ECLI:NL:RBDHA:2026:1310

ECLI:NL:RBDHA:2026:1310

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-01-2026
Datum publicatie 27-01-2026
Zaaknummer NL25.17319
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

regulier – gegrond – gezinshereniging – jongvolwassenebeleid – bijkomende elementen van afhankelijkheid – proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer 1]

[eiseres] , eiseresV-nummer: [V-nummer 2]

[minderjarige 1] , V-nummer: [V-nummer 3]

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.17319

Mede namens haar minderjarige kinderen:

[minderjarige 2] , V-nummer: [V-nummer 4][minderjarige 3], V-nummer: [V-nummer 5]

hierna gezamenlijk: eisers

(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),

en

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de afwijzing van de door eiser (tevens referent) ingediende aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv’s) aan eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eisers stellen te zijn geboren op respectievelijk [geboortedag 1] 1970, [geboortedag 2] 1995, [geboortedag 3] 2015, [geboortedag 4] 2016 en [geboortedag 5] 2018, de Syrische nationaliteit te hebben en de dochter en kleinkinderen van eiser te zijn. Op 20 juni 2023 heeft eiser onder meer aanvragen ingediend voor mvv’s van overige eiseres en haar minderjarige kinderen met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’.

Het bestreden besluit

2. Bij besluit van 24 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Eiser is hiertegen op 2 februari 2024 in bezwaar gegaan. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Zo heeft eiser de feitelijke gezinsband met eiseres niet aannemelijk gemaakt en is geen sprake van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. In het primaire besluit is geconcludeerd dat eiseres niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Eiseres was op het peilmoment 27 jaar oud, is in 2013 getrouwd en heeft drie kinderen gekregen van haar man. Daarmee heeft zij een zelfstandig gezin gevormd. Met het aangaan van haar huwelijk, het samenwonen met haar partner en het krijgen van kinderen, heeft eiseres stappen naar zelfstandigheid gezet en voldoet zij niet aan de cumulatieve vereisten van het jongvolwassenenbeleid. Dat de partner van eiseres in 2018 is overleden en zij volledig bij eiser is komen wonen, maakt niet dat de feitelijke gezinsband is hersteld. In dit kader overweegt verweerder dat zij volledig de zorg voor haar kinderen draagt. Gezien de leeftijd van eiseres mag van haar worden verwacht dat zij zich zelfstandig kan handhaven en niet is aannemelijk gemaakt dat dit niet mogelijk is. Er is geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser, zijn echtgenote en eiseres. Dat eiseres na het overlijden van haar partner met haar ouders heeft samengewoond, is onvoldoende om bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen. De gestelde financiële steun die eiseres geniet is niet nader onderbouwd. Daarnaast is niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in haar eigen onderhoud kan voorzien en kan financiële steun op afstand worden geboden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn gezondheidssituatie exclusief afhankelijk is van eiseres. Eiseres heeft sterkere banden met Syrië dan met Nederland en niet is niet gebleken dat eiser een gegronde vrees heeft dat eiseres een risico loopt zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Tevens is dit een asielgerelateerd aspect. Niet is gebleken dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen de zonen van eiser in Nederland en eiseres. Ook is niet gesteld noch gebleken dat sprake is van hechte persoonlijke banden tussen de minderjarige dochter van eiser in Nederland en eiseres. Verweerder neemt geen hechte persoonlijke banden aan tussen eiser, zijn echtgenote en hun kleinkinderen (overige eisers). In dit kader overweegt verweerder dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres niet in staat was om voor haar kinderen te zorgen en dat de echtgenote van eiser daarom de ouderrol heeft overgenomen. Eiseres is feitelijk gezien altijd de primaire verzorger en opvoeder geweest van haar kinderen. Niet valt in te zien dat eiseres nu zelfstandig voor de kinderen kan zorgen in afwezigheid van haar ouders, maar dit niet kon toen haar ouders nog in het land van herkomst woonden. Het beperkt betrokken zijn bij de zorg van de kleinkinderen is onvoldoende voor het aannemen van hechte persoonlijke banden indien de ouder ook bij de kinderen woont. Tot slot is niet aangetoond dat eiser voogdij heeft over de kleinkinderen. Gezien eiser tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat het gebruikelijk is dat de voogdij na het overlijden naar een ander familielid gaat, is dit geen aanleiding tot het bestaan van hechte persoonlijke banden met zijn kleinkinderen. Niet is gebleken van hechte persoonlijke banden tussen de kleinkinderen van eiser en zijn kinderen in Nederland. Op grond van de uitspraak van de Raad van State van 27 maart 2024 hoeft er geen belangenafweging te worden gemaakt indien er geen sprake is van familie- en gezinsleven. Daarom maakt verweerder geen belangenafweging. Beroepsgronden

3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren primair aan dat verweerder ten onrechte bijkomende elementen van afhankelijkheid heeft getoetst, terwijl de aanvraag reeds had dienen te worden ingewilligd op basis van het jongvolwassenenbeleid. Ten onrechte is overwogen dat eiseres niet onder dit beleid valt. Eiseres woonde exclusief samen met haar ouders en sliep vaker bij haar ouders dan dat zij bij haar man verbleef. De verzorging van de kinderen van eiseres werd dan grotendeels door eiser en zijn echtgenote gedaan. Ten onrechte stelt verweerder daarom dat eiseres stappen richting zelfstandigheid heeft gezet die van voldoende gewicht zijn om aan te nemen dat de feitelijke gezinsband is verbroken. Daar komt bij dat eiseres alleen in de periode 2016 tot 2018 wel eens bij haar man verbleef en feitelijk haar hoofdverblijf bij haar ouders had. Het is een feit van algemene bekendheid dat het voor een vrouw in Syrië met jonge kinderen onmogelijk is om te gaan werken, waardoor het evident is dat eiseres financieel wordt onderhouden. Verweerder kan niet langer volstaan met de motivering dat eiseres gehuwd is en kinderen heeft, wat inhoudt dat zij een zelfstandig gezin heeft gevormd. Daarbij is onvoldoende betrokken dat eiseres tijdens haar huwelijk de eerste jaren van 2014 tot 2016 de volledige tijd bij haar ouders heeft gewoond en in de periode 2016 tot 2018 haar hoofdverblijf nog steeds bij haar ouders had. Dat zij is getrouwd om te gaan studeren, duidt feitelijk op een vluchtsituatie waarmee zij een mogelijkheid zocht om Syrië te ontvluchten en niet op stappen richting zelfstandigheid.

4. Subsidiair voeren eisers aan dat verweerder ten onrechte geen bijkomende elementen van afhankelijkheid heeft aangenomen. Verweerder miskent dat niet zomaar sprake is van samenwonen waarbij men hun eigen leven heeft of een normaal gezinsleven kent, maar dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Het had op de weg van verweerder gelegen om eiser tijdens de hoorzitting te confronteren met het gebrek aan overgelegde documenten ter staving van de financiële afhankelijkheid en hem in de gelegenheid te stellen alsnog documenten te overleggen. Gelet op de gezondheid van eiser, in combinatie met zijn ernstige afhankelijkheid, is zijn echtgenote genoodzaakt om de medische zorg op zich te nemen. Dit betekent niet dat deze uit nood geboren situatie lang houdbaar is. Dat geen sprake is van exclusieve afhankelijkheid van eiseres dient derhalve in het juiste perspectief te worden bezien. Verweerder stelt ten onrechte dat de banden van eiseres met Syrië sterker zijn dan met Nederland. Verweerder heeft onvoldoende toegelicht waarom er geen sprake is van emotionele afhankelijkheid die de gebruikelijke banden overstijgt. Verweerder miskent dat het niet normaal is dat een moeder dagelijks moet huilen en een dochter die getrouwd is nog feitelijk bij haar ouders blijft wonen. Eiseres loopt een hoger risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Ten onrechte slaagt de artikel 8 EVRM-toets die verweerder heeft uitgevoerd niet. Ten onrechte wordt eiser feitelijk in een nadeligere positie gezet met het instellen van bezwaar in het kader van de persoonlijke banden tussen hem en zijn kleinkinderen. Ten onrechte wordt geen familie en gezinsleven aangenomen tussen eiser en zijn echtgenote en hun kleinkinderen. Verweerder doet met de overweging dat het gebruikelijk is voor ouders om op te passen op hun kleinkinderen de partijen ernstig te kort en dit is niet in overeenstemming met de afgelegde verklaringen hieromtrent. Verweerder stelt ten onrechte dat het tegenstrijdig is dat eiseres bij haar ouders kwam wonen voor twee jaar om haar moeder te helpen nadat zij gewond was geraakt. Ten onrechte wordt verondersteld dat eiseres momenteel voor haar eigen kinderen zorgt, dus niet wordt ingezien waarom zij dat niet kon toen eiser en zijn echtgenote nog in Syrië woonden. Dit is immers een situatie die uit nood is geboren en de zorg is dan ook niet op het niveau zoals de kinderen dat gewend zijn. Verweerder heeft de implicaties van het voogdijschap van eiser onvoldoende ingezien. Nu de wil van eiser is dat de kleinkinderen bij hem komen wonen, heeft verweerder ten onrechte op hechte persoonlijke banden getoetst. Vanwege het gezag dat eiser over zijn kleinkinderen heeft, wordt uitdrukkelijk geïmpliceerd dat sprake is van hechte persoonlijke banden.

5. Ter zitting is de beroepsgrond aangaande artikel 8 van het EVRM en de bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen de zonen van eiser en eiseres ingetrokken. Eiser is er in dit kader niet in geslaagd aanvullende stukken te overleggen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Juridisch kader

6. Het jongvolwassenenbeleid kent vier cumulatieve vereisten: het meerderjarig kind moet volwassen zijn, met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven, niet in zijn eigen onderhoud voorzien en geen zelfstandig gezin hebben gevormd. Als hier geen geslaagd beroep op kan worden gedaan, dient te worden gekeken of sprake is van familie of gezinsleven.

7. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat pas kan worden gesproken van een door artikel 8 EVRM beschermd gezinsleven tussen ouders en meerderjarige kinderen wanneer sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Hierbij moet sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Of sprake is van een beschermd gezinsleven van feitelijke aard is afhankelijk van het daadwerkelijke bestaan van hechte, persoonlijke banden. Hierbij is bijvoorbeeld van belang of de familieleden hebben samengewoond, de mate van emotionele of financiële afhankelijkheid, medische omstandigheden en de banden met het land van herkomst. Al deze voorbeelden moeten in samenhang worden bezien. In het arrest Savran concludeert het Hof dat geen sprake is van familie- of gezinsleven zonder bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen een meerderjarig kind en zijn familieleden, omdat hij niet bij zijn familie woonde.

Jongvolwassenenbeleid

8. Verweerder heeft zich niet ten onrechte en voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor het jongvolwassenenbeleid, omdat niet aan de cumulatieve criteria wordt voldaan. Hiertoe heeft verweerder kunnen overwegen dat eiseres is gehuwd en dat uit dit huwelijk drie kinderen zijn geboren. Dit wordt door eiseres ook niet betwist. eiseres heeft haar eigen gezin gesticht en verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de feitelijke gezinsband daardoor is verbroken. Voor zover eiseres zich beroept op de Afdelingsuitspraak van 4 oktober 2024 en stelt dat ten aanzien van het vormen van een zelfstandig gezin niet langer kan worden volstaan met de motivering dat eiseres is gehuwd en kinderen heeft, overweegt de rechtbank dat verweerder heeft overwogen dat gelet op de persoonlijke feiten en omstandigheden van eiseres kan worden geconcludeerd dat zij stappen naar zelfstandigheid heeft gezet. Verweerder heeft hierbij kunnen meewegen dat eiseres en haar partner de bedoeling hadden om samen naar het buitenland te vertrekken, alsmede dat eiseres ook na het overlijden van haar man nog de feitelijke zorg over de kinderen draagt. Hiermee heeft verweerder conform de Afdelingsuitspraak geconcludeerd dat eiseres met het stichten van haar eigen gezin de feitelijke gezinsband heeft verbroken. In het verweerschrift wordt in dit kader door verweerder niet ten onrechte meegewogen dat de omstandigheden in de Afdelingsuitspraak anders waren dan in het geval van eiseres, omdat het in de Afdelingsuitspraak een gedwongen huwelijk betrof en het huwelijk van eiseres vrijwillig was. Dat het gewenste vertrek van eiseres uit Syrië duidt op een vluchtsituatie en niet op stappen naar zelfstandigheid, is niet nader onderbouwd. De primaire beroepsgrond van eisers dat de aanvraag van eiser ingewilligd had moeten worden op basis van het jongvolwassenenbeleid dat van toepassing is op eiseres, slaagt daarmee niet. Bijkomende elementen van afhankelijkheid

9. Verweerder heeft in het bestreden besluit – gelet op de persoonlijke feiten en omstandigheden van eiseres als weduwe en jonge moeder, die met haar kinderen bij haar ouders is gaan wonen – niet kunnen volstaan met de overweging dat het gebruikelijk is dat meerderjarige kinderen met hun ouders samenwonen en daarom binnen de samenwoning van eisers geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke banden overstijgen. Het bestreden besluit bevat in zoverre een gebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Het ligt immers op de weg van eisers om nader te motiveren waarom in hun individuele geval sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, ten aanzien van de samenwoning, die de gebruikelijke banden overstijgen. Hierin zijn eisers niet geslaagd. Verweerder heeft in het verweerschrift kunnen overwegen dat uit de motivering van eiser en zijn intentie om eiseres en haar kinderen een beter perspectief te willen bieden, niet volgt dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid ten aanzien van de samenwoning.

10. Verweerder heeft niet ten onrechte een ex-tunc benadering toegepast ten aanzien van de mate van financiële afhankelijkheid en de gezondheidssituatie van eiser. In dit kader heeft verweerder kunnen overwegen dat uit eisers verklaringen in de ambtelijke hoorzitting volgt dat hij zelfstandig boodschappen kan doen met zijn scootermobiel, zelf kan douchen en naar het toilet kan gaan en dat zijn echtgenote hem helpt indien dit nodig is. Dat de echtgenote van eiser dit slechts doet wegens een ontstane noodsituatie en dat zij de hulp van eiseres nodig heeft is onvoldoende gemotiveerd. Verweerder heeft in dit kader kunnen overwegen dat eiser en zijn echtgenote meerdere kinderen in Nederland hebben die eveneens bij eiser wonen en dat niet valt in te zien waarom specifiek de aanwezigheid van eiseres noodzakelijk is om eiser te helpen en te verzorgen in Nederland en dat er ten aanzien van eiseres sprake is van een exclusieve afhankelijkheidsrelatie.

10. Voorts heeft verweerder kunnen overwegen dat de banden van eiseres met Syrië sterker zijn dan haar banden met Nederland, omdat zij in Nederland alleen haar ouders, broertje en zusje heeft. Dat eiseres bereid is om alles in Syrië achter te laten leidt hierbij niet tot een ander oordeel. Eiseres geeft aan dat zij een hoger risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM. Zij heeft in dat kader weliswaar gesteld dat zij als alleenstaande vrouw als kwetsbaar zal worden gezien, maar hiermee heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij en haar dochter een gegronde vrees hebben om risico te lopen op een schending van artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft dit niet ten onrechte aan eiseres tegengeworpen. Ook heeft verweerder kunnen overwegen dat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd dat zij als alleenstaande vrouw met jonge kinderen niet kan werken. In dit kader heeft verweerder gewicht mogen toekennen aan het gegeven dat eiseres niet exclusief afhankelijk is van haar ouders, of ouders van haar en heeft verweerder de medische situatie na het vertrek van eiser mogen betrekken.

10. Nu verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de feitelijke gezinsband tussen [persoon] en haar ouders is verbroken en dat er dus geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, heeft verweerder in dit kader geen belangenafweging meer hoeven maken. Dat de rechtspositie van eiser door het indienen van bezwaar niet zwakker mag worden, maar dat dit wel zal gebeuren indien niet aan deze belangenafweging wordt doorgetoetst, is niet nader onderbouwd en leidt daarom niet tot een ander oordeel. Verweerder overweegt in het verweerschrift niet ten onrechte dat de bezwaarschriftprocedure bedoeld is voor een volledige heroverweging die niet gebonden is aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. Daarbij mag verweerder een andere argumentatie aan de beslissing op het bezwaar ten grondslag leggen ten opzichte van het primaire besluit. De stelling van eiser dat in het primaire besluit wel werd uitgegaan van hechte persoonlijke banden, maar dat dit in bezwaar niet langer zo is, treft daarom geen doel. De positie van eiser is in dit opzicht niet verslechterd door de gewijzigde argumentatie van verweerder, mede gelet op het feit dat de mvv nog steeds niet is verleend. Tussenconclusie

13. Verweerder heeft niet ten onrechte en voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid, omdat niet aan de cumulatieve voorwaarden is voldaan. Ook is in het geval van eiseres geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen haar en haar ouders, waardoor ook geen familie- of gezinsleven tussen hen kan worden aangenomen. Verweerder heeft geen belangenafweging hoeven maken in het kader van artikel 8 van het EVRM. Familie- en gezinsleven tussen eiser, zijn echtgenote en hun kleinkinderen

13. Verweerder stelt niet ten onrechte dat de voogdij die eiser over zijn kleinkinderen heeft in beginsel niets zegt over de feitelijke invulling van het gezinsleven. Bij het vaststellen van gezinsleven dient immers aan de hand van feitelijke gedragingen te worden bezien of hieruit hechte persoonlijke banden volgen. Ten aanzien van deze feitelijke gedragingen volgt de rechtbank eiser in zijn standpunt dat het kwalificeren van de zorgtaken van eiser en zijn echtgenote als oppassen niet in overeenstemming zijn met de door eiser en zijn echtgenote afgelegde verklaringen in het ambtelijk gehoor. De ouders van eiseres hebben immers herhaaldelijk verklaard dat zij hun kleinkinderen mee opvoeden. Daarbij heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de zorgtaken van eiser en zijn echtgenote worden gekwalificeerd als het gebruikelijke oppassen dat door grootouders wordt gedaan. Verweerder miskent in het bestreden besluit niet dat de kinderen van eiseres – indien vader aanwezig was – voor twee weken bij eiseres en hun vader verbleven, maar weegt hierbij niet mee dat eiseres en haar kinderen voor het overige van de tijd bij eiser en zijn echtgenote woonden. De door verweerder aangehaalde Afdelingsuitspraak leidt in dit kader niet tot een ander oordeel. In deze uitspraak wordt ervan uitgegaan dat slechts vanwege jarenlang samenwonen geen sprake is van hechte persoonlijke banden indien de ouders van de kinderen ook met de vreemdeling woonden en deze beperkt betrokken waren bij de zorg. In dit geval heeft verweerder echter onvoldoende onderbouwd waarom in het geval van eiser en zijn echtgenote sprake is van een beperkte betrokkenheid bij de zorg voor hun kleinkinderen. De echtgenote van eiser heeft tijdens het gehoor van de ambtelijke commissie verklaard dat eiseres 24 uur per dag en 7 dagen per week bij haar ouders was en dat de echtgenote van eiser de volgende zorgtaken over de kinderen had: eten geven, opvoeden, oppassen, verzorgen bij ziekte omdat eiseres jong was en niet wist hoe ze daarmee moest omgaan, wakker maken voor de peuterspeelzaal, aankleden, naar school brengen en ophalen van school, inschrijven voor een rekencursus, alsmede simpele zaken als het mee naar buiten gaan met de kinderen. Niet is door verweerder nader gemotiveerd waarom ten aanzien van deze zorgtaken gesproken kan worden van gebruikelijke oppastaken voor grootouders. Eiser heeft in ditzelfde gehoor verklaard dat eiseres haar eigen kinderen verzorgde gedurende hun verblijf bij grootouders. Verweerder heeft in dit kader groot gewicht toegekend aan de verklaringen van eiser, zonder ook de verklaringen van de echtgenote van eiser kenbaar te betrekken bij de beoordeling van het familie- en gezinsleven en de invulling van het feitelijke gezinsleven. Dit geldt ook voor de verklaring van de echtgenote van eiser op pagina 7 van het gehoor van de ambtelijke commissie. Hier verklaart zij het volgende: “Als hij er niet is gaat ze een week of twee naar hem toe en komt ze weer terug. Ook in die periodes dat hij aanwezig was, bracht hij de kinderen naar mij zodat hij iets samen met mijn dochter kon doen.”

Tussenconclusie:

15. De motvering van het standpunt van verweerder dat geen sprake is van hechte persoonlijk banden omdat de zorgtaken van eiser en zijn echtgenote worden gekwalificeerd als gebruikelijke oppastaken voor grootouders, is onvoldoende. Verweerder miskent in dit kader dat eiseres en haar kinderen – indien de partner van eiseres aanwezig was – voor de duur van twee weken bij hem waren, maar voor het overige van de tijd nog steeds bij grootouders verbleven en woonden. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom in het geval van eiser en zijn echtgenote sprake is van beperkte betrokkenheid in de zorg van hun kleinkinderen en zijn de verklaringen van eiser en zijn echtgenote in het gehoor van de ambtelijke commissie onvoldoende kenbaar betrokken en tegen elkaar afgewogen.

Conclusie en gevolgen

16. Gelet op wat hiervoor onder rechtsoverweging 15 is overwogen, is het bestreden besluit in strijd met artikelen 3:2 (zorgvuldigheid) en 3:46 van de Awb (motiveringsvereiste). Eisers krijgen in zoverre gelijk. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet, gelet op de aard van het gebrek, geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder dit zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak moet doen.

17. Eisers krijgen een vergoeding van de door hun gemaakte proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan op 26 januari 2026 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.C.J. van Dooijeweert

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?