ECLI:NL:RBDHA:2026:12902

ECLI:NL:RBDHA:2026:12902

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-05-2026
Datum publicatie 21-05-2026
Zaaknummer 09/152954-23, 09/118643-24 en 09/383212-24 (ttz.gev.)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling demonstrant Extinction Rebellion voor tweemaal in vereniging beschadigen van een tunnelwand aan de A12. Verwerping verweer verdediging dat openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Afwijzing verzoek verdediging tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU. Ontslag van alle rechtsvervolging wegens artikelen 10 en 11 EVRM v.w.b. het belemmeren van enige ambtshandeling door opsporingsambtenaar (art. 184, eerste lid, Wetboek van Strafrecht), door middel van een lock-on op de A12. Strafoplegging: een taakstraf van 20 uren. Gedeeltelijk toewijzing van de vorderingen benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/152954-23, 09/118643-24 en 09/383212-24 (ttz.gev.)

Datum uitspraak: 21 mei 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 13 maart 2025 (regiezitting), 17 september 2025 en 30 maart 2026 (inhoudelijke behandelingen) en is gesloten op de terechtzitting van 11 mei 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.J. Starrenburg, en van wat door de verdachte en zijn raadslieden mrs. W.H. Jebbink, J. van Lunen en C.J.M. van den Brüle naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding met parketnummers 09/152954-23 (dagvaarding I, vernieling/beschadiging tunnelwand A12 op 20 juni 2023), 09/118643-24 (dagvaarding II, vernieling/beschadiging tunnelwand A12 op 26 maart 2024) en 09/383212-24 (dagvaarding III, belemmering door lock-on op 14 september 2024). De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. De geldigheid van dagvaarding I

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat dagvaarding I nietig verklaard dient te worden, omdat de tenlastelegging geen concrete omschrijving van de gedragingen van de verdachte bevat.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

Het oordeel van de rechtbank

Aan de verdachte is -kort gezegd- ten laste gelegd dat hij op 20 juni 2023 te ’s-Gravenhage een of meerdere (delen van) muren/wanden op/aan de A12 heeft vernield, heeft beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt als bedoeld in artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht. De tenlastelegging bevat geen feitelijke beschrijving van de handeling(en).

De rechtbank overweegt allereerst dat volgens vaste jurisprudentie (o.a. HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1105) de termen vernielen, beschadigen en onbruikbaar maken in artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht mede feitelijke betekenis hebben. Kortom, het is geen vereiste dat de tenlastelegging een concrete omschrijving van de gedraging(en) van de verdachte bevat. Verder is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging naar normaal spraakgebruik voldoende duidelijk is. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte (p. 72 en 73 van het betreffende dossier) dat hij op 20 juni 2023 op het pleintje voor de Monarch Tower (nabij de A12) is aangehouden voor overtreding van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht. Uit het verhoor van de verdachte op diezelfde dag (p. 79-82) blijkt duidelijk dat de verdenking (mede) zag op het spuiten met een spray op de wand van de A12. Ook uit andere stukken van het dossier, waaronder een aangifte (p. 12-13), blijkt dat het ging om een vernieling door teksten te spuiten op een tunnelwand aan de A12. Tot het dossier behoren ook beelden met de verweten gedraging(en) van de verdachte. De tekst van de tenlastelegging in samenhang met het voorgaande maakt dat naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk is waar de vervolging op ziet. Daarbij komt dat de verdachte en zijn verdediging op de zitting hebben laten blijken dat zij begrepen waar de verdenking op zag. De dagvaarding voldoet dan ook aan de eisen gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank verwerpt het verweer.

4. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de verdediging

Op de zitting van 13 maart 2025 heeft de verdediging zich bij wijze van preliminair verweer, overeenkomstig de overgelegde pleitnotities, op het standpunt gesteld dat de beslissing om de verdachte te vervolgen een zodanig ernstige schending van het gelijkheidsbeginsel oplevert dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De verdediging heeft bepleit dat onbegrijpelijk is dat het openbaar ministerie is overgegaan tot de vervolging van de verdachte, nu meerdere andere demonstranten niet zijn vervolgd. Het preliminaire verweer is door de rechtbank op voornoemde zitting ongegrond verklaard.

Bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op 30 maart 2026 heeft de verdediging de op de 13 maart 2025 gevoerde preliminaire verweren gehandhaafd.

