ECLI:NL:RBDHA:2026:13038

ECLI:NL:RBDHA:2026:13038

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 22-05-2026
Zaaknummer C/09/684108 / FA RK 25-3056
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Kosten DNA-onderzoek gelijk verdelen. Vaststellen kinderalimentatie, waarbij de draagkracht van beide ouders bij gebrek aan volledige financiële gegevens gelijk zal worden verdeeld over het aantal kinderen

Uitspraak

Alimentatie

Beschikking op het op 23 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw]

,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. F.G.T. Meershoek te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man]

,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M.P.G. Roobeek te Mijdrecht.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- de brief van 12 februari 2026, met bijlagen, namens de vrouw;

- de brief van 12 februari 2026, met bijlagen, namens de man;

- de brief van 23 februari 2026, met bijlagen, namens de vrouw.

Op 24 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn de vrouw en de man, bijgestaan door hun advocaten, verschenen.

Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- het bericht van 2 april 2026, met als bijlage het Rapport verwantschapsanalyse van 30 maart 2026 van Verilabs, namens de vrouw.

Feiten

- Uit de vrouw is het volgende minderjarige kind geboren:

- [minderjarige 1], op [geboortedatum 1] 2025 te

[geboorteplaats 1].

- De man heeft [minderjarige 1] niet erkend.

- De vrouw is van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1].

- [minderjarige 1] verblijft bij de vrouw.

- De vrouw heeft uit een eerdere relatie een dochter [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats 2].

- De man heeft uit een eerder relatie met [naam] een dochter [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2010.

- De man heeft met zijn huidige partner dochter [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2020.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw luidt, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] op € 750,- per maand te bepalen,

althans op zodanig bedrag en met zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de man zelfstandig verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

De vrouw voert – onder referte ten aanzien van het verzoek van de man tot een DNA-onderzoek – nog verweer tegen het verzoek van de man dat de kosten van het DNA-onderzoek tussen partijen dienen te worden gedeeld, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

De vrouw verzoekt dat de man aan haar een kinderalimentatie voor [minderjarige 1] zal betalen. De man verweert zich in zoverre hiertegen dat hij eerst wil laten vaststellen of hij de biologische vader van [minderjarige 1] is.

DNA-onderzoek

De vrouw stelt dat de man de biologische vader is van [minderjarige 1]. De man twijfelt hierover. Volgens de man hebben partijen slechts één keer –in een opwelling– gemeenschap met elkaar gehad. Daarnaast had de vrouw een zeer wisselende houding bij informatiedeling over de zwangerschap en over het al dan niet laten verrichten van een abortus. De man wil daarom door middel van DNA-onderzoek eerst laten vaststellen of hij de biologische vader is. Volgens de man wil de vrouw wel meewerken aan DNA-onderzoek, maar wil ze niet de kosten van het DNA-onderzoek tussen partijen delen, zoals hij verzoekt.

De vrouw kan zich vinden in DNA-onderzoek, maar verzet zich tegen het delen van de kosten van dit onderzoek. De vrouw stelt geen twijfel te hebben dat de man de biologische vader van [minderjarige 1] is. Als de man een DNA-onderzoek wenst, moet hij volgens de vrouw de volledige kosten van het onderzoek dragen.

Op de zitting hebben partijen afgesproken dat zij zelf een DNA-onderzoek bij Verilabs zullen laten verrichten en het resultaat zullen overleggen aan de rechtbank. Tevens zijn partijen overeengekomen dat de man de kosten van het DNA-onderzoek zal voorschieten, maar de man wil dat de rechtbank hierover nog wel een beslissing zal nemen.

Gelet op de afspraken tussen partijen heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van de resultaten van het DNA-onderzoek.

Uit het Rapport verwantschapsonderzoek van 30 maart 2026 van Verilabs volgt dat het praktisch bewezen is dat de man de biologische vader is van [minderjarige 1]. Dit betekent dat de man onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 1].

De kosten van het DNA-onderzoek

De rechtbank volgt het standpunt van de man dat de kosten van het DNA-onderzoek tussen partijen moeten worden gedeeld. Het is immers voor beide partijen en [minderjarige 1] van belang dat er duidelijkheid bestaat over wie de biologische vader van [minderjarige 1] is, mede ook gelet op het feit dat de man en de vrouw geen relatie hebben (gehad). De rechtbank vindt het in de situatie van partijen dan ook redelijk dat de man een DNA-onderzoek wil laten verrichten en dat beide partijen de helft van deze kosten dragen. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook toewijzen.

Kinderalimentatie

De vrouw verzoekt vaststelling van de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] van € 750,- per maand althans een zodanige bijdrage als de rechtbank juist acht.

Samenloop van onderhoudsverplichtingen

Er is sprake van een samenloop van onderhoudsverplichtingen. De man is voor [minderjarige 1] onderhoudsplichtig, maar ook voor [minderjarige 3], dochter uit een eerder relatie met [naam] en voor [minderjarige 4], dochter uit zijn huidige relatie. De vrouw is onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1], maar ook voor haar dochter [minderjarige 2], uit een eerdere relatie.

Ingangsdatum

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen.

De vrouw verzoekt vaststelling van de kinderalimentatie per datum van indiening van het verzoekschrift. De man verweert zich hiertegen en verzoekt de kinderalimentatie vast te stellen per datum van de beschikking, doch de kinderalimentatie in ieder geval niet eerder te laten ingaan dan nadat is komen vast te staan dat hij daadwerkelijk de biologische vader van [minderjarige 1] is.

Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) laat de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een alimentatieverplichting. Volgens vaste jurisprudentie moet de rechter terughoudend omgaan met het vaststellen van een bijdrage over een periode in het verleden. Gelet hierop en het feit dat lang onbekend is gebleven dat de man de biologische vader is van [minderjarige 1], waarbij gebleken is dat iedere partij hierin een aandeel heeft, vindt de rechtbank het redelijk de ingangsdatum te bepalen op 1 april 2026, zijnde de eerste dag van de maand volgend op de datum van het Rapport verwantschapsonderzoek van 30 maart 2026. Immers, vanaf dat moment is komen vast te staan dat de man de biologische vader van [minderjarige 1] is en onderhoudsplichtig.

Behoefte [minderjarige 1]

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn.

Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige 1] in 2025 € 398,- per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte afgerond € 416,- per maand.

Draagkracht beide ouders

De man en de vrouw moeten in de behoefte van [minderjarige 1] voorzien naar rato van ieders draagkracht. De rechtbank zal hierna de draagkracht van beide ouders beoordelen. Dit doet de rechtbank aan de hand van het Netto Besteedbare Inkomen (NBI) van de man en de vrouw. Vervolgens moet het bedrag aan draagkracht volgens het Rapport alimentatienormen 2026 berekend worden aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)]. Voor de lagere inkomens beneden een NBI van € 2.200,- zijn vaste bedragen van toepassing.

Draagkracht man

De rechtbank zal voor het bepalen van de draagkracht van de man de namens de vrouw overgelegde alimentatieberekening volgen, omdat deze niet of onvoldoende is betwist. De rechtbank gaat uit van een maandsalaris van € 4.968,- per maand, te vermeerderen met vakantiegeld, eindejaarsuitkering, WG bijdrage ziektekosten en extra WG bijdrage ziektekosten en te verminderen met de ingehouden pensioenpremies.

Tussen partijen is voor de bepaling van de draagkracht in geschil of bij de berekening van het NBI van de man ook rekening moet worden gehouden met inkomsten uit verhuur van drie woningen, te weten aan de [adres 1] te [plaats 1], [adres 2] te [plaats 1] en de vakantiewoning aan de [straatnaam] te [plaats 2]. De vrouw stelt dat bij de man rekening moet worden gehouden met een bedrag van € 550,- per maand aan inkomsten uit verhuur van de drie woningen, zijnde de helft van € 1.100,- per maand. De man betwist het standpunt van de vrouw en stelt dat er geen rekening moet worden gehouden met inkomsten uit verhuur. Alles afwegende oordeelt de rechtbank dat in dit geval geen rekening moet worden gehouden met de inkomsten uit verhuur van de woningen. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de door de man als productie 16 overgelegde overeenkomst tussen hem en zijn partner ter zake de beleggingspanden blijkt dat de man geen enkele verantwoordelijkheid draagt voor de financiële verplichtingen, het beheer, onderhoud of enige andere aangelegenheid met betrekking tot genoemde panden (3.2.) en dat de man geen aanspraak heeft op enig deel van de winst, noch draagt hij enig risico voor verliezen met betrekking tot de panden (3.3). Verder blijkt uit het door de man als productie 15 overgelegd samenlevingscontract tussen hem en zijn huidige partner dat zij vanwege hun financiële zelfstandigheid hun inkomen en vermogen niet met elkaar delen, ook niet als er inkomen of vermogen is dat aan een van de partner toebehoort terwijl dat inkomen of vermogen (ook) resultaat is van hun gezamenlijke inspanningen. De rechtbank concludeert hieruit dat partijen specifiek hebben afgesproken dat de baten en lasten uit de beleggingspanden ten goede en ten lasten komen van de huidige partner van de man en dus moeten worden aangemerkt als haar inkomsten. Dat de partner van de man bijdraagt aan de gezamenlijke inkomsten door een bedrag op de en/of rekening te storten maakt het naar het oordeel van de rechtbank niet dat dit bedrag als inkomsten van de man zouden moeten gelden. Ten aanzien van mogelijke inkomsten uit verhuur van de vakantiewoning aan de [straatnaam] te [plaats 2] komt de rechtbank tot hetzelfde oordeel dat daarmee bij de man geen rekening moet worden gehouden. Uit de door de man overgelegde jaarstukken blijkt immers dat er geen inkomsten uit verhuur van de vakantiewoning wordt gegenereerd. Bovendien is de rechtbank gebleken dat de vakantiewoning eigendom van de partner van de man is. Zij beschikte al over die woning voordat de samenlevingsovereenkomst is aangegaan. Gelet hierop valt dus niet in te zien dat van de man verlangd kan worden inkomsten te genereren uit de woning van zijn partner.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank volgens de aangehechte berekening het NBI van de man voor kinderalimentatie op € 3.887,- per maand en zijn draagkracht op € 949,- per maand (tarief 2026-1).

Draagkracht vrouw

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van de door de vrouw op 12 februari 2026 overgelegde draagkrachtberekening, omdat deze niet of onvoldoende is betwist. De rechtbank gaat uit van een maandsalaris van € 2.452,- per maand, te vermeerderen met vakantiegeld, eindejaarsuitkering, WG bijdrage ziektekosten en extra WG bijdrage ziektekosten en te verminderen met de ingehouden pensioenpremies. Dit blijkt overigens ook uit de door de vrouw overgelegde loonspecificatie over de maand januari 2026.

Op basis van dit inkomen en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank volgens de aangehechte berekening het NBI van de vrouw voor kinderalimentatie op € 3.337,- per maand en haar draagkracht op € 699,- per maand (tarief 2026-1).

Verdeling van de draagkracht

Tijdens de zitting is met partijen besproken dat er verschillende methodes zijn ten aanzien van de verdeling van draagkracht bij samengestelde gezinnen. De rechtbank vindt het alles afwegende in dit geval redelijk om, vanwege het gebrek aan volledige gegevens, de draagkracht van partijen gelijk te verdelen over het aantal kinderen. De rechtbank beschikt immers niet over de inkomensgegevens van de ex-partners van partijen. Hierdoor kan de rechtbank niet een volledige berekening maken. Dit leidt ertoe dat de rechtbank niet, zoals de man verzoekt, de door hem betaalde kinderalimentatie voor [minderjarige 3] van € 281,- per maand, in mindering zal brengen op zijn draagkracht. Ook zal de rechtbank de man niet volgen in zijn standpunt dat bij [minderjarige 4] vanwege hoge inkomsten van haar ouders rekening moet worden gehouden met een hogere behoefte. De rechtbank vindt dit niet redelijk omdat dit mogelijk voor de andere kinderen ook het geval zou kunnen zijn, maar de rechtbank dit niet kan vaststellen omdat niet alle gegevens in het geding zijn gebracht.

De draagkracht van de man voor [minderjarige 1] bedraagt dan afgerond € 316,- per maand, te weten € 949,- per maand: 3 (kinderen).

De draagkracht van de vrouw voor [minderjarige 1] bedraagt dan afgerond € 350,- per maand, te weten € 699,- per maand: 2 (kinderen).

De draagkracht van de man en de vrouw voor [minderjarige 1] bedraagt gezamenlijk € 666,- per maand (€ 316 + € 350). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 1] van € 416,- te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 316 / 666 x 416 = € 197,-

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 350 / 666 x 416 = € 219,-

samen € 416,-

Van de totale behoefte van [minderjarige 1] komt een gedeelte van € 197,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 219,- per maand komt voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting en conclusie

De rechtbank zal geen rekening houden met een zorgkorting bij de man, omdat de rechtbank is gebleken dat er geen contact is tussen de man en [minderjarige 1].

Concluderend zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van 1 april 2026 aan de vrouw een kinderalimentatie van € 197,- per maand moet betalen, bij vooruitbetaling te voldoen en jaarlijks wettelijk te indexeren, voor het eerst per 1 januari 2027.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt de door de man met ingang van 1 april 2026 te betalen alimentatie voor [minderjarige 1], op [geboortedatum 1] 2025 te

[geboorteplaats 1], op € 197,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten en de helft van de kosten van het DNA-onderzoek draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Emmens

Griffier

  • mr. M.G. Coopmans-Veraa Emmens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand