, gezien de in beroep ingediende stukken, verweerder eiseres alsnog moet horen. Ook moet verweerder opnieuw beoordelen of een BMA-advies moet worden aangevraagd voor de beoordeling of de medische vrijstelling van toepassing is. In dit kader oordeelt de rechtbank dat de huidige motivering, namelijk dat geen advies is aangevraagd omdat het volledige medische dossier ontbreekt, onvoldoende is. Een compleet dossier is niet noodzakelijk om een BMA-advies aan te vragen.
Verweerders nieuwe bevindingen over de medische situatie van eiseres moet hij daarnaast betrekken bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM. Verweerder heeft dus thans in het bestreden besluit ook bij de belangenafweging onvoldoende rekening gehouden met de medische situatie van eiseres.
De beroepsgrond slaagt.
Daarnaast is aan de zijde van eiseres ter zitting een bewijsaanbod gedaan om haar cognitieve functioneren te laten onderzoeken door een medisch specialist. De rechtbank begrijpt dat verweerder naar aanleiding van het in te brengen bewijs sowieso een BMA-advies zal aanvragen.
Heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom de hardheidsclausule niet van toepassing is?
8. Eiseres heeft gesteld dat de motivering over de hardheidsclausule uit artikel 3.71, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) niet voldoet. Verweerder heeft zich naar aanleiding hiervan op het standpunt gesteld dat de hardheidsclausule alleen in zeer bijzondere gevallen wordt toegepast. De door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden leiden – ook in onderlinge samenhang bezien - niet tot vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule, aldus verweerder. Het aangevoerde met betrekking tot de gezondheidsklachten van eiseres kan niet leiden tot toepassing van de hardheidsclausule, omdat eiseres in Nederland niet onder medische behandeling staat. Voorts is niet bewezen dat eiseres geen netwerk meer heeft in Argentinië. Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat, zelfs als eiseres geen netwerk meer heeft in Argentinië, zorg kan worden ingekocht. In Argentinië is dus zorg voor eiseres beschikbaar. Het besluit is hiermee niet onevenredig hard, aldus verweerder.
Naar oordeel van de rechtbank dient verweerder naar aanleiding van de bevindingen vanwege het BMA-advies en de hoorzitting een nieuwe gemotiveerde beoordeling te maken met betrekking tot de hardheidsclausule. Daarbij dient verweerder er rekening mee te houden dat ter zitting is verklaard dat er geen netwerk meer is omdat de nicht van eiseres is overleden, als ook dat eerder ingehuurde zorg in Argentinië tot diefstal van eiseres heeft geleid. De overweging dat eiseres geen medische behandeling heeft lopen is niet relevant. Het is algemeen bekend dat dementie niet medisch kan worden behandeld. Het criterium dat er geen lopende medische behandeling is, wordt in dit geval dan ook ten onrechte gesteld.
De beroepsgrond slaagt.
Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat de zaak niet moet worden beoordeeld door het MDT SZ (Multidisciplinair Team Schrijnende Zaken)?
9. Volgens eiseres is sprake van een schrijnende situatie die had moeten worden voorgelegd aan het MDT SZ. Verweerder stelt zich naar aanleiding daarvan op het standpunt dat er geen aanleiding is om wegens bijzondere omstandigheden ambtshalve een verblijfsvergunning aan eiseres te verlenen als bedoeld in artikel 3.6ba van het Vb. Volgens verweerder hebben de omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd buiten Nederland plaatsgevonden. Tijdens de hoorzitting heeft eiseres verklaard dat haar medische omstandigheden al bestonden in Argentinië, voor haar komst naar Nederland. Daarnaast zijn deze omstandigheden niet individueel van aard, daarmee wordt bedoeld dat er veel vreemdelingen zijn in dezelfde situatie als eiseres. Op zitting heeft verweerder benadrukt dat de omstandigheden van eiseres niet bijzonder genoeg zijn.
Ook in het kader van de beoordeling van de schrijnendheid oordeelt de rechtbank dat verweerder aan de hand van het aan te vragen BMA-advies en de te houden hoorzitting opnieuw dient te motiveren of de zaak van eiseres moet worden voorgelegd aan het MDT SZ.
De beroepsgrond slaagt.
De belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM
10. Gezien de door de rechtbank geconstateerde motiveringsgebreken, komt de rechtbank niet toe aan de principiële vraag of het Nederlands economisch belang zwaarder kan wegen dan het belang van eiseres om haar familieleven met referent onverstoord in Nederland uit te oefenen.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Ook is eiseres ten onrechte niet opnieuw gehoord in bezwaar. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag van eiseres te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus).
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor twaalf weken de tijd. Deze termijn vangt in beginsel aan op het moment dat eiseres een medisch-specialistisch rapport overlegt, zoals aangegeven in overweging 7.6 van deze uitspraak. Hiervoor geeft de rechtbank eiseres tevens een termijn van twaalf weken, na de dag van verzending van deze uitspraak. Als de termijn van eiseres is verstreken zonder dat een rapport wordt overgelegd, begint de termijn voor verweerder te lopen.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
12. Omdat in de hoofdzaak is beslist, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding meer tot het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Gelet op de uitkomst van het beroep, ziet de voorzieningenrechter wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend. Ook moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 20 februari 2025;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken nadat eiseres het medisch-specialistisch rapport heeft overgelegd of nadat de gegeven termijn daarvoor ongebruikt is verstreken, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.V. Kostiouk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.