ECLI:NL:RBDHA:2026:12907

ECLI:NL:RBDHA:2026:12907

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-05-2026
Datum publicatie 21-05-2026
Zaaknummer 09/230678-23 en 09/383216-24 (ttz. gev.)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling demonstrant Extinction Rebellion voor in vereniging beschadigen van een tunnelwand aan de A12. Verwerping van verweer verdediging dat openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Afwijzing verzoek verdediging tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU. Ontslag van alle rechtsvervolging wegens artikelen 10 en 11 EVRM v.w.b. het belemmeren van enige ambtshandeling door opsporingsambtenaar (art. 184, eerste lid, Wetboek van Strafrecht), door middel van een lock-on op de A12. Strafoplegging: een taakstraf van 10 uren. Integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/230678-23 en 09/383216-24 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 21 mei 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 13 maart 2025 (regiezitting), 17 september 2025 en 30 maart 2026 (inhoudelijke behandelingen) en is gesloten op de terechtzitting van 11 mei 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.J. Starrenburg, en van hetgeen door de verdachte en haar raadslieden mrs. J. van Lunen, C.J.M. van den Brûle en W.H. Jebbink, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding met parketnummers 09/230678-23 (dagvaarding I, vernieling/beschadiging tunnelwand A12 op 14 februari 2023) en 09/383216-24 (dagvaarding II, belemmering door lock-in op 14 september 2024). De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de verdediging

Op de zitting van 13 maart 2025 heeft de verdediging zich bij wijze van preliminair verweer, overeenkomstig de overgelegde pleitnotities, op het standpunt gesteld dat de beslissing om de verdachte te vervolgen een zodanig ernstige schending van het gelijkheidsbeginsel oplevert dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De verdediging heeft bepleit dat onbegrijpelijk is dat het openbaar ministerie is overgegaan tot de vervolging van de verdachte, nu meerdere andere demonstranten niet zijn vervolgd. Het preliminaire verweer is door de rechtbank op voornoemde zitting ongegrond verklaard.

Bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op 30 maart 2026 heeft de verdediging de op de 13 maart 2025 gevoerde preliminaire verweren gehandhaafd.

Het standpunt van de officier van justitie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer moet worden verworpen. De verdachte is de afgelopen jaren vaker tijdens demonstraties opgepakt voor strafbare feiten en het openbaar ministerie wenst een uitspraak van de rechter, zodat er duidelijkheid komt over de ruimte van bestraffing.

Het oordeel van de rechtbank

In artikel 167 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering is aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Zo’n uitzonderlijk geval doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur, oftewel het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.

In de eerste plaats volgt uit de processen-verbaal dat ten aanzien van de verdachte in beide zaken (twee feiten tijdens twee verschillende demonstraties) een concrete strafrechtelijke verdenking bestond en dat met de strafrechtelijke handhaving een concreet strafrechtelijk belang werd gediend. Daarbij is duidelijk geworden dat de verdachte is vervolgd, omdat zij met enige regelmaat met justitie in aanraking is gekomen. Dat staat in een persbericht van 15 januari 2025 en is door de officier van justitie ook uitgelegd op de terechtzitting van 13 maart 2025. De rechtbank heeft geen reden gevonden om aan deze uitleg van de officier van justitie te twijfelen. Het stond de officier van justitie vrij dit te laten meewegen bij de beslissing om in deze zaken tot vervolging over te gaan.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat het eventueel ten onrechte niet vervolgen van derden van wie de gedragingen mogelijk evenzeer als die van de verdachte het voorwerp van strafvervolging hadden kunnen zijn, niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging tegen de verdachte.

Van schending van het gelijkheidsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging, zodat het verweer wordt verworpen.

4. Verzoek tot prejudiciële vragen van de verdediging

De verzoeken van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat – kort en zakelijk weergegeven – prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJEU) moeten worden gesteld over de reikwijdte van de bescherming van artikel 3 lid 8 van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna: het Verdrag van Aarhus) van milieudemonstranten.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen noodzaak bestaat tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU.

Het oordeel van de rechtbank

Indien een vraag rijst voor een rechtelijke instantie over de uitleg van het primaire en/of secundaire gemeenschapsrecht, kan de rechterlijk instantie het HvJEU om uitleg vragen. Indien er redelijkerwijs geen twijfel daarover bestaat, kan het stellen van een prejudiciële vraag achterwege blijven. Ook moet het antwoord op de prejudiciële vraag noodzakelijk zijn voor het wijzen van het vonnis.

Het Verdrag van Aarhus draagt volgens artikel 1 van dat verdrag bij aan de bescherming van het recht van elk persoon om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn. Elke partij bij dit verdrag waarborgt in dat kader het recht op toegang tot informatie, inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter over milieuaangelegenheden. Zowel Nederland als de Europese Unie zijn sinds 2005 partij bij dit verdrag.

Artikel 3 lid 8 van het Verdrag van Aarhus luidt als volgt:

“Elke Partij waarborgt dat personen die hun rechten uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag niet worden gestraft, vervolgd of op enige wijze gehinderd wegens hun betrokkenheid. Deze bepaling laat onverlet de bevoegdheden van de nationale rechter om in een rechtsgeding redelijke kosten toe te wijzen.”

Uit zowel het rapport van de ‘Compliance Committee’ over het Verdrag van Aarhus, als de rapporten van de ‘UN Special Rapporteur on Environmental Defenders under the Aarhus Convention’ volgt dat een vreedzame milieudemonstratie onder de bescherming van het Verdrag van Aarhus valt. De reikwijdte van die bescherming vloeit volgens die rapporten voort uit internationale mensenrechtelijke verdragen, zoals artikelen 10 en 11 EVRM en de rechtspraak hierover van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM). Volgens voornoemde rapporten houdt die bescherming op bij – kort gezegd – geweld en dat geweld wordt omschreven als het gebruik van fysiek geweld jegens anderen, waardoor waarschijnlijk lichamelijk letsel of de dood kan worden veroorzaakt, dan wel waardoor ernstige schade aan private eigendommen kan ontstaan. Of een demonstratie vreedzaam is en onder de bescherming van internationale mensenrechtelijke verdragen valt, betreft een geval-tot-geval beoordeling.

Gelet hierop is de rechtbank is van oordeel dat er geen onduidelijkheid bestaat over de reikwijdte van de bescherming door het Verdrag van Aarhus van milieudemonstranten. De grens ligt bij het plegen van geweld door milieudemonstranten en daarbij wordt nadrukkelijk aangesloten bij het kader zoals dat volgt uit Europese wetgeving en rechtspraak op dit punt.

Nu de noodzaak tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU niet is gebleken, wijst de rechtbank het verzoek van de verdediging op dit punt af.

5. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft alle ten laste gelegde handelingen bekend.

De rechtbank komt bij beide feiten tot een bewezenverklaring, zoals hierna zal worden toegelicht.

De rechtbank heeft als bijlage 2 opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Nadere bewijsoverwegingen

De rechtbank zal - voor zover dat is aangewezen - responderen op de door de verdediging aangevoerde verweren.

Dagvaarding I (vernieling tunnelwand A12 )

Op 14 februari 2023 heeft Extinction Rebellion actie gevoerd onder andere in de tunnelbuis van de A12 te Den Haag, waarbij met een kleurstof leuzen zijn aangebracht op de tunnelwand. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte, al dan niet met anderen, deze leuzen daarop heeft aangebracht.

Vormverzuimverweer

Door de verdediging is betoogd dat in strijd met artikel 10 van de EU-richtlijn

2016/680 en derhalve onrechtmatig de biometrische persoonsgegevens van de verdachte zijn verzameld, nu daartoe geen noodzaak bestond. De verdachte heeft hierdoor ten onrechte op 14 februari 2023 moeten meewerken. Het gebruik daarvan in de zaak van dagvaarding II (met pleegdatum 14 september 2024) schaadt de verdedigingsrechten, zo begrijpt de rechtbank, nu de verdachte op deze wijze zou meewerken aan haar eigen veroordeling. Zij zou op 14 september 2024 aan de hand van deze identificatiegegevens zijn herkend (p. 3 en 51 van het procesdossier). De verdediging heeft betoogd dat aan dit vormverzuim bewijsuitsluiting zou moeten worden verbonden.

De rechtbank zal dit standpunt, wat hier verder van zij, hier niet verder bespreken, nu de rechtbank de genoemde processen-verbaal niet tot het bewijs bezigt.

Bewijsoverwegingen

De verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat zij op 14 februari 2023 een leus heeft aangebracht op de tunnelwand. De rechtbank acht bewezen dat zij dit tezamen en in vereniging met anderen heeft gedaan, gelet op de omstandigheid dat de verdachte en deze anderen ongeveer gelijktijdig op de tunnelwand ongeveer gelijkluidende spreuken heeft aangebracht en dat zij daarbij gebruik hebben gemaakt van spuitbussen met krijtverf van hetzelfde merk, terwijl zij in de directe omgeving van elkaar zijn aangehouden. Uit deze combinatie van omstandigheden volgt dat naar de uiterlijke verschijningsvorm sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking die erop was gericht om meerdere leuzen op de tunnelwand aan te brengen om daarmee hun boodschap te onderstrepen.

De rechtbank verwerpt het door de verdediging gevoerde verweer inhoudende dat de muren aan de A12 niet zijn beschadigd. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat met een spuitbus zogenaamde “krijtverf” is aangebracht, een substantie die blijkens de productinformatie (p. 119 e.v.) niet in alle gevallen makkelijk te verwijderen is. Daarvan was blijkens de aangifte van de gemeente sprake. De substantie bleek niet volledig te verwijderen en de muren zijn uiteindelijk overgeschilderd. De rechtbank acht beschadiging van de muren wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank verwerpt ook het verweer dat de wederrechtelijkheid van de gedraging van de verdachte niet kan worden bewezen nu uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder de aangifte van de gemeente Den Haag, volgt dat de verdachte niet gerechtigd was tot het plegen van de bewezenverklaarde gedragingen.

De rechtbank verwerpt voorts het verweer dat de gedraging, het spuiten van kalkverf op de muren, “uit andere hoofde gerechtvaardigd”, nu deze gedraging, anders dan in het door de verdediging aangehaalde arrest van 16 december 2024 van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2024:4005) concrete schade heeft toegebracht. Om die reden is dit handelen, naar het oordeel van de rechtbank, niet binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit bij de uitoefening van het demonstratierecht gebleven en om die reden niet “uit andere hoofde gerechtvaardigd” te achten.

Verzoek tot onderzoek (krijtspray)

De rechtbank wijst af het verzoek om de aard en verwijderbaarheid van de krijtspray te laten onderzoeken, nu de noodzaak daarvan niet is gebleken. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht, nu uit het procesdossier blijkt dat een bepaald soort krijtverf is gebruikt, terwijl de gebruiksaanwijzing daarvan nadrukkelijk vermeldt dat deze kleurstof, afhankelijk van de weersomstandigheden, enkele dagen tot weken blijft zitten en bovendien niet in alle gevallen volledig kan worden verwijderd, namelijk alleen als de kleurstof wordt aangebracht op niet-poreuze ondergrond (bijv. p. 119: “wipes clean only on non-porous surfaces!”).

Dagvaarding II (belemmering door lock-on)

Is sprake van belemmeren als bedoeld art. 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht?

De verdachte heeft zichzelf op de A12 aan een dranghek vastgemaakt middels een zogenaamde lock-on. Daarover heeft zij verklaard dat zij hiermee de weg wat langer trachtte te blokkeren. Aan vorderingen van opsporingsambtenaren om de A12 te verlaten heeft zij geen gehoor gegeven. Als gevolg hiervan moesten de opsporingsambtenaren haar (eerst) losmaken met daartoe geschikte (technische) hulpmiddelen. Daarmee heeft de verdachte de ontruiming van de A12 vertraagd en bemoeilijkt. Het handelen van de verdachte is dan ook juridisch te kwalificeren als het belemmeren van enige ambtshandeling, als bedoeld in art. 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

ten aanzien van dagvaarding I (09/230678-23)

zij op 14 februari 2023 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en wederrechtelijk meerdere (delen van) muren/wanden aan de A12, die aan gemeente 's-Gravenhage toebehoorden, heeft beschadigd door hierop een tekst te spuiten;

ten aanzien van dagvaarding II (09/383216-24)

zij op 14 september 2024 te ’s-Gravenhage opzettelijk enige handeling, gedaan door in het procesdossier genoemde ambtenaren, belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, ondernomen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 3 Politiewet 2012 (het handhaven van de openbare orde ten tijde van een demonstratie op de A12), heeft belemmerd, door zichzelf middels een zogeheten lock-on vast te maken aan een dranghek.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte door het begaan van de strafbare feiten geen bevrijdend beroep op artikelen 10 en 11 EVRM toekomt.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat zij gebruik heeft gemaakt van haar demonstratierecht ex artikelen 10 en 11 EVRM. Door de verdachte voor haar handelen te vervolgen, te berechten en te bestraffen wordt op een ongeoorloofde manier inbreuk gemaakt op dit demonstratierecht.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beoordeling van dit verweer heeft de rechtbank met name verschillende uitspraken van de Hoge Raad in aanmerking genomen, zoals ECLI:NL:HR:2022:126, ECLI:NL:HR:2023:1742, ECLI:NL:HR:2025:1436 ECLI:NL:HR:2025:1313 en ECLI:NL:HR:2025:1519. In deze uitspraken heeft de Hoge Raad, met verwijzing naar (ook deels door de verdediging aangehaalde) uitspraken van het EHRM, een lijn uitgezet die de rechtbank zal volgen.

Juridisch kader

De volgende bepalingen zijn van belang:

- artikel 350 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, dat het strafbaar maakt om goederen van een ander opzettelijk en wederrechtelijk te vernielen, te beschadigen en onbruikbaar te maken (een misdrijf),

- artikel 184 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, dat het strafbaar maakt om een handeling door een ambtenaar ondernomen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift te belemmeren (een misdrijf),

- artikel 10 lid 1 EVRM, dat het recht op vrijheid van meningsuiting formuleert (met de beperkingen en voorwaarden in lid 2) en

- artikel 11 lid 1 EVRM dat het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging formuleert (met de beperkingen en voorwaarden in lid 2).

De in artikelen 10 en 11 EVRM gegarandeerde rechten zijn fundamentele rechten in een democratische samenleving. Beide rechten hangen nauw met elkaar samen. Uit de rechtspraak van het EHRM kan worden afgeleid dat artikel 11 EVRM betrekking heeft op uiteenlopende vormen van protesten (zoals blokkades, sit-ins en bezettingen, die ook in de onderhavige zaak aan de orde zijn), alsmede het recht omvat om, binnen de door lid 2 van die bepaling gestelde grenzen, tijd, plaats en wijze van protest vrijelijk te kiezen.

In deze zaak waren het openbaar ministerie en de verdediging het erover eens dat in beide gevallen sprake was van vreedzame demonstraties, namelijk zonder gewelddadige intenties of het aanzetten daartoe. De rechtbank deelt die visie. Kortom, de verdachte komt in beginsel bescherming toe van artikel 11 EVRM.

Uitgangspunten in de EHRM rechtspraak

Uitoefening van de rechten van artikelen 10 en 11 EVRM kan worden beperkt indien:

de beperking bij wet is voorzien;

de beperking een gerechtvaardigd doel dient;

de beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving.

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de eerste twee vereisten die artikelen 10 en 11 EVRM stellen aan beperkingen op de daarin neergelegde rechten. De beperking vindt immers haar grondslag in de strafbaarstelling van artikelen 350 van het Wetboek van Strafrecht en is daarmee bij wet voorzien. Daarmee is ook voldaan aan de door het EHRM gehanteerde eisen van voorzienbaarheid en toegankelijkheid (‘accessibility’ en ‘foreseeability’). Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de beperking een gerechtvaardigd doel dient. De beperking was in de eerste plaatst gericht op het (verder) voorkomen van strafbare feiten, in het bijzonder het voorkomen van hinder en schade. Het voorkomen van strafbare feiten is niet alleen in de artikelen 10 en 11 EVRM expliciet neergelegd, maar dit doel wordt ook in de rechtspraak van het EHRM als legitiem worden beschouwd.

Bij de vraag of zo’n beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving komt de nationale autoriteiten een bepaalde mate van beoordelingsvrijheid (‘margin of appreciation’) toe bij het afwegen van de verschillende concrete belangen die in het geding zijn. De beperking moet restrictief worden geïnterpreteerd: er moet sprake zijn van een noodzaak tot eventuele beperkingen. De inmengingen moeten tegemoet komen aan een dwingende maatschappelijke behoefte (‘pressing social need’), in verhouding staan tot dat doel (het proportionaliteitsbeginsel) en de redenen moeten afdoende (‘relevant and sufficient’) zijn. De aard en de ernst van de opgelegde of op te leggen straf(fen) zijn eveneens factoren waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de proportionaliteit.

Ook dient te worden gekeken naar de maatregelen die door de autoriteiten zijn genomen. In dit verband is dan met name van belang dat de verdachte is aangehouden, naar het politiebureau is vervoerd, is opgehouden voor verhoor en in verzekering is gesteld.

In de zaak met dagvaarding I is de verdachte op 14 februari 2023 om 14.32 uur aangehouden, vervoerd naar het politiebureau, opgehouden voor verhoor, in verzekering gesteld en om 23.37 uur heengezonden. Verder is op 14 februari 2023 aan de verdachte een gedragsaanwijzing ex artikel 509hh van het Wetboek van Strafvordering opgelegd, die ongedaan is gemaakt door een gegrond beroep daartegen op 4 april 2023. In de zaak met dagvaarding II is de verdachte op 14 september 2024 om 17.43 uur aangehouden, vervoerd naar het politiebureau, opgehouden voor verhoor en om 21.59 uur heengezonden.

De rechtbank zal daarbij ook betrekken dat biometrische gegevens in het kader van het onderzoek zijn verzameld, zoals het maken van een foto en het vermelden van persoonsgegevens op de ID-staat, welke informatie ook aan bijvoorbeeld de benadeelde partij(en) en medeverdachten is verstrekt, alsmede - indien van toepassing, hetgeen de rechtbank niet kan vaststellen - het afnemen van vingerafdrukken. Of het verzamelen en verspreiden van biometrische gegevens in deze zaak onrechtmatig is gebeurd, laat de rechtbank buiten beschouwing, nu, zelfs als dat kan worden aangenomen, een rechtsgevolg, zoals bewijsuitsluiting of strafvermindering, niet voor de hand ligt. In dat kader verdient opmerking dat het niet ontdekken van een strafbaar feit niet geldt als een rechtens te respecteren belang. De rechtbank zal echter wel, zoals vermeld, alle op de verdachte betrekking hebbende maatregelen na de aanhouding meenemen in het kader van de vraag of sprake was van een rechtmatige beperking van het recht op een vreedzame demonstratie, met als achtergrond: hoe meer maatregelen, des te eerder is er sprake van een ontoelaatbare inbreuk op artikel 11 EVRM. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU, ook omdat de lijn van dit Hof duidelijk is blijkens de arresten van 26 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:49, en van 19 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:219, namelijk -kort gezegd-dat het verzamelen van biometrische gegevens ‘op de automatische piloot’ niet is toegestaan. Het verzoek daartoe zal dus worden afgewezen.

Ten slotte kan elke demonstratie een zekere mate van “disruption to ordinary life” met zich brengen, maar dat is op zichzelf niet voldoende om een beperking te rechtvaardigen van het recht op vreedzame vergadering. Dat betekent echter niet dat elk strafrechtelijk optreden naar aanleiding van de verdenking van een strafbaar feit dat in relatie tot een demonstratie plaatsvindt tot een schending van artikel 10 en/of 11 EVRM leidt. Bij een vervolging moet de rechter zich echter ervan rekenschap geven dat het strafrechtelijke optreden, waaronder ook de bestraffing, niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vreedzame vergadering.

Waar ligt de grens als het gaat om de gedraging van de verdachte?

De vrijheid om deel te nemen aan een vreedzame bijeenkomst is van zo'n groot belang dat iemand niet kan worden bestraft voor deelname aan een demonstratie die niet verboden is, zolang die persoon daarbij zelf geen laakbare daad/gedraging (“reprehensible act”) begaat. Wanneer dat wel gebeurt, kan een deelnemer aan een vreedzame demonstratie worden onderworpen aan (de dreiging van) een straf of maatregel. De vraag of en wanneer sprake is van zo’n “reprehensible act” laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.

