[naam], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: L. Ploeger).
Inleiding
1. De minister heeft op 2 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 mei 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Hij heeft zich op de rechtbank in Groningen laten bijstaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
2. Eiser heeft op 16 december 2024 en op 2 maart 2026 een asielaanvraag ingediend. Beide aanvragen zijn niet in behandeling genomen, omdat Kroatië volgens de minister verantwoordelijk is.
Eiser is eerder, op 27 februari 2026, in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vw. Deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, heeft het hiertegen door eiser ingestelde beroep op 17 maart 2026 ongegrond verklaard en onder andere geoordeeld dat de minister niet hoefde te toetsen aan het non-refoulementbeginsel. De Afdeling heeft het hiertegen ingestelde hoger beroep op 22 april 2026 ongegrond verklaard met als reden dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden.
Eiser is op 3 april 2026 overgedragen aan Kroatië. Op 2 mei 2026 is eiser door de Duitse autoriteiten overgedragen aan Nederland, waarna hij opnieuw in bewaring is gesteld.
De maatregel van bewaring
3. Volgens de minister bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht aan Kroatië als bedoeld in de Dublinverordening en is daarnaast sprake van een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft op 11 mei 2026 een claimverzoek aan Kroatië gedaan. Hierop is nog geen akkoord ontvangen.
Non-refoulementtoets
4. Eiser betoogt, onder verwijzing naar het Adrar-arrest, dat uit de motivering in de bestreden maatregel niet blijkt dat de minister bij het opleggen van de bewaring heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen eisers overdracht aan Kroatië. Volgens eiser is de maatregel daarom onrechtmatig.
De minister stelt zich op het standpunt dat geen toets aan het non-refoulementbeginsel hoeft plaats te vinden, omdat geen sprake is van een terugkeerprocedure in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026 gaat over de Terugkeerrichtlijn, terwijl deze maatregel van bewaring betrekking heeft op de Dublinverordening.
Bewaring met als doel uitzetting
5. In de uitspraak van 12 februari 2025 gaat de Afdeling in op de gevolgen van het Adrar-arrest voor de minister en de bewaringsrechter die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. Uit die uitspraak volgt dat de minister voordat de bewaringsmaatregel wordt opgelegd, moet nagaan of het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting verzet. In het gehoor moeten de vreemdeling daarom vragen worden gesteld hierover en het resultaat van het onderzoek en de voorbereiding moeten in de motivering van de maatregel worden vastgelegd. Als een vreemdeling eerder een asielprocedure heeft doorlopen en de minister besluit om deze vreemdeling op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring te stellen, moet hij in de maatregel van bewaring vooral motiveren dat en waarom hij van oordeel is dat wat een vreemdeling tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft aangevoerd geen gewijzigde omstandigheden of nieuwe elementen zijn, zodat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat een vreemdeling in zijn of haar land van bestemming een reëel risico zal lopen op een behandeling verboden door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het Handvest. Als de minister zijn standpunt dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van een vreemdeling verzet niet of niet deugdelijk in de maatregel van bewaring heeft gemotiveerd, moet de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring gegrond verklaren en de bewaring opheffen, omdat zicht op uitzetting een vereiste is voor rechtmatige bewaring. Voor wat betreft de motivering heeft de Afdeling in de uitspraak van 25 maart 2026 geoordeeld dat niet altijd sprake hoeft te zijn van een uitdrukkelijke motivering dat er geen refoulementrisico is.
Bewaring met als doel overdracht
6. De rechtbank oordeelt dat ook bij het opleggen van een maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vw, dus met het oog op overdracht aan een andere lidstaat, een refoulementtoets moet worden verricht door de minister. Dit wordt hierna uitgelegd.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het enige vereiste van artikel 59a van de Vw is dat artikel 28 van de Dublinverordening in acht moet worden genomen. Volgens de bewoordingen van die bepaling heeft bewaring tot doel om een overdracht overeenkomstig de Dublinverordening veilig te stellen. Een bewaring krachtens artikel 59a van de Vw kan worden toegepast zolang een overdracht mogelijk is. Omdat het opleggen van een maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vw een bezwarend besluit is, moet de minister volgens de Afdeling, voor hij de vreemdeling in bewaring stelt, een onderzoek verrichten naar de voor de bewaring relevante feiten en aan de hand van deze feiten beoordelen of een concreet aanknopingspunt bestaat en of een voor een overdracht vastgestelde termijn niet is verstreken. Bewaring op grond van artikel 59a van de Vw is dus alleen aan de orde als een overdracht mogelijk is.
De rechtbank overweegt dat bij een overdracht het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. Dit is anders als er concrete aanknopingspunten zijn waaruit moet worden afgeleid dat de lidstaat waaraan de vreemdeling zou worden overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt en er bij overdracht een reëel risico is op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Ook wanneer het land van bestemming een lidstaat is waarbij in algemene zin mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, moet worden uitgesloten dat de vreemdeling daar in zijn specifieke geval een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het Handvest verboden behandelingen. De rechtbank wijst in dat verband ook op artikel 4, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Als er een refoulementrisico is, is een overdracht niet mogelijk en dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat geen bewaringsmaatregel op grond van artikel 59a van de Vw kan worden opgelegd.
Het voorgaande betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de minister, voorafgaand aan het opleggen van de bewaringsmaatregel, moet nagaan of het beginsel van non-refoulement zich tegen de overdracht verzet. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen hiervoor, onder rechtsoverweging 5, is overwogen over het onderzoek dat de minister moet verrichten en de motivering in het besluit tot bewaring ook geldt voor de bewaringsmaatregel op grond van artikel 59a van de Vw.
Toepassing in deze zaak
7. De rechtbank stelt vast dat de minister in het besluit van 20 maart 2026, waarbij de asielaanvraag van eiser niet in behandeling is genomen, heeft getoetst aan het non-refoulementbeginsel.
Eiser heeft vervolgens op 2 mei 2026, in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling, verklaard dat hij bang is om teruggestuurd te worden naar Kroatië. Hij zegt dat de omstandigheden daar slecht zijn en dat hij daar in de bossen veel heeft meegemaakt. Volgens eiser is hij, nadat hij eerder werd teruggestuurd naar Kroatië, daar opgewacht door de Kroatische politie. Eiser kreeg een adres van een opvangkamp, waar hij heeft verbleven in een container. Volgens eiser was het daar verschrikkelijk en werd hij uitgescholden als hij naar de supermarkt ging.
Hoewel er in het geval van eiser wellicht onvoldoende aanleiding is om aan te nemen dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij in Kroatië een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het Handvest verboden behandelingen, had de minister er in het besluit wel blijk van moeten geven dat hij bij het opleggen van de maatregel die beoordeling heeft gemaakt. Dat heeft de minister niet gedaan. De gemachtigde van de minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat volgens de minister een dergelijke toets niet hoeft plaats te vinden. De rechtbank oordeelt dat daarom niet deugdelijk is gemotiveerd dat er een concreet aanknopingspunt voor overdracht is. Omdat dit een voorwaarde is om eiser op grond van artikel 59a van de Vw in bewaring te stellen, ziet de rechtbank geen ruimte om een belangenafweging te maken.
Het beroep is gelet op het voorgaande gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag, 21 mei 2026.
Schadevergoeding en proceskosten
8. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen omdat eiser onrechtmatig in bewaring heeft gezeten. Deze schadevergoeding bedraagt € 2.440,- (1 dag verblijf politiecel x € 160,- en 19 dagen in een detentiecentrum x € 120,-).
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Conclusie
9. Het beroep is gegrond. De maatregel moet met ingang van vandaag, 21 mei 2026, worden opgeheven. Eiser krijgt een schadevergoeding en de minister moet de proceskosten van eiser vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 21 mei 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.440,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van E.S. Tiggelaar, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.