RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] (eiseres) en
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24451
[eiser] (eiser),
tezamen eisers, V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer]
(gemachtigde: mr. L.M. Straver),
en
(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).
Inleiding en procesverloop
1. [referent] (referent) heeft een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingediend voor zijn moeder [eiseres] (eiseres) en zijn broer [eiser] (eiser).
De minister heeft deze aanvraag met een besluit van 18 september 2024 afgewezen. Daartegen is bezwaar gemaakt, maar de minister is met het besluit van 1 mei 2025 (bestreden besluit) bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
2. De minister heeft zich op het standpunt gesteld, voor zover hier van belang, dat tussen eisers en referent geen familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat. Nu het gaat om volwassen familieleden moeten er immers bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn om familieleven aan te nemen, en die zijn er niet.
Eisers voeren aan dat er wel bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn. Zij hebben in Afghanistan lange tijd met referent samengewoond en zijn financieel volledig van hem afhankelijk. Ook is er sprake van medische en emotionele afhankelijkheid: referent is van eisers afhankelijk vanwege zijn PTSS-klachten en eisers zijn vanwege hun gezondheidssituatie afhankelijk van referent.
Weliswaar hebben eisers en referent in Afghanistan lange tijd samengewoond, maar dat is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verder staat wel vast dat referent financiële steun biedt aan eisers, maar eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij op financieel gebied helemaal van referent afhankelijk zijn. Ook de gezondheidssituatie van eisers en referent biedt geen grond voor het oordeel dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hoewel begrijpelijk is dat eisers en referent in elkaars nabijheid willen verkeren, is immers niet gebleken van een grote zorgbehoefte in de relatie tussen eisers enerzijds en referent anderzijds. Eisers hebben weliswaar onderbouwd dat zij bepaalde gezondheidsklachten hebben, maar zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij in dit verband afhankelijk zijn van referent. Evenzo geldt dat niet aannemelijk is geworden dat referent afhankelijk is van de zorg of steun van eisers. Ook de overige omstandigheden die eisers hebben aangevoerd kunnen niet tot de conclusie leiden dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De beroepsgrond slaagt niet.
Hoorplicht
3. De minister heeft in de bezwaarprocedure geen hoorzitting gehouden, omdat de bezwaargronden en het ingediende stuk (een rapport van 12 september 2023) geen twijfel of onduidelijkheid opriepen. Het bezwaar was daarom kennelijk ongegrond.
Eisers voeren aan dat de minister de hoorplicht in de bezwaarprocedure heeft geschonden. Zij wijzen daartoe onder andere op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 juli 2022.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 volgt dat het uitgangspunt in vreemdelingenzaken is dat in bezwaar een hoorzitting plaatsvindt. Dit uitgangspunt geldt te meer in zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt, zoals zaken als deze waarin artikel 8 van het EVRM een rol speelt.
Daar komt bij dat de minister ter zitting van de rechtbank heeft erkend dat hij in het bestreden besluit ten onrechte heeft aangenomen dat alleen het rapport van 12 september 2023 nieuw was. In de bezwaarprocedure was immers ook een brief van een Afghaanse arts van 19 december 2024 overgelegd. Ook is in het bezwaarschrift gemotiveerd ingegaan op de tegenwerpingen in het besluit van 18 september 2024. De minister had eisers daarom moeten horen. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat de minister de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, gelet op wat in de beroepsfase aan de orde is gekomen.
5. Omdat het beroep gegrond is verklaard, moet de minister het door eisers betaalde griffierecht van € 194,- vergoeden. De minister moet ook de proceskosten van eisers vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op een totaal van € 1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 907,- met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- met een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 1 mei 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.814,-;
- bepaalt dat de minister het door eisers betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 16 april 2026
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.