RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26933
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en
(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).
Procesverloop
Bij besluit van 12 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1992 en de Turkse nationaliteit te hebben.
Verblijfsrecht in Italië
2. Eiser voert aan dat ten onrechte de maatregel van bewaring aan hem is opgelegd, omdat hij rechtmatig verblijf heeft in Italië. Eiser is dan ook ten onrechte aangemerkt als een onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling. Ter onderbouwing van het rechtmatig verblijf in Italië heeft eiser diverse foto’s overgelegd, onder meer van een Italiaanse identiteitskaart en zijn in Italië ingediende asielaanvraag.
3. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Uit het dossier volgt dat de Italiaanse autoriteiten, na navraag door de Nederlandse autoriteiten, te kennen hebben gegeven dat eisers rechtmatige verblijf in Italië op 11 mei 2026 is geëindigd. Verweerder heeft toegelicht dat eiser procedureel rechtmatig verblijf, hangende zijn asielaanvraag, had in Italië en dat dit is komen te vervallen op het moment dat bij de Italiaanse autoriteiten bekend is geworden dat eiser buiten Italië verbleef. Gelet hierop heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser geen verblijfsrecht heeft in Italië en heeft hij eiser terecht in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De door eiser overgelegde foto’s leiden niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft hierover terecht overwogen dat deze stukken zien op de situatie voordat eiser Italië was uitgereisd en zijn rechtmatig verblijf daardoor is vervallen. Hiermee heeft eiser dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij, anders dan uit de informatie van de Italiaanse autoriteiten volgt, momenteel wel degelijk rechtmatig verblijf heeft in Italië.
Uitreiking besluit van 27 april 2026
4. Eiser voert verder aan dat het besluit van 27 april 2026 over de door eiser in Nederland ingediende asielaanvraag niet aan hem is uitgereikt en dus niet bij hem bekend is.
5. Verweerder heeft toegelicht dat het besluit van 27 april 2026 aan de asieladvocaat van eiser is toegezonden. Daarmee heeft verweerder besluit het op de juiste manier bekendgemaakt. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat eiser niet wist van het besluit.
Gronden van de maatregel
6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten
grondslag liggen niet heeft betwist. Deze zware en lichte gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden kunnen de maatregel dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven.
Het beginsel van non-refoulement
8. Eiser voert aan dat hij bij uitzetting naar Turkije in levensgevaar wordt gebracht, omdat hij in Turkije wordt gezocht als Gülenaanhanger.
9. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij bij zijn asielaanvraag alle redenen heeft verteld waarom hij te vrezen zou hebben voor zijn leven in Turkije en dat daar geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn bijgekomen. Verweerder heeft dan ook terecht verwezen naar het asielbesluit van 27 april 2026, nu daarin de redenen zijn betrokken waarvoor eiser stelt te vrezen, en overwogen dat niet is gebleken dat moet worden afgezien van de uitzetting van eiser vanwege het risico op refoulement.
Ambtshalve toets
10. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 21 mei 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.