Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/30
zaak- /rekestnummer: C/09/703800 / KG RK 26-678
Beslissing van 7 mei 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. C. van Hees,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de zitting van 21 april 2026;
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 22 april 2026;
- de schriftelijke reactie van de rechter, ter griffie van de wrakingskamer ingekomen op 23 april 2026.
Op 23 april 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn
verzoeker en de rechter verschenen. Ter zitting heeft verzoeker spreekaantekeningen voorgedragen en overgelegd.
De wederpartij in de hoofdzaak is uitgenodigd om als toehoorder op de zitting van de wrakingskamer aanwezig te zijn, maar is niet verschenen.
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met zaak- en rekestnummer
C/09/702776 \ FA RK 26-3369 tussen [de moeder] (hierna: de moeder) als verzoekende partij en verzoeker als verwerende partij (hierna: de hoofdzaak). De hoofdzaak betreft een procedure waarin door de moeder vervangende toestemming is verzocht om met de minderjarige dochter van haar en verzoeker op reis te kunnen gaan. Verzoeker heeft zijn toestemming voor de reis vóór de zitting in de hoofdzaak, die plaatsvond op 21 april 2026, aan de moeder verleend, waarna de moeder op de zitting haar verzoek tot vervangende toestemming heeft ingetrokken onder handhaving van haar verzoek om de vader in de proceskosten te veroordelen.
Verzoeker heeft, zoals nader toegelicht tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek, aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij vreest dat de rechter niet zonder vooroordeel en/of partijdigheid en/of vooringenomenheid ten opzichte van hem staat, dan wel dat de schijn van partijdigheid is gewekt. Aanleiding daarvoor is, aldus verzoeker, een combinatie van de navolgende omstandigheden die zich tijdens de zitting in de hoofdzaak hebben voorgedaan:
- onjuiste feitelijke aannames;
- het ontbreken van een open, neutrale bevraging;
- het presenteren van verwijten als uitgangspunt;
- het overnemen, althans in ieder geval uitspreken, van het verwijtende perspectief van de wederpartij;
- het herhaald kwalificeren van het handelen van verzoeker als “aan het lijntje houden”;
- het aankondigen van een proceskostenveroordeling voordat het standpunt van verzoeker behoorlijk was gewogen.
Naar aanleiding van de ontvangst van het proces-verbaal van de zitting heeft verzoeker deze omstandigheden op de zitting van de wrakingskamer aangevuld met het volgende:
- de rechter stelde géén inhoudelijke, laat staan kritische, vraag aan de moeder;
- de rechter vroeg de moeder of een proceskostenveroordeling zou “helpen”, waarmee de beslissing bij de moeder werd gelegd;
- de rechter belde verzoeker onverwachts op en sprak hem verwijtend en boos toe;
- de rechter wilde weten hoe het bij verzoeker thuis gaat en wat de minderjarige dochter daarvan meekrijgt, terwijl dat volledig buiten het verzoekschrift viel;
- de lijn in alles is: verzoeker helpen, verzoeker waarschuwen en hem aan het denken zetten, hetgeen nog maar heel weinig met objectieve rechtspraak te maken heeft;
- de rechter heeft zelf gezegd dat hij een eenzijdig beeld kreeg.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Hij heeft in zijn reactie aangegeven dat hij zich kan voorstellen dat verzoeker zich overvallen voelde toen hij gebeld werd, maar hij gelooft niet dat de vrees van verzoeker voor vooringenomenheid of partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. De rechter heeft verzoeker in de gelegenheid gesteld zijn visie te geven op de situatie rondom het geven van toestemming voor de reis en heeft verzoeker kritisch gevraagd naar zijn handelen. Hij heeft dit handelen op enig moment gekwalificeerd als het “aan het lijntje houden” en heeft verzoeker vervolgens laten weten hem in de proceskosten te gaan veroordelen. De rechter begrijpt dat dit een onprettige boodschap was voor verzoeker, maar hij heeft zijn werk naar eer en geweten gedaan in het belang van alle betrokkenen.
3. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
Ontvankelijkheid
Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek is komen vast te staan dat in de hoofdzaak (na de zitting) nog moest worden beslist op het verzoek van de moeder om een proceskostenveroordeling. Dat betekent dat verzoeker belang heeft bij een beslissing op het wrakingsverzoek. Verzoeker is in zoverre dan ook ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Uit het proces-verbaal van de zitting in de hoofdzaak volgt dat de zitting is aangevangen in aanwezigheid van de rechter, de griffier, de moeder en haar advocaat. Verzoeker verscheen niet. De rechter heeft er voor gekozen om op enig moment tijdens de zitting telefonisch contact met verzoeker op te nemen en hem aldus (telefonisch) aan de zitting te laten deelnemen. In dit telefoongesprek met verzoeker heeft de rechter echter nagelaten te benoemen wat er tot op dat moment al ter zitting (inhoudelijk) was besproken en ook na de beëindiging van het telefoongesprek met verzoeker is - zo blijkt uit het proces-verbaal - de zitting, buiten aanwezigheid van verzoeker en zonder dat hij daarvan op de hoogte was, nog verder gegaan. Ook toen is inhoudelijk gesproken over de zaak. Daarnaast heeft de rechter, zo volgt ook uit het proces-verbaal van de zitting, met de moeder en haar advocaat gesproken over (persoonlijke) omstandigheden die verzoeker betreffen en daarover vragen aan de moeder gesteld. Dit alles vond plaats op een moment waarop verzoeker nog niet telefonisch bij de zitting aanwezig was en verzoeker is er pas na de ontvangst van het proces-verbaal van op de hoogte geraakt dat deze omstandigheden ter zitting besproken zijn. Verzoeker heeft ook daarop niet kunnen reageren. Daarbij komt dat de bedoelde omstandigheden geen verband houden met het enige op dat moment nog voorliggende verzoek van de moeder, namelijk het verzoek om een proceskostenveroordeling.
Door ervoor te kiezen verzoeker, die niet ter zitting was verschenen, op te bellen, maar hem vervolgens niet te informeren over hetgeen daaraan voorafgaand met de andere procespartij was besproken en de zitting voorts, na het verbreken van de telefonische verbinding, voort te zetten, heeft de rechter verzoeker de mogelijkheid ontnomen om op hetgeen op die momenten is besproken, te reageren en zijn visie daarop uiteen te zetten. Daarmee heeft de rechter bewerkstelligd dat aan de beide partijen niet in dezelfde mate mogelijkheden zijn geboden om hun standpunt kenbaar te maken.
Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft, door dit handelen van de rechter, bij verzoeker de (objectief gerechtvaardigde) schijn van partijdigheid van de rechter kunnen ontstaan. Het wrakingsverzoek wordt dan ook toegewezen. Dat de rechter, zoals hij op de mondelinge behandeling nog heeft aangevoerd, altijd zijn zorgen bespreekt als er zorgen zijn over betrokken kinderen, maakt het oordeel van de wrakingskamer niet anders, omdat deze zorgen niet ook met verzoeker zelf zijn gedeeld en besproken toen er voor is gekozen hem telefonisch aan de zitting te laten deelnemen.
4. De beslissing
De wrakingskamer
wijst het verzoek tot wraking toe;
bepaalt dat het geschorste onderzoek ter zitting in de hoofdzaak met ingang van heden opnieuw een aanvang neemt en schorst dit onderzoek totdat het onderzoek door een andere rechter in deze rechtbank, belast met de behandeling van familiezaken, zal zijn hervat;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. E.A.W. Schippers, J.E. Bierling en E.E. Schotte, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.