Het standpunt van de officier van justitie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer moet worden verworpen. De verdachte is de afgelopen jaren vaker tijdens demonstraties opgepakt voor strafbare feiten en het openbaar ministerie wenst een uitspraak van de rechter, zodat er duidelijkheid komt over de ruimte van bestraffing.

Het oordeel van de rechtbank

In artikel 167 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering is aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Zo’n uitzonderlijk geval doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur, oftewel het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.

In de eerste plaats volgt uit de processen-verbaal dat ten aanzien van de verdachte in alle zaken (drie feiten tijdens drie verschillende demonstraties) een concrete strafrechtelijke verdenking bestond en dat met de strafrechtelijke handhaving een concreet strafrechtelijk belang werd gediend. Daarbij is duidelijk geworden dat de verdachte is vervolgd, omdat hij met enige regelmaat met justitie in aanraking is gekomen. Dat staat in een persbericht d.d. 15 januari 2025 en is door de officier van justitie ook uitgelegd op de terechtzitting van 13 maart 2025. De rechtbank heeft geen reden gevonden om aan deze uitleg van de officier van justitie te twijfelen. Het stond de officier van justitie vrij dit te laten meewegen bij de beslissing om in deze zaken tot vervolging over te gaan.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat het eventueel ten onrechte niet vervolgen van derden van wie de gedragingen mogelijk evenzeer als die van de verdachte het voorwerp van strafvervolging hadden kunnen zijn, niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging tegen de verdachte.

Van schending van het gelijkheidsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging, zodat het verweer wordt verworpen.

5. Verzoek tot prejudiciële vragen van de verdediging

De verzoeken van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat – kort en zakelijk weergegeven – prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJEU) moeten worden gesteld over de reikwijdte van de bescherming van artikel 3 lid 8 van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna: het Verdrag van Aarhus) van milieudemonstranten.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen noodzaak bestaat tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU.

Het oordeel van de rechtbank

Indien een vraag rijst voor een rechtelijke instantie over de uitleg van het primaire en/of secundaire gemeenschapsrecht, kan de rechterlijk instantie het HvJEU om uitleg vragen. Indien er redelijkerwijs geen twijfel daarover bestaat, kan het stellen van een prejudiciële vraag achterwege blijven. Ook moet het antwoord op de prejudiciële vraag noodzakelijk zijn voor het wijzen van het vonnis.

Het Verdrag van Aarhus draagt volgens artikel 1 van dat verdrag bij aan de bescherming van het recht van elk persoon om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn. Elke partij bij dit verdrag waarborgt in dat kader het recht op toegang tot informatie, inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter over milieuaangelegenheden. Zowel Nederland als de Europese Unie zijn sinds 2005 partij bij dit verdrag.

Artikel 3 lid 8 van het Verdrag van Aarhus luidt als volgt:

“Elke Partij waarborgt dat personen die hun rechten uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag niet worden gestraft, vervolgd of op enige wijze gehinderd wegens hun betrokkenheid. Deze bepaling laat onverlet de bevoegdheden van de nationale rechter om in een rechtsgeding redelijke kosten toe te wijzen.”

Uit zowel het rapport van de ‘Compliance Committee’ over het Verdrag van Aarhus, als de rapporten van de ‘UN Special Rapporteur on Environmental Defenders under the Aarhus Convention’ volgt dat een vreedzame milieudemonstratie onder de bescherming van het Verdrag van Aarhus valt. De reikwijdte van die bescherming vloeit volgens die rapporten voort uit internationale mensenrechtelijke verdragen, zoals artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en de rechtspraak hierover van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM). Volgens voornoemde rapporten houdt die bescherming op bij – kort gezegd – geweld en dat geweld wordt omschreven als het gebruik van fysiek geweld jegens anderen, waardoor waarschijnlijk lichamelijk letsel of de dood kan worden veroorzaakt, dan wel waardoor ernstige schade aan private eigendommen kan ontstaan. Of een demonstratie vreedzaam is en onder de bescherming van internationale mensenrechtelijke verdragen valt, betreft een geval-tot-geval beoordeling.

Gelet hierop is de rechtbank is van oordeel dat er geen onduidelijkheid bestaat over de reikwijdte van de bescherming door het Verdrag van Aarhus van milieudemonstranten. De grens ligt bij het plegen van geweld door milieudemonstranten en daarbij wordt nadrukkelijk aangesloten bij het kader zoals dat volgt uit Europese wetgeving en rechtspraak op dit punt.

Nu de noodzaak tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU niet is gebleken, wijst de rechtbank het verzoek van de verdediging op dit punt af.

6. Bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde.

Het oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft de ten laste gelegde handelingen bekend.

De rechtbank komt bij alle feiten tot een bewezenverklaring, zoals hierna zal worden toegelicht.

De rechtbank heeft als bijlage 2 opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Nadere bewijsoverwegingen

De rechtbank zal - voor zover dat is aangewezen - responderen op de door de verdediging aangevoerde verweren.

Dagvaardingen I & II (telkens vernieling tunnelwand A12)

Op 20 juni 2023 (dagvaarding I) en op 26 maart 2024 (dagvaarding II) heeft Extinction Rebellion actie gevoerd onder andere in de tunnelbuis van de A12 te Den Haag, waarbij in beide gevallen met een kleurstof leuzen zijn aangebracht op de tunnelwand. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte, al dan niet met anderen, deze leuzen daarop heeft aangebracht.

Bewijsoverwegingen

De verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij op respectievelijk 20 juni 2023 en 26 maart 2024 een leus heeft aangebracht op de tunnelwand. De rechtbank acht bewezen dat hij dit in beide gevallen tezamen en in vereniging met (een) ander(en) heeft gedaan, gelet op de omstandigheid dat de verdachte en de ander(en) ongeveer gelijktijdig op de tunnelwand ongeveer gelijkluidende spreuken hebben aangebracht en dat zij daarbij gebruik hebben gemaakt van spuitbussen met krijtverf van hetzelfde merk, terwijl zij in de directe omgeving van elkaar zijn aangehouden. Uit deze combinatie van omstandigheden volgt dat naar de uiterlijke verschijningsvorm in beide gevallen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking die erop was gericht om meerdere leuzen op de tunnelwand aan te brengen om daarmee hun boodschap te onderstrepen.

De rechtbank verwerpt het door de verdediging gevoerd verweer dat de wederrechtelijkheid van de gedraging van de verdachte niet kan worden bewezen, nu uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder de aangifte van de gemeente Den Haag, volgt dat de verdachte niet gerechtigd was tot het plegen van de bewezenverklaarde gedragingen.

Verzoek tot onderzoek (krijtspray)

De rechtbank wijst af het verzoek om de aard en verwijderbaarheid van de krijtspray te laten onderzoeken, nu de noodzaak daarvan niet is gebleken. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht. Uit het procesdossier van dagvaarding I volgt dat een bepaald soort krijtverf is gebruikt waarvan een medewerker van het meldpunt Graffiti van de gemeente Den Haag heeft verklaard dat deze krijtspray niet gemakkelijk en volledig kan worden verwijderd. Het herstel van de muur kan alleen plaatsvinden door over de leuzen heen te schilderen (p. 163 procesdossier). Ook volgt uit het procesdossier van dagvaarding II (p. 13-14) dat een bepaald soort krijtverf is gebruikt en de productdetails daarvan nadrukkelijk vermelden dat deze kleurstof, afhankelijk van de weersomstandigheden, enkele dagen tot weken blijft zitten. Ook blijkt daaruit dat de verwijderbaarheid van de krijtspray afhankelijk is van de mate van porositeit van het gebruikte oppervlak.

Dagvaarding III (belemmering door lock-on)

Niet voldaan aan de eisen van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering

De verdediging heeft aangevoerd dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig is geweest, nu uit het dossier niet blijkt dat de opsporingsambtenaar op grond van enige wettelijke bepaling bevoegd was tot het geven van een bevel. Naar de rechtbank begrijpt is het verweer bedoeld als een vormverzuimverweer in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank is van oordeel dat dit verweer niet als zodanig kan worden aangemerkt, nu dit niet voldoet aan de wettelijke eisen die aan een artikel 359a-verweer worden gesteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat zij in dit verband niet is gehouden tot het geven van een met redenen omklede beslissing, tegen de achtergrond dat het proces-verbaal van aanhouding (p. 48 van het betreffende dossier, een zgn. aanhoudingskaart) geen aanleiding geeft voor het aannemen van enige onrechtmatigheid.

Is sprake van belemmeren als bedoeld art. 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht?

De verdachte heeft zichzelf op de A12 vastgemaakt aan een dranghek middels een zogenaamde lock-on. Daarover heeft hij verklaard dat hij de demonstratie zolang mogelijk wilde laten voortduren. Aan vorderingen van opsporingsambtenaren om de A12 te verlaten, heeft hij geen gehoor gegeven. Als gevolg hiervan moesten de opsporingsambtenaren hem (eerst) losmaken met daartoe geschikte (technische) hulpmiddelen. Daarmee heeft de verdachte de ontruiming van de A12 vertraagd en bemoeilijkt. Het handelen van de verdachte is dan ook juridisch te kwalificeren als het belemmeren van enige ambtshandeling, als bedoeld in artikel 184 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Dagvaarding I (09/152954-23)

hij op 20 juni 2023 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk meerdere (delen van) muren/wanden aan de A12, die aan gemeente 's-Gravenhage toebehoorden, heeft beschadigd;

Dagvaarding II (09/118643-24)

hij op 26 maart 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk meerdere (delen van) muren/wanden aan de A12, die aan de gemeente 's-Gravenhage toebehoorden, heeft beschadigd door hierop een tekst te spuiten;

Dagvaarding III (09/383212-24)

hij op 14 september 2024 te ’s-Gravenhage opzettelijk enige handeling, gedaan door in het procesdossier genoemde ambtenaren, belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, ondernomen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 3 Politiewet 2012 (het handhaven van de openbare orde ten tijde van een demonstratie op de A12), heeft belemmerd, door zichzelf middels een zogeheten lock-on vast te maken aan een dranghek.

7. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte door het begaan van de strafbare feiten geen bevrijdend beroep op artikelen 10 en 11 EVRM toekomt.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij gebruik heeft gemaakt van zijn demonstratierecht ex artikelen 10 en 11 EVRM. Door de verdachte voor zijn handelen te vervolgen, te berechten en te bestraffen wordt op een ongeoorloofde manier inbreuk gemaakt op dit demonstratierecht.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beoordeling van dit verweer heeft de rechtbank met name verschillende uitspraken van de Hoge Raad in aanmerking genomen, zoals ECLI:NL:HR:2022:126, ECLI:NL:HR:2023:1742, ECLI:NL:HR:2025:1313, ECLI:NL:HR:2025:1436 en ECLI:NL:HR:2025:1519. In deze uitspraken heeft de Hoge Raad, met verwijzing naar (ook deels door de verdediging aangehaalde) uitspraken van het EHRM, een lijn uitgezet die de rechtbank zal volgen.

Juridisch kader

De volgende bepalingen zijn van belang:

- artikel 350 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, dat het strafbaar maakt om goederen van een ander opzettelijk en wederrechtelijk te vernielen, te beschadigen en onbruikbaar te maken (een misdrijf),

- artikel 184 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, dat het strafbaar maakt om een handeling, door een ambtenaar ondernomen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift te belemmeren (een misdrijf),

- artikel 10 lid 1 EVRM, dat het recht op vrijheid van meningsuiting formuleert (met de beperkingen en voorwaarden in lid 2) en

- artikel 11 lid 1 EVRM dat het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging formuleert (met de beperkingen en voorwaarden in lid 2).

De in artikelen 10 en 11 EVRM gegarandeerde rechten zijn fundamentele rechten in een democratische samenleving. Beide rechten hangen nauw met elkaar samen. Uit de rechtspraak van het EHRM kan worden afgeleid dat artikel 11 EVRM betrekking heeft op uiteenlopende vormen van protesten (zoals blokkades, sit-ins en bezettingen, die ook in de onderhavige zaak aan de orde zijn), alsmede het recht omvat om, binnen de door lid 2 van die bepaling gestelde grenzen, tijd, plaats en wijze van protest vrijelijk te kiezen.

In deze zaak waren het openbaar ministerie en de verdediging het erover eens dat bij alle feiten sprake was van vreedzame demonstraties, namelijk zonder gewelddadige intenties of het aanzetten daartoe. De rechtbank deelt die visie. Kortom, de verdachte komt in beginsel bescherming toe van artikel 11 EVRM.

Uitgangspunten in de EHRM rechtspraak

Uitoefening van de rechten van artikelen 10 en 11 van het EVRM kan worden beperkt indien:

1. de beperking bij wet is voorzien;

2. de beperking een gerechtvaardigd doel dient;

3. de beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving.

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de eerste twee vereisten die artikelen 10 en 11 EVRM stellen aan beperkingen op de daarin neergelegde rechten. De beperking vindt immers haar grondslag in de strafbaarstelling van artikelen 184 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en is daarmee bij wet voorzien. Daarmee is ook voldaan aan de door het EHRM gehanteerde eisen van voorzienbaarheid en toegankelijkheid (‘accessibility’ en ‘foreseeability’). Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de beperking een gerechtvaardigd doel dient. De beperking was in de eerste plaatst gericht op het (verder) voorkomen van strafbare feiten, in het bijzonder het voorkomen van hinder en (op 20 juni 2023 en 26 maart 2024) schade. Het voorkomen van strafbare feiten is niet alleen in de artikelen 10 en 11 EVRM expliciet neergelegd, maar dit doel wordt ook in de rechtspraak van het EHRM als legitiem worden beschouwd.

Bij de vraag of zo’n beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving komt de nationale autoriteiten een bepaalde mate van beoordelingsvrijheid (‘margin of appreciation’) toe bij het afwegen van de verschillende concrete belangen die in het geding zijn. De beperking moet restrictief worden geïnterpreteerd: er moet sprake zijn van een noodzaak tot eventuele beperkingen. De inmengingen moeten tegemoet komen aan een dwingende maatschappelijke behoefte (‘pressing social need’), in verhouding staan tot dat doel (het proportionaliteitsbeginsel) en de redenen moeten afdoende (‘relevant and sufficient’) zijn. De aard en de ernst van de opgelegde of op te leggen straf(fen) zijn eveneens factoren waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de proportionaliteit.

Ook dient te worden gekeken naar de maatregelen die door de autoriteiten zijn genomen. In dit verband is dan met name van belang dat de verdachte is aangehouden, naar het politiebureau is vervoerd, is opgehouden voor verhoor en in verzekering is gesteld. In de zaak met dagvaarding I is de verdachte op 20 juni 2023 om 12.41 uur aangehouden, vervoerd naar het politiebureau, opgehouden voor verhoor en om 23.27 uur heengezonden. In de zaak met dagvaarding II is de verdachte op 26 maart 2024 om 20.10 uur aangehouden, vervoerd naar het politiebureau, opgehouden voor verhoor en op 27 maart 2024 om 13.29 uur heengezonden. In de zaak met dagvaarding III is de verdachte op 14 september 2024 om 18.00 uur aangehouden, vervoerd naar het politiebureau, opgehouden voor verhoor en om 21.59 uur heengezonden.

De rechtbank zal daarbij ook betrekken dat biometrische gegevens in het kader van het onderzoek zijn verzameld, zoals het maken van een foto en het vermelden van persoonsgegevens op de ID-staat, welke informatie ook aan bijvoorbeeld de benadeelde partij(en) en medeverdachten is verstrekt, alsmede - indien van toepassing, hetgeen de rechtbank niet kan vaststellen - het afnemen van vingerafdrukken. Of het verzamelen en verspreiden van biometrische gegevens in deze zaak onrechtmatig is gebeurd, laat de rechtbank buiten beschouwing, nu, zelfs als dat kan worden aangenomen, een rechtsgevolg, zoals bewijsuitsluiting of strafvermindering, niet voor de hand ligt. In dat kader verdient opmerking dat het niet ontdekken van een strafbaar feit niet geldt als een rechtens te respecteren belang. De rechtbank zal echter wel, zoals vermeld, alle op de verdachte betrekking hebbende maatregelen na de aanhouding meenemen in het kader van de vraag of sprake was van een rechtmatige beperking van het recht op een vreedzame demonstratie, met als achtergrond: hoe meer maatregelen, des te eerder is er sprake van een ontoelaatbare inbreuk op artikel 11 EVRM. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU, ook omdat de lijn van dit Hof duidelijk is blijkens de arresten van 26 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:49, en van 19 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:219, namelijk -kort gezegd-dat het verzamelen van biometrische gegevens ‘op de automatische piloot’ niet is toegestaan. Het verzoek daartoe zal dus worden afgewezen.

Ten slotte kan elke demonstratie een zekere mate van “disruption to ordinary life” met zich brengen, maar dat is op zichzelf niet voldoende om een beperking te rechtvaardigen van het recht op vreedzame vergadering. Dat betekent echter niet dat elk strafrechtelijk optreden naar aanleiding van de verdenking van een strafbaar feit dat in relatie tot een demonstratie plaatsvindt tot een schending van artikel 10 en/of 11 EVRM leidt. Bij een vervolging moet de rechter zich echter ervan rekenschap geven dat het strafrechtelijke optreden, waaronder ook de bestraffing, niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vreedzame vergadering.

Waar ligt de grens als het gaat om de gedraging van de verdachte?

De vrijheid om deel te nemen aan een vreedzame bijeenkomst is van zo'n groot belang dat iemand niet kan worden bestraft voor deelname aan een demonstratie die niet verboden is, zolang die persoon daarbij zelf geen laakbare daad/gedraging (“reprehensible act”) begaat. Wanneer dat wel gebeurt, kan een deelnemer aan een vreedzame demonstratie worden onderworpen aan (de dreiging van) een straf of maatregel. De vraag of en wanneer sprake is van zo’n “reprehensible act” laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.

Toegespitst op het gedrag van de verdachte

Dagvaardingen I en II

De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 20 juni 2023 en 26 maart 2024 deel uitmaakte van een groep actievoerders die op de A12 demonstreerden en dat de verdachte als een symbolische actie en om de demonstratie kracht bij te zetten teksten op de muur heeft gespoten. Dit heeft geleid tot schade aan die muur, hetgeen kosten met zich heeft meegebracht omdat die moest worden hersteld (wat een tijdrovende en moeilijke klus is geweest). Het beschadigen van goederen van de gemeente is een inbreuk op het eigendomsrecht van anderen. Dat de goederen eigendom zijn van overheidsorganen maakt dat niet anders. Door zo te handelen heeft de verdachte gezorgd voor een meer ingrijpende ordeverstoring dan een normale vreedzame uitoefening van de door artikelen 10 en 11 EVRM gewaarborgde rechten. De rechtbank heeft bij haar oordeel betrokken dat de aanleiding voor het strafrechtelijke optreden tegen en de vervolging van de verdachte niet was gelegen in het deelnemen aan het protest, maar in het tijdens die protestactie spuiten van de muur. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte hiermee een “reprehensible act” gepleegd, waartegen strafrechtelijk optreden geboden was, zodat de daaruit voortvloeiende beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering gerechtvaardigd en noodzakelijk was. Bij dit oordeel heeft de rechtbank ook de hierboven beschreven maatregelen betrokken die ten aanzien van de verdachte zijn genomen, alsmede dat de (hierna te noemen) strafoplegging proportioneel is en niet zo ingrijpend is dat daarvan een “chilling effect” uitgaat.

Ten aanzien van het spuiten van de muur van de A12 heeft de verdediging de nadruk gelegd op het arrest van 30 november 2021 van het EHRM inzake Genov en Sarbinska tegen Bulgarije (ECLI:CE:ECHR:2021:1130JUD05235815), waarin is geoordeeld dat de veroordeling van de verdachten voor het bekladden van een monument niet te rijmen was met de bescherming van artikel 11 EVRM. De rechtbank is van oordeel dat een vergelijking niet opgaat. Ten eerste is er in de zaak tegen de verdachte duidelijk sprake van een eigenaar van de muur, die voor herstel heeft moeten zorgen en voor de kosten heeft moeten opdraaien, terwijl in de uitspraak van het EHRM gewicht wordt toegekend aan dat er geen bewijs is dat onherstelbare schade is toegebracht, dat niets bekend is over de kosten van de verwijdering en niet bekend is wie die zou(den) moeten betalen. Ten tweede heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2025:1519, dat ging over het bekladden van trams in het kader van een demonstratie, de verwerping van het OVAR-verweer op grond van artikelen 10 en 11 EVRM in stand heeft gelaten, terwijl in die zaak door de verdediging (ook) een beroep op dat EHRM-arrest is gedaan.

Kortom, voor zover het gaat over het spuiten van de muren van de A12 is de rechtbank van oordeel dat het optreden van de politie, de vervolging, de veroordeling en de (hierna te noemen) strafoplegging verenigbaar is met artikelen 10 en 11 EVRM. Het OVAR-verweer met betrekking tot die feiten wordt verworpen. Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van die feiten uitsluiten.

Dagvaarding III

Dat ligt anders voor de lock-on op 14 september 2024 tijdens de demonstratie op de A12. Ook hier gaat het om een demonstratie met een geweldloos en vreedzaam karakter, maar het grote verschil is dat hierbij geen schade is toegebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank was hier dan ook een verdergaand strafrechtelijk optreden dan een aanhouding, eventueel gevolgd door een korte periode van vrijheidsontneming, niet geboden. Vanwege onverenigbaarheid van de strafvervolging met artikelen 10 en 11 EVRM zal de rechtbank de verdachte ten aanzien van dit feit ontslaan van alle rechtsvervolging.

8. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

9. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij een strafoplegging te volstaan met de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zodat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich in vereniging schuldig gemaakt aan twee beschadigingen van een muur langs een snelweg, door met een spuitbus verf op de tunnelwand aan de A12 aan te brengen. Daarbij heeft hij schade toegebracht aan het eigendom van een ander. De verdachte heeft dan ook met zijn handelen de grenzen van het toelaatbare, ook tijdens de uitoefening van het recht op demonstratie, overschreden.

De rechtbank slaat ten aanzien van de straftoemeting acht op straffen die in vergelijkbare zaken doorgaans worden opgelegd. De oriëntatiepunten van de rechtbank gaan uit van geldboetes of eventueel een taakstraf. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat met betrekking tot beide feiten sprake is van overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak behoort te worden afgerond.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 februari 2026.

De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf passend is en dat onder deze omstandigheden voor een beschadiging 15 uur taakstraf (per keer) op zijn plaats is, met 5 uur in mindering (per keer) vanwege de overschrijding van de redelijk termijn. Nu de redelijke termijn bij beide beschadigingen is overschreden, zal de rechtbank 10 uur in mindering brengen.

Gelet hierop acht de rechtbank een taakstraf van 20 uren passend en geboden.

10. De vorderingen van de benadeelde partij (dagvaardingen I en II)

Gemeente Den Haag heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Ter zitting is de benadeelde partij vertegenwoordigd door raadsvrouw mr. I. de Kroes.

Dagvaarding I

Het gevorderde bedrag bestaat uit € 6.050,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Blijkens de facturen ziet de vordering op herstelwerkzaamheden op twee verschillende momenten, namelijk “stad uit” (factuur d.d. 27 november 2023 Gevelmeesters) en “stad in” (factuur d.d. 5 februari 2024 Gevelmeesters). De gemeente heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte voor het geheel van de schade aansprakelijk te achten is, omdat het ging om leuzen van Extinction Rebellion, aangebracht op dezelfde dag. Tevens heeft de benadeelde partij blijkens het schriftelijke standaard voegingsformulier verzocht om vergoeding van de proceskosten (op dat moment nog niet concreet begroot) en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Dagvaarding II

Het gevorderde bedrag bestaat uit € 5.094,10 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Blijkens de facturen ziet de vordering op herstelwerkzaamheden (en de daarvoor noodzakelijke verkeersmaatregelen) in de nacht van 5 op 6 april 2024. Tevens heeft de benadeelde partij blijkens het schriftelijke standaard voegingsformulier verzocht om vergoeding van de proceskosten (op dat moment nog niet concreet begroot) en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partij.

Het standpunt van de verdediging

Dagvaarding I

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, voor zover die vordering ziet op werkzaamheden, zoals omschreven in de factuur van de gemeente d.d. 27 november 2023 onder “stad uit”, nu uit het dossier (p. 8) duidelijk wordt dat de verdachte leuzen heeft aangebracht op de tunnelwand “stad in”. De verdachte heeft geen betrokkenheid gehad bij het aanbrengen van de leuzen op de andere tunnelzijde.

Dagvaarding II

De verdediging heeft ten aanzien van de vordering aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld welke schade aan de verdachte kan worden toegerekend.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van dagvaarding I

De rechtbank stelt op basis van het dossier en de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding het volgende vast. De verdachte heeft erkend op 20 juni 2023 teksten te hebben aangebracht op de wand van de A12/Utrechtsebaan, naar uit het dossier blijkt, op de wand “stad in”. Uit het dossier en de toelichting door de Gemeente Den Haag blijkt dat daardoor schade is ontstaan. De teksten zijn meerdere maanden zichtbaar geweest en zijn vervolgens verwijderd. Onder deze omstandigheden staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat de teksten blijkens de factuur d.d. 27 november 2023 van de tunnelwand “stad in” zijn verwijderd door (onder andere) de verdachte zijn aangebracht. Hiermee is het causaal verband tussen het bewezenverklaarde feit en deze schade gegeven.

De rechtbank zal de vordering, voor zover deze ziet op de tunnelwand “stad uit” afwijzen, nu uit het dossier niet kan niet worden afgeleid dat de verdachte ook op deze plaats leuzen heeft geplaatst. De enkele omstandigheid dat het in beide gevallen gaat om leuzen van Extinction Rebellion, maakt dat niet anders.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij het gevorderde schadebedrag, dat ziet op de tunnelwand “stad in”, te weten € 3.025,-, voldoende onderbouwd. De hoogte van dit bedrag is door de verdediging ook niet gemotiveerd betwist. De schade is een rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde vernieling. De verdachte is daarom aansprakelijk voor de geleden schade. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij daarom toewijzen ter hoogte van het gevorderde bedrag, te weten € 3.025,-.

De rechtbank ziet geen aanleiding dit schadebedrag te matigen.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van de factuurdatum, 27 november 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering (deels) wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met (een) mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader(s) een bedrag aan de benadeelde partij heeft/hebben betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Geen schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan de verdachte geen verplichting opleggen tot betaling van het toegewezen bedrag aan de Staat. Naar het oordeel van de rechtbank is de ratio van de schadevergoedingsmaatregel zoals bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht dat natuurlijke personen bij de inning van de schadevergoeding worden ontlast. Van de gemeente Den Haag mag worden verwacht dat zij zelf de wegen kent om de toegewezen schadevergoeding bij de verdachte te incasseren. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel acht de rechtbank dan ook niet passend.

Ten aanzien van dagvaarding II

De rechtbank stelt op basis van het dossier en de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding het volgende vast. De verdachte heeft erkend op 26 maart 2024 teksten te hebben aangebracht op de wand van de A12/Utrechtsebaan. Uit het dossier en de toelichting door de Gemeente Den Haag blijkt dat daardoor schade is ontstaan. De teksten zijn vervolgens door het bedrijf Gevelmeesters verwijderd. De kosten voor de verkeersmaatregelen zijn onderbouwd met een factuur en door de verdediging niet betwist. Gevelmeesters offreert op 29 maart 2024 een bedrag van € 1.575,00 (ex BTW) voor het “verwijderen van graffiti/overschilderen aan de Utrechtsebaan”. De factuur van 10 april 2024 van € 1.575,00 van Gevelmeester vermeldt bij de betreft-regel weliswaar “Spoorviaduct boven de A12 Utrechtsebaan te Den Haag”, maar gelet op de voornoemde offerte met daarop hetzelfde geldbedrag is de rechtbank van oordeel dat de gemeente het schadebedrag voldoende heeft onderbouwd. De hoogte van het schadebedrag is door de verdediging ook niet betwist. De schade is een rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde beschadiging. De verdachte is daarom aansprakelijk voor de geleden schade. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij daarom toewijzen ter hoogte van het gevorderde bedrag, te weten € 5.094,10.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van de laatste factuurdatum, 15 april 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met (een) mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader(s) een bedrag aan de benadeelde partij heeft/hebben betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Geen schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan de verdachte geen verplichting opleggen tot betaling van het toegewezen bedrag aan de Staat. Naar het oordeel van de rechtbank is de ratio van de schadevergoedingsmaatregel zoals bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht dat natuurlijke personen bij de inning van de schadevergoeding worden ontlast. Van de gemeente Den Haag mag worden verwacht dat zij zelf de wegen kent om de toegewezen schadevergoeding bij de verdachte te incasseren. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel acht de rechtbank dan ook niet passend.

11. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

12. De beslissing

De rechtbank:

vernietigt de strafbeschikking in de zaak met parketnummer 09/152954-23 (dagvaarding I);

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven 6.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde ten aanzien van dagvaarding III niet strafbaar en ontslaat de verdachte in zoverre van alle rechtsvervolging;

verklaart het bewezen verklaarde ten aanzien van dagvaardingen I en II strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I:

het medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

ten aanzien van dagvaarding II :

het medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf voor de tijd van 20 (twintig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 10 (tien) DAGEN;

de vordering van de benadeelde partij Gemeente Den Haag (dagvaarding I)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 3.025,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 27 november 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan de gemeente Den Haag;

wijst de vordering voor het overige af;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding en/of proceskosten deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

de vordering van de benadeelde partij Gemeente Den Haag (dagvaarding II)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van

€ 5.094,10 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 april 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan de gemeente Den Haag;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding en/of proceskosten deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.M. Krans, voorzitter,

mr. M. Rootring, rechter,

mr. E.R.F. van Engelen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Straaten, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.M. Krans
  • mr. M. Rootring
  • mr. E.R.F. van Engelen

Griffier

  • mr. M.F. van Straaten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand