RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.17444
V-nummer: [v-nummer]
geboren op [geboortedag] 1998, van Eritrese nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),
en
(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 10 juni 2024 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. Met het bestreden besluit van 24 maart 2026 heeft de minister de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Medhane als tolk in de taal Tigrinya en de gemachtigde van de minister.
De rechtbank heeft het onderzoek na de zitting nog niet gesloten, om de minister in de gelegenheid te stellen aanvullende landeninformatie aan het dossier toe te voegen en eiser hierop te laten reageren. De minister heeft op 16 april 2026 aanvullende informatie aan het dossier toegevoegd. Eiser heeft hier niet op gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 24 april 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
3. Eiser heeft verklaard dat hij in maart 2019 illegaal uit Eritrea is vertrokken omdat hij een oproep had gekregen voor de militaire dienst. Eiser wilde niet in militaire dienst. Vervolgens heeft eiser meer dan drie jaar in Zuid-Soedan gewoond. Daarna heeft hij anderhalf jaar in Uganda gewoond. Vervolgens is eiser naar Nederland gekomen.
Bestreden besluit
4. De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. De minister beschouwt Uganda als veilig derde land voor eiser om drie redenen. Ten eerste vindt de minister dat eiser een band heeft met Uganda. Eiser heeft namelijk anderhalf jaar in Uganda verbleven. Ten tweede vindt de minister het aannemelijk dat eiser opnieuw tot Uganda zal worden toegelaten. Eiser heeft namelijk eerder toegang gekregen tot Uganda zonder identificerende documenten. Ook had hij een verblijfsvergunning die iedere drie maanden werd verlengd. Ten derde is de minister van oordeel dat Uganda een veilig derde land is en dat eiser in Uganda zal worden behandeld overeenkomstig de beginselen in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000. Uganda is partij bij relevante internationale verdragen en heeft deze ook omgezet in nationale wetgeving. De minister heeft aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken en met Uganda als land van terugkeer.
Band
5. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij voert ten eerste aan dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser een band heeft met Uganda. Eiser heeft nooit de intentie gehad om in Uganda te blijven. Hij heeft geen plek in Uganda om naartoe te gaan. Hij kent helemaal niemand daar. Dat eiser zich in het verleden staande kon houden in Uganda was omdat zijn zus daar was en zij hem onderdak, eten en drinken gaf. Zijn zus woont daar niet meer. Zij is getrouwd en geëmigreerd naar Canada. De vriend die eiser had in Uganda is inmiddels verhuisd naar Libië. Daar heeft eiser al lang geen contact meer mee. Verder spreekt eiser de taal van het land niet. Zijn zus kon maar vier taallessen voor hem betalen. Eiser zelf heeft geen geld. Werk is er ook moeilijk of onmogelijk te vinden. Eiser weet dit uit ervaring. Het is hem niet gelukt werk te vinden ook al wilde hij dat graag. Het standpunt van de minister is daarom niet deugdelijk gemotiveerd.
6. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser zijn stellingen in beroep niet nader heeft onderbouwd. Het standpunt dat eiser een band heeft met Uganda is gebaseerd op een combinatie van de bekende informatie, namelijk dat eiser anderhalf jaar in Uganda heeft gewoond, daar educatie kon volgen, vrienden had en medische verzorging heeft gekregen na een motorongeluk.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister het standpunt dat eiser een zodanige band heeft met Uganda dat het voor hem redelijk is om daarnaartoe te gaan, voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. De minister heeft alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder de aard, duur en omstandigheden van het eerdere verblijf van eiser in Uganda. Eiser heeft een aanzienlijke periode, namelijk anderhalf jaar, rechtmatig in Uganda verbleven. De stelling dat zijn zus inmiddels uit Uganda is vertrokken, heeft eiser niet nader onderbouwd. Eiser stelt dat hij via de app Messenger contact heeft gehad met zijn zus, maar hij heeft hier geen schermafdrukken van overgelegd. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom eiser deze niet over kan leggen. Bovendien betekent het feit dat eiser in Uganda is onderhouden door zijn zus, niet dat hij geen andere mogelijkheden heeft om daar in zijn levensonderhoud te voorzien. De minister heeft dan ook niet ten onrechte bepaald dat eiser een zodanige band heeft met Uganda dat het voor hem redelijk is om daarnaartoe te gaan.
De beroepsgrond slaagt niet.
Toegang
8. Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat eiser toegang heeft tot Uganda. Het is aan de minister om dit aannemelijk te maken en de minister heeft dit niet gedaan. Eiser is niet in het bezit van een paspoort en heeft op dit moment ook geen verblijfsvergunning in Uganda. Eerder kon eiser zonder paspoort de landsgrens passeren, maar anders dan destijds zal hij nu terugkeren via een luchthaven. Eiser heeft daarom nu een Eritrees paspoort nodig om Uganda binnen te komen. Hij kan geen paspoort aanvragen bij de Eritrese autoriteiten, omdat hij dan in de problemen komt. Hij heeft immers illegaal het land verlaten en de dienstplicht ontdoken. Dit leidt in Eritrea tot een gevangenisstraf. Daarnaast wordt een eventueel visum voor Uganda maar voor drie maanden afgegeven. Ook zou eiser een bewijs van financiële middelen nodig hebben. Dit heeft eiser niet en hij heeft ook niemand meer die garant kan staan.
9. De minister stelt zich op het standpunt dat de vraag of eiser een paspoort heeft, niet relevant is voor het antwoord op de vraag of hij toegang heeft tot Uganda. In de praktijk zoeken de minister en eiser samen naar een oplossing om naar Uganda te kunnen reizen, met of zonder paspoort. Het gaat erom dat eiser in beginsel toegang heeft en dat is wel het geval.
10. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de minister dat eiser wordt toegelaten tot Uganda, onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Anders dan de minister, acht de rechtbank het voorhanden hebben van een paspoort wel van belang voor het oordeel over de toegankelijkheid van Uganda voor eiser. De minister is verder onvoldoende ingegaan op het bezwaar van eiser dat hij zich niet tot de Eritrese autoriteiten kan wenden voor een paspoort. Dat eiser eerder zonder paspoort toegang heeft gekregen tot Uganda, vindt de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat toegang tot Uganda in beginsel mogelijk is. Eiser reisde toen immers vanuit een ander land naar Uganda en niet via de luchthaven. De minister heeft ten onrechte niet toegelicht hoe eiser vanuit Nederland zonder paspoort toegang tot Uganda zal kunnen krijgen.
De beroepsgrond slaagt.
Veiligheid
11. Eiser voert tot slot aan dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat eiser in Uganda zal worden behandeld overeenkomstig de beginselen in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000. Eiser vreest dat de autoriteiten van Uganda hem zullen uitzetten naar Eritrea, omdat hij in Uganda geen asiel kan krijgen. Dit is een vorm van indirect refoulement. Uganda verleent geen vluchtelingenstatus meer aan Eritreeërs sinds december 2025. Dit volgt uit een artikel van The Guardian.Nu eiser geen asiel kan aanvragen, heeft hij in Uganda ook geen recht op medische voorzieningen of onderdak en eten.
12. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser wel asiel kan aanvragen in Uganda. Uit latere berichtgeving blijkt dat Uganda asielaanvragen van Eritreeërs weer in behandeling neemt.
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser in Uganda zal worden behandeld overeenkomstig de beginselen in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000. Hoewel in december 2025 is bericht dat de Ugandese overheid asielaanvragen van Eritreeërs niet langer in behandeling zou nemen, blijkt uit de informatie die de minister heeft overgelegd dat de Ugandese overheid de aanvragen inmiddels wel weer in behandeling neemt. Zo meldt UNHCR op 31 maart 2026 dat sinds het begin van dit jaar 9,671 asielaanvragen van Eritreeërs in Uganda zijn geregistreerd. De rechtbank vindt het daarom niet aannemelijk dat de asielaanvraag van eiser in Uganda niet in behandeling zal worden genomen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
14. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen onder 10, heeft de minister het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Dit is in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers asielaanvraag te nemen, omdat het in de eerste plaats aan de minister is om dit te doen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaken af te doen. De rechtbank bepaalt daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen 1 week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.