Toegespitst op het gedrag van de verdachte

Dagvaarding I

De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 14 februari 2023 deel uitmaakte van een groep actievoerders die op de A12 demonstreerden en dat de verdachte als een symbolische actie en om de demonstratie kracht bij te zetten teksten op de muur heeft gespoten. Dit heeft geleid tot schade aan die muur, hetgeen kosten met zich heeft meegebracht omdat die moest worden hersteld (wat een tijdrovende en moeilijke klus is geweest). Het beschadigen van goederen van de gemeente is een inbreuk op het eigendomsrecht van anderen. Dat de goederen eigendom zijn van overheidsorganen maakt dat niet anders. Door zo te handelen heeft de verdachte gezorgd voor een meer ingrijpende ordeverstoring dan een normale vreedzame uitoefening van de door artikelen 10 en 11 EVRM gewaarborgde rechten. De rechtbank heeft bij haar oordeel betrokken dat de aanleiding voor het strafrechtelijke optreden tegen en de vervolging van de verdachte niet was gelegen in het deelnemen aan het protest, maar in het tijdens die protestactie spuiten van de muur. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte hiermee een “reprehensible act” gepleegd, waartegen strafrechtelijk optreden geboden was, zodat de daaruit voortvloeiende beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering gerechtvaardigd en noodzakelijk was. Bij dit oordeel heeft de rechtbank ook de hierboven beschreven maatregelen betrokken die ten aanzien van de verdachte zijn genomen, alsmede dat de (hierna te noemen) strafoplegging proportioneel is en niet zo ingrijpend is dat daarvan een “chilling effect” uitgaat.

Ten aanzien van het spuiten van de muur van de A12 heeft de verdediging de nadruk gelegd op het arrest van 30 november 2021 van het EHRM inzake Genov en Sarbinska tegen Bulgarije (ECLI:CE:ECHR:2021:1130JUD05235815), waarin is geoordeeld dat de veroordeling van de verdachten voor het bekladden van een monument niet te rijmen was met de bescherming van artikel 11 EVRM. De rechtbank is van oordeel dat een vergelijking niet opgaat. Ten eerste is er in de zaak tegen de verdachte duidelijk sprake van een eigenaar van de muur, die voor herstel heeft moeten zorgen en voor de kosten heeft moeten opdraaien, terwijl in de uitspraak van het EHRM gewicht wordt toegekend aan dat er geen bewijs is dat onherstelbare schade is toegebracht, dat niets bekend is over de kosten van de verwijdering en niet bekend is wie die zou(den) moeten betalen. Ten tweede heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2025:1519, dat ging over het bekladden van trams in het kader van een demonstratie, de verwerping van het OVAR-verweer op grond van artikelen 10 en 11 EVRM in stand heeft gelaten, terwijl in die zaak door de verdediging (ook) een beroep op dat EHRM-arrest is gedaan.

Kortom, voor zover het gaat over het spuiten van de muren van de A12 is de rechtbank van oordeel dat het optreden van de politie, de vervolging, de veroordeling en de (hierna te noemen) strafoplegging verenigbaar is met artikelen 10 en 11 EVRM. Het OVAR-verweer met betrekking tot dat feit wordt verworpen. Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van dit feit uitsluiten.

Dagvaarding II

Dat ligt anders voor de lock-on op 14 september 2024 tijdens de demonstratie op de A12. Ook hier gaat het om een demonstratie met een geweldloos en vreedzaam karakter, maar het grote verschil is dat hierbij geen schade is toegebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank was hier dan ook een verdergaand strafrechtelijk optreden dan een aanhouding, eventueel gevolgd door een korte periode van vrijheidsontneming, niet geboden. Vanwege onverenigbaarheid van de strafvervolging met artikelen 10 en 11 EVRM zal de rechtbank de verdachte ten aanzien van dit feit ontslaan van alle rechtsvervolging.

7. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

8. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij een strafoplegging te volstaan met de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zodat aan de verdachte geen straf zal worden opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich in vereniging schuldig gemaakt aan het beschadigen van een muur langs een snelweg, door met een spuitbus verf op de tunnelwand aan de A12 aan te brengen. Daarbij heeft zij schade toegebracht aan het eigendom van een ander. De verdachte heeft dan ook met haar handelen de grenzen van het toelaatbare, ook tijdens de uitoefening van het recht op demonstratie, overschreden.

De rechtbank slaat ten aanzien van de straftoemeting acht op straffen die in vergelijkbare zaken doorgaans worden opgelegd. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak behoort te worden afgerond.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 14 april 2026.

De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf passend is, dat onder deze omstandigheden voor een beschadiging 15 uur taakstraf op zijn plaats is, met 5 uur in mindering vanwege de overschrijding van de redelijk termijn.

Gelet hierop acht de rechtbank een taakstraf van 10 uren passend en geboden.

9. De vordering van de benadeelde partij (dagvaarding I)

Gemeente Den Haag heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Ter zitting is de benadeelde partij vertegenwoordigd door raadsvrouw mr. I. de Kroes.

Het gevorderde bedrag met betrekking tot dagvaarding I bestaat uit € 9.634,63 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens heeft de benadeelde partij blijkens het schriftelijke standaard voegingsformulier verzocht om vergoeding van de proceskosten (op dat moment nog niet concreet begroot) en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen. Met betrekking tot dagvaarding I is aangevoerd uit het dossier niet, althans onvoldoende, blijkt dat de door de gemeente Den Haag gemaakte herstelkosten rechtstreeks verband houden met het bewezenverklaarde feit, omdat aan de betreffende muren reeds eerder schade is toegebracht (door anderen). Daarnaast heeft de verdediging erop gewezen dat de krijtverf eenvoudig afwasbaar was. De verdediging heeft voorts betoogd dat tussen de geleden schade, de kosten van de schoonmaakwerkzaamheden, en het feit op dagvaarding I onvoldoende causaal verband bestaat nu die werkzaamheden pas later zijn uitgevoerd.

Subsidiair heeft de verdediging bepleit de hoogte van de vorderingen te matigen, ook omdat de verdachte niet de enige is die schade heeft toegebracht.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op basis van het dossier en de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding het volgende vast. De verdachte heeft erkend dat zij op 14 februari 2023 teksten heeft aangebracht op de wanden van de A12/Utrechtsebaan. De rechtbank acht bewezen dat zij dit in vereniging met anderen heeft gedaan. Daardoor is schade ontstaan. De mogelijkheid dat anderen voorafgaand daaraan, of mogelijk zelfs daarna nog, óók teksten hebben aangebracht op de tunnelwand doet daar niet aan af. Op 17 en 18 april 2023 heeft de gemeente Den Haag de teksten door een particulier bedrijf laten verwijderen. Uit de toelichting ter terechtzitting door de raadsvrouw van de gemeente komt naar voren dat veel moeite is gedaan om de teksten te verwijderen. Eerst is getracht de teksten met hogedrukspuit (en water) te verwijderen, vervolgens is getracht om de teksten met een chemisch middel te verwijderen. De teksten konden daarmee niet volledig worden verwijderd, hetgeen logenstraft dat de verdachte (en haar mededaders) daarbij gebruik hebben gemaakt van ‘eenvoudig afwasbare’ krijtverf. Uiteindelijk zijn de betreffende delen van de wand overgeschilderd. Onder deze omstandigheden staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat de teksten die op 17 en 18 april 2023 zijn verwijderd door onder andere de verdachte zijn aangebracht. Hiermee is het causaal verband tussen het bewezenverklaarde feit en de schade gegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij de gevorderde schadebedragen voldoende onderbouwd. De hoogte van de gevorderde bedragen is door de verdediging ook niet gemotiveerd betwist. De schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit op dagvaarding I. De verdachte is daarom aansprakelijk voor de geleden schade.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij daarom toewijzen ter hoogte van het gevorderde bedrag, te weten € 9.634,63.

De rechtbank ziet geen aanleiding om dit bedrag te matigen.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 4 mei 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met anderen heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover (een) mededader(s) een bedrag aan de benadeelde partij heeft/hebben betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Geen schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan de verdachte geen verplichting opleggen tot betaling van het toegewezen bedrag aan de Staat. Naar het oordeel van de rechtbank is de ratio van de schadevergoedingsmaatregel zoals bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht dat natuurlijke personen bij de inning van de schadevergoeding worden ontlast. Van de gemeente Den Haag mag worden verwacht dat zij zelf de wegen kent om de toegewezen schadevergoeding bij de verdachte te incasseren. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel acht de rechtbank dan ook niet passend.

10. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: 9, 22c, 22d, 47, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 5.5 is verklaard;

verklaart het bewezenverklaarde ten aanzien van dagvaarding II niet strafbaar en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging;

verklaart het bewezen verklaarde ten aanzien van dagvaarding I strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

het medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf voor de tijd van 10 (TIEN) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 5 (VIJF) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

de vordering van de benadeelde partij Gemeente Den Haag

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om een bedrag van € 9.634,63, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 4 mei 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan de gemeente Den Haag;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

bepaalt dat als een mededader de toegewezen schadevergoeding en/of proceskosten deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.M. Krans, voorzitter,

mr. M. Rootring, rechter,

mr. E.R.F. van Engelen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Straaten, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.M. Krans
  • mr. M. Rootring
  • mr. E.R.F. van Engelen

Griffier

  • mr. M.F. van Straaten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand