ECLI:NL:RBDHA:2026:12947

ECLI:NL:RBDHA:2026:12947

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 06-05-2026
Datum publicatie 21-05-2026
Zaaknummer NL26.22854
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewaring, vervolgberoep, toetsingskader, voortvarend handelen, zicht op uitzetting, lichter middel, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.22854

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P. Celikkal),

en

Procesverloop

Verweerder heeft op 18 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het vooronderzoek op 29 april 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Voortvarend handelen

Toetsingskader

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 maart 2026 (in de zaak NL26.9176) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 25 februari 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 25 februari 2026 tot 29 april 2026.

3. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Op 10 februari 2026 is een aanvraag voor een laissez-passer (lp) gestart en op 18 februari 2026 is deze doorgestuurd naar de Marokkaanse autoriteiten. Volgens eiser is het enkel schriftelijk rappelleren bij de Marokkaanse autoriteiten onvoldoende. Niet is gebleken van actieve diplomatieke bemoeienis, fysieke presentatie bij de autoriteiten of andere concrete uitzettingshandelingen. Ook is er geen duidelijkheid over het aanvullend identiteitsonderzoek dat is uitgezet op 10 februari 2026 naar aanleiding van een EU-VIS hit in Spanje.

4. Uit het dossier blijkt dat op 18 februari 2026 bij de Marokkaanse autoriteiten een aanvraag is ingediend tot het verstrekken van een lp. Dit lp-traject loopt nog en verweerder heeft in de te toetsen periode 3 keer gerappelleerd, namelijk op 12 maart 2026, 2 april 2026 en 23 april 2026. Daarnaast blijkt uit het voortgangsrapport dat er in de te toetsen periode op 18 maart 2026 en 15 april 2026 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden. Vertrekgesprekken zijn uitzettingshandelingen. Ook is gerappelleerd op 18 maart 2026 over het aanvullend identiteitsonderzoek in Spanje. De aanvraag van het identiteitsonderzoek is tot 26 november 2026 geldig. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende voortvarend handelt en werkt aan eisers uitzetting. De beroepsgrond slaagt niet.

Zicht op uitzetting

5. Eiser betoogt dat er geen zicht op uitzetting naar Marokko is binnen een redelijke termijn. Volgens eiser is er geen concrete aanwijzing dat de lp-aanvraag op korte termijn zal leiden tot het verkrijgen van een reisdocument. De voortgang is volledig afhankelijk van de Marokkaanse autoriteiten zonder dat verweerder inzichtelijk maakt wanneer en onder welke omstandigheden resultaat verwacht kan worden.

6. De rechtbank verwijst naar haar eerdere uitspraak van 3 maart 2026 (in de zaak NL26.9176) waarin het lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten uiteengezet is en waaruit volgt dat in het algemeen zicht op uitzetting naar Marokko bestaat. Dat er tot op heden, na ruim 2 maanden, nog niet (met het verstrekken van een lp) is gereageerd op de rappels die door verweerder zijn gestuurd, is onvoldoende om aan te nemen dat er in eisers concrete geval geen zicht op uitzetting bestaat. Met een lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten gaat in het algemeen de nodige tijd (meerdere maanden) gemoeid. De Marokkaanse autoriteiten hebben niet te kennen gegeven geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. Daar komt bij dat door eiser geen (nieuwe) concrete aanknopingspunten naar voren zijn gebracht die erop wijzen dat het zicht op uitzetting in zijn specifieke geval ontbreekt. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

7. Eiser betoogt dat verweerder een te weinig concrete en individuele belangenafweging heeft gemaakt. Eisers omstandigheden zijn niet kenbaar betrokken en meegewogen. Eiser verblijft in het Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht, hetgeen wijst op een kwetsbare psychische toestand. Daarnaast blijkt uit het vertrekgesprek dat eiser medicatie gebruikt die essentieel is voor zijn stabiliteit en dat hij aangeeft deze langdurig nodig te hebben. Eiser bevindt zich bovendien, met onderbrekingen, sinds december 2025 in detentie en opnieuw sinds februari 2026 in bewaring. De belangenafweging moet daarom in zijn voordeel uitvallen. Verweerder moet aan eiser een lichter middel opleggen, met name nu eiser tijdens zijn vertrekgesprek op 15 april 2026 heeft verklaard terug te keren bij afgifte van een lp en hiermee sprake is van medewerking aan zijn overdracht. Eiser onderhoudt met zijn familie, heeft pogingen gedaan documenten te verkrijgen via zijn moeder en heeft verklaard terug te keren indien een reisdocument wordt verkregen. Er is volgens eiser daarom geen sprake meer van een onttrekkingsrisico. De voortduring van de bewaring is niet langer proportioneel en de maatregel van bewaring is onrechtmatig.

8. De rechtbank stelt voorop dat in de uitspraak van 3 maart 2026 (in de zaak NL26.9176) is geoordeeld dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet met een lichter middel kon worden volstaan. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 9. van die uitspraak en sluit zich daarbij aan. Daarin is ook eisers psychische problematiek besproken. Eiser heeft verder geen feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat de belangenafweging nu wel in zijn voordeel zou moeten uitvallen. Tijdens alle vertrekgesprekken, op 10 februari 2026, 23 februari 2026, 18 maart 2026 en 15 april 2026 heeft eiser duidelijk gemaakt dat hij niet wenst terug te keren naar Marokko. Eisers standpunt dat hij wel degelijk meewerkt, is onvoldoende voor het oordeel dat maatregel niet langer proportioneel is. Van een verzwaarde belangenafweging is nog geen sprake, nu gesteld noch gebleken is dat eiser meer dan zes maanden in bewaring verblijft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het belang bij het in bewaring houden van eiser met het oog op zijn uitzetting zwaarder weegt, dan het belang van eiser bij zijn in vrijheidstelling. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

9. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 25 februari 2026 tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Er is ook niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (zoals bedoeld in het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.C. Harting

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand