RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], geboren op [geboortedag] 1993, eiser
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.27479
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Gavami),
en
de minister van Asiel en Migratie , de minister
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich onvoldoende zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eisers bekering tot het christendom niet geloofwaardig is. Ook heeft de minister zich onvoldoende zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Irak geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM vanwege zijn afvalligheid. De afwijzing van de asielaanvraag kan daarom niet in stand blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 wordt het procesverloop in dit geding beschreven. Onder 3 wordt eisers asielrelaas samengevat en onder 4 het bestreden besluit. De beoordeling van het beroep door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind volgt (het dictum van) de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het besluit van 11 juni 2024 (het bestreden besluit) deze aanvraag in de verlengde asielprocedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Abdullah als tolk in de taal Arabisch en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is opgegroeid in een islamitisch gezin in Irak. Tussen zijn veertiende en zijn zeventiende levensjaar heeft eiser zich innerlijk afgewend van de islam. Hij had al van kinds af aan vragen over religie in het algemeen en over de verschillende stromingen binnen de islam. Hij is hierdoor meermaals in de problemen gekomen. In 2011 is eiser naar Oekraïne vertrokken. Daar heeft hij tandheelkunde gestudeerd en ook een tijd gewerkt. Toen in Oekraïne de oorlog uitbrak is hij via Polen naar Nederland gevlucht. In Nederland is eiser bekeerd tot het christendom. Eiser stelt bij terugkeer naar Irak te vrezen voor zijn leven vanwege zijn afvalligheid van de islam en zijn geloof in het christendom.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister drie relevante motieven:
De minister heeft motief 1 en motief 2 geloofwaardig geacht. De minister heeft motief 3 niet geloofwaardig geacht. Volgens de minister heeft eiser namelijk vaag en algemeen verklaard over zijn motief voor en proces van bekering. Ook heeft hij tijdens het gehoor weinig kennis van het christendom laten zien. Daarnaast verricht eiser volgens de minister maar beperkt activiteiten binnen het christendom. De minister heeft zich in het bestreden besluit verder op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Irak een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM vanwege zijn afvalligheid. Volgens de minister heeft eiser namelijk tegenstrijdig verklaard over de vraag of zijn naaste omgeving hem zag als afvallige of niet. De minister heeft het ook niet aannemelijk geacht dat eiser bij terugkeer zijn afvalligheid zal uiten. Bovendien volgt uit algemene landeninformatie dat afvalligheid van de islam geen problemen oplevert in Irak. De minister heeft eisers asielaanvraag daarom afgewezen als ongegrond.
Heeft de minister de bekering van eiser op goede gronden ongeloofwaardig geacht?
5. Volgens eiser heeft de minister zijn bekering ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Eiser voert hiertoe aan dat de minister de drie elementen van bekering als losse onderdelen heeft beoordeeld, in plaats van in samenhang. Eiser voert verder aan dat de minister zijn leven voorafgaand aan de bekering niet goed heeft betrokken bij de beoordeling. Eisers motief voor bekering is namelijk alleen goed te begrijpen als zijn leven onder de islam in Irak in ogenschouw genomen wordt. Nu de minister dit niet heeft gedaan, is eisers motief voor bekering niet goed beoordeeld.
6. Volgens de ten tijde van eisers aanvraag geldende werkinstructie beoordeelt de minister een bekering aan de hand van drie elementen:
De minister beziet deze elementen steeds in onderlinge samenhang. De minister maakt een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, waarbij deze elementen en alle andere informatie uit het dossier worden betrokken en waarbij rekening gehouden wordt met de persoonlijke omstandigheden en de achtergrond van de vreemdeling. In de werkinstructie staat voorts:
“Een bekering heeft vaak ook geen duidelijk eindpunt, het kan een doorgaande verandering zijn die steeds meer tot verdieping kan komen. Niet in alle gevallen is er direct sprake van een diepgewortelde innerlijke overtuiging, maar kan sprake zijn van geloofsgroei. In het kader van dit element is het van belang eerst helder te krijgen hoe het leven van de vreemdeling eruit zag voor hij zich bekeerde. Dit is in feite de uitgangssituatie. Daarbij hoeft overigens niet alleen gedacht te worden aan omstandigheden die zien op de religie die de vreemdeling aanhing en hoe hij hier uiting aan gaf voor zijn bekering, maar ook naar de sociale context waarbinnen de religie een rol kan hebben gespeeld. Bekeken kan ook worden binnen wat voor gezin de vreemdeling is opgegroeid, de rol van religie binnen het gezin, de sociale omgeving en in het dagelijkse leven (bijvoorbeeld in een islamitische samenleving).”
Onder de nieuwe werkinstructie is deze toetsingswijze nagenoeg ongewijzigd gebleven.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich onvoldoende zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eisers bekering ongeloofwaardig is. De rechtbank legt dit oordeel hierna uit.
Motief voor en proces van bekering
Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat hij gelooft dat Jezus zijn redder en verlosser is. Hij heeft verklaard dat hij Jezus ziet als iemand die altijd aan zijn zijde staat en die hem niet bestraft als hij verkeerd bezig is. Ook heeft eiser verklaard dat met name dit element van redding en verlossing maakt dat het christendom hem meer aanspreekt dan andere religies. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat deze verklaringen vaag en algemeen zijn.
De rechtbank kan dit standpunt van de minister niet volgen, gelet op wat eiser over zijn achtergrond heeft verklaard. Eiser is opgegroeid in een streng islamitische omgeving. Alles wat hij leerde onder de islam had te maken met criminaliteit of misdrijven. Eiser werd gestraft als hij iets ‘verkeerd’ deed of vragen stelde. Meer dan eens namen deze bestraffingen zeer gewelddadige vormen aan. Zo is eiser een keer mishandeld in de moskee omