RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22390
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en
(gemachtigde: B. Pattiata).
Procesverloop
Bij besluit van 19 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank kunnen doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Er vloeit namelijk een significant risico uit voort dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Maximale duur van bewaring
3. Eiser betoogt dat het niet toegestaan is om in totaal langer dan zes maanden op grond van hetzelfde terugkeerbesluit in bewaring te zitten. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148 (Aroja), volgt dat bij een totale duur van zes maanden verweerder een verlengingsbesluit moet nemen. Verweerder heeft dat ten onrechte niet gedaan. Volgens eiser kan het Aroja-arrest op overeenkomstige wijze worden toegepast op een maatregel van bewaring die ziet op een overdrachtsbesluit.
4. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Uit het Aroja-arrest volgt dat verweerder bij een totale duur van zes maanden bewaring ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit, een verlengingsbesluit moet nemen. Alle afzonderlijke periodes van bewaring die in het kader van datzelfde terugkeerbesluit zijn opgelegd, moeten bij elkaar worden opgeteld.
5. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat eiser de volgende periodes, afgezien van de huidige inbewaringstelling, in bewaring heeft gezeten:
6. Gelet op het feit dat de huidige maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw, is opgelegd en niet op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, is de rechtbank van oordeel dat het betoog van eiser niet opgaat. Er is dan ook geen sprake van een totale periode van langer dan zes maanden ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de maximale bewaringsduur is overschreden. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op overdracht
7. Eiser voert aan dat niet duidelijk is of er zicht is op overdracht naar Zwitserland en of er al concrete stappen zijn gezet om hem over te dragen.
8. Uit het dossier blijkt dat op 19 april 2026 aan eiser de maatregel is opgelegd, op 21 april 2026 de Zwitserse autoriteiten zijn verzocht om eiser terug te nemen en op 28 april 2026 zijn de Zwitserse autoriteiten akkoord gegaan. Op 29 april 2026 heeft verweerder een overdrachtsbesluit genomen. Hiermee handelt verweerder voldoende voortvarend. De rechtbank ziet niet in waarom er geen zicht op overdracht is naar Zwitserland. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
9. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.