RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.38962 (beroep) en NL24.38965 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. H. Koç),
en
(gemachtigde: mr. V.J.C.M. Tielemans).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige’. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert daarbij een aantal argumenten aan (de beroepsgronden). Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van eisers aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder eisers aanvraag heeft kunnen afwijzen. Verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser niet tijdig de vereiste stukken heeft overgelegd, waaronder het ondernemingsplan. Ook heeft verweerder eiser niet hoeven horen in bezwaar. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 30 september 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige’. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 19 december 2022 afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 4 oktober 2024 op het bezwaar heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond geacht en is verweerder bij afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en verzoeker heeft verzocht om een voorlopige voorziening.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben mr. B. Aydin als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Welke feiten en omstandigheden betrekt de rechtbank in haar oordeel?
3. Eiser is geboren op [datum] 1984 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige’. Eiser wil in Nederland als zelfstandige werken voor zijn stukadoorsbedrijf ‘ [naam bedrijf] ’, op grond van het tussen Turkije en de Europese Unie bestaande associatierecht (hierna: het Associatieverdrag).
Wat staat er in het bestreden besluit?
4. Verweerder heeft eisers aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige afgewezen, omdat eiser geen geldige mvv heeft en niet voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden. Voorts heeft eiser geen ondernemingsplan en niet voldoende onderbouwende stukken overgelegd, waardoor niet kan worden beoordeeld of met eisers bedrijfsactiviteiten een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. Verder ziet verweerder geen bijzondere omstandigheden om af te wijken van de beleidsregels en de aanvraag van eiser toch in te willigen. Ook stelt verweerder zich op het standpunt dat op grond van het voorgaande redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat eisers bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Verweerder heeft het bezwaar van eiser daarom kennelijk ongegrond verklaard. Daarom heeft verweerder van horen mogen afzien. Het terugkeerbesluit, dat in het primaire besluit is vastgesteld, geldt daarom nog steeds. Eiser moet de Europese Unie binnen vier weken verlaten en terugkeren naar Turkije.
Heeft verweerder kunnen concluderen dat er geen ondernemingsplan is overgelegd en de aanvraag kunnen afwijzen?
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte opmerkt dat het ondernemingsplan niet is overgelegd. Eiser is van mening dat het ondernemingsplan aan de gestelde voorwaarden in het beleid voldoet en specifiek genoeg is om de zaak aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) voor te leggen.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen ondernemingsplan en geen onderbouwende stukken heeft overlegd, afgezien van een uittreksel uit het Handelregister van de Kamer van Koophandel en een niet volledig ingevulde bijlage verklaring omtrent inkomen zelfstandig ondernemer. Hierdoor kan niet worden beoordeeld of met eisers bedrijfsactiviteiten een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift gesteld dat hij het ondernemingsplan, een referentiebrief, een vertaling van zijn certificaten en een bijlage verklaring omtrent inkomen zelfstandig ondernemer zal opsturen, maar eiser heeft dit zonder opgave van redenen niet gedaan.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat er geen verschoonbare reden is voor het feit dat eiser de vereiste stukken niet heeft overgelegd. De rechtbank stelt vast dat eiser voor het eerst in beroep een ondernemingsplan (gedateerd op januari 2022) heeft ingediend. Dit stuk betrekt de rechtbank niet bij haar beoordeling omdat verweerder in het primaire besluit duidelijk heeft opgesomd welke stukken eiser nog moest overleggen, en eiser heeft nagelaten om deze stukken in de bezwaarfase over te leggen. De rechtbank sluit voor dit oordeel aan bij de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 februari 2015, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de vreemdeling aanvullende stukken in de aanvraagfase, en uiterlijk in de bezwaarfase, moet verstrekken.
Ter zitting heeft eiser gesteld dat er een verschoonbare reden is voor de omstandigheid dat de stukken niet in de bezwaarfase aan verweerder zijn overgelegd. Volgens eiser was zijn voormalig gemachtigde ernstig ziek waardoor de stukken niet konden worden overgelegd aan verweerder. Ter onderbouwing heeft eiser een brief van 7 november 2022 aan het dossier toegevoegd, waarin de voormalige gemachtigde in een andere zaak aantoont dat zij was genoodzaakt om wegens gezondheidsredenen te pauzeren met de Beroepsopleiding Advocatuur. Verder wijst eiser op de gronden van het bezwaarschrift waarin wordt aangegeven dat het vanwege onmacht niet is gelukt om binnen de door verweerder gestelde termijn te reageren. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De voormalig gemachtigde van eiser heeft bij brief van 7 november 2022 in een andere zaak verweerder geïnformeerd dat zij vanwege gezondheidsredenen genoodzaakt is haar opleiding tot advocaat te pauzeren en dat zij verwacht zich na haar herstel weer te zullen inschrijven bij de Orde van Advocaten. De rechtbank stelt vast dat dit een brief is in een andere zaak, en dat een vergelijkbare brief kennelijk niet is verstuurd in onderhavige procedure. Bovendien zijn op 10 februari 2023 door de voormalig gemachtigde de gronden van bezwaar ingediend. In het bezwaarschift staat dat eiser aanvullende documentatie wil aanleveren waaronder een ondernemingsplan. Hieruit leidt de rechtbank af dat de voormalig gemachtigde op dat moment haar werkzaamheden kennelijk weer had hervat. Dat de voormalig gemachtigde in het bezwaarschrift stelt dat het haar vanwege onmacht niet is gelukt om binnen de door verweerder gestelde termijn te reageren, is – anders dan eiser stelt – naar het oordeel van de rechtbank evenmin terug te leiden naar de ziekte van de voormalig gemachtigde. Uit het bezwaarschrift valt af te leiden dat eiser herstel verzuim is geboden om de gronden aan te vullen, de termijn van twee weken niet was gehaald en dat de oorzaak volgens de voormalig gemachtigde was gelegen in de omstandigheid dat de post per abuis ergens anders was afgeleverd. Daar komt bij dat tussen het indienen van de gronden van bezwaar van 10 februari 2023 en het bestreden besluit van 4 oktober 2024 meer dan anderhalf jaar tijd zit en dat er in die tijd geen ondernemingsplan is ingediend. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder eiser moeten horen?
6. Eiser stelt dat niet kan worden gezegd dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Daarom is geen sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar en dient eiser in de gelegenheid te worden gesteld om op het bezwaar te worden gehoord. Over de onduidelijkheden die door verweerder zijn geconstateerd, kon tijdens de hoorzitting helderheid worden verschaft door gerichte vragen te stellen. Eiser had tijdens een hoorzitting feiten en omstandigheden naar voren kunnen brengen die tot gegrondverklaring van het bezwaar zouden kunnen leiden.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hoorplicht niet heeft geschonden. De rechtbank verwijst daartoe naar de Afdelingsuitspraak van 1 oktober 2025 waaruit volgt dat als een vreemdeling heeft nagelaten om essentiële stukken te verstrekken, terwijl het hem duidelijk was welke stukken hij nog moest overleggen, het minder in de rede ligt dat de vreemdeling wordt uitgenodigd voor een hoorzitting. Verweerder heeft in het primaire besluit duidelijk aangegeven op welke punten de aanvraag onvoldoende is onderbouwd en welke stukken eiser nog moest overleggen. Nu eiser ook in bezwaar de ontbrekende stukken niet heeft overgelegd, heeft verweerder kunnen vinden dat op voorhand vaststond dat het bezwaar niet tot een ander besluit kon leiden. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar en heeft daarom van het horen in bezwaar mogen afzien. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag heeft kunnen afwijzen. Omdat het beroep van eiser ongegrond is, krijgt eiser ook het griffierecht niet terug.
8. Nu de rechtbank beslist op het beroep en dit ongegrond verklaart, is er geen reden
meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst
daarom het verzoek daartoe af.
14. Voor een proceskostenvergoeding bestaat in beide zaken geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopig voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Broekhof, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.V. Kostiouk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.