ECLI:NL:RBDHA:2026:12964

ECLI:NL:RBDHA:2026:12964

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-05-2026
Datum publicatie 21-05-2026
Zaaknummer NL26.26735
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Eerste beroep vreemdelingenbewaring – bewaring reeds opgeheven – juistheid machtiging tot binnentreden – betwisting van de gronden – lichter middel – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.26735

(gemachtigde: mr. D. Matadien),

en

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 15 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser is overgedragen aan de Duitse autoriteiten.

De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1987 en de Libische nationaliteit te hebben.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Machtiging tot binnentreden

3. Eiser voert aan de binnentreding in zijn kamer onrechtmatig is geweest. Op de machtiging tot binnentreden staat een verkeerd huisnummer vermeld en daarnaast bevat het proces-verbaal van binnentreden tegenstrijdigheden.

4. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Het digitale dossier bevat een proces-verbaal van bevindingen van 8 mei 2026 waarin de verbalisant aan wie de machtiging tot binnentreden is gegeven heeft toegelicht dat bij het opmaken van de machtiging – en daardoor automatisch ook het proces-verbaal van binnentreden – per abuis het [adres 1] is vermeld in plaats van [adres 2] . Met dit proces-verbaal van bevindingen is dit gecorrigeerd. De vermelding van het verkeerde adres in het proces-verbaal van binnentreden leidt dan ook niet tot een onrechtmatigheid. Verder is ook niet gebleken van tegenstrijdigheden in het proces-verbaal van binnentreden die tot onrechtmatigheid leiden.

Staandehouding en ophouding

5. Eiser voert aan dat de staandehouding en ophouding niet rechtmatig en proportioneel waren.

6. Uit het proces-verbaal van staandehouding/overbrenging/ophouding blijkt dat de staandehouding en ophouding hebben plaatsgevonden op grond van artikel 50a, eerste lid, van de Vw. Dit artikel maakt het mogelijk een vreemdeling staande te houden en op te houden indien dit nodig is voor de voorbereiding van een maatregel van bewaring op grond van (onder meer) artikel 59a van de Vw. Verweerder heeft in het proces-verbaal en ook ter zitting toegelicht dat de staandehouding en ophouding noodzakelijk waren om tot inbewaringstelling van eiser te komen. De enkele stelling van eiser dat de staandehouding en ophouding niet proportioneel en rechtmatig waren omdat hij ook op een andere manier opgeroepen had kunnen worden, wordt dan ook niet gevolgd.

Gronden van de maatregel

7. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zou onderduiken.

Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

8. Eiser betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd.

9. De rechtbank stelt vast dat zware grond 3a feitelijk juist is, omdat eiser zonder paspoort met geldig visum of machtiging tot voorlopig verblijf Nederland is ingereisd. Daarnaast is ook zware grond 3b feitelijk juist, omdat eiser op 3 maart 2026 met onbekende bestemming is vertrokken en zich niet meer heeft gehouden aan zijn meldplicht. Uit de maatregel blijkt dat eiser zich pas op 20 april 2026 weer gemeld heeft in [plaats] . De zware gronden 3a en 3b kunnen de maatregel van bewaring samen dragen. De feitelijke juistheid van deze gronden maakt dat het significante risico op onderduiken kan worden aangenomen. Wat eiser tegen de overige gronden heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen nadere bespreking.

Lichter middel

10. Eiser voert verder aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen.

11. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om het significante risico op onderduiken te ondervangen. Daarbij heeft verweerder terecht van belang geacht dat het opleggen van een meldplicht of het plannen van een vertrekgesprek niet heeft geleid tot de overdracht van eiser en eiser bij een eerder geplande overdracht naar Duitsland met onbekende bestemming is vertrokken. Ook de door eiser aangevoerde medische omstandigheden zijn meegewogen in de maatregel van bewaring. Verweerder heeft daarbij terecht overwogen dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij. Verder is niet gebleken van omstandigheden die de bewaring voor eiser onredelijk bezwarend maken. Eiser heeft verder gesteld dat hij in het detentiecentrum niet de benodigde medische zorg krijgt, gelet op zijn psychische klachten en verslaving. Deze stelling van eiser is verder niet nader onderbouwd. Verder is de rechtbank van oordeel dat - indien eiser van mening is dat hij niet de benodigde medische zorg ontvangt - hij op grond van de Pbw een klacht kan indienen tegen de medische dienst van het detentiecentrum.

Voortvarend handelen

12. Eiser voert tot slot aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

13. Verweerder heeft toegelicht dat op de dag van de inbewaringstelling de overdracht is aangekondigd bij de Duitse autoriteiten en dat eiser daarna binnen een week, namelijk op 15 mei 2026, is overgedragen. Daarmee heeft verweerder naar oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend gewerkt aan de overdracht van eiser.

Ambtshalve toets

14. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets bestaat naar oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 21 mei 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.F. Bethlehem

Griffier

  • mr. W. van Loon

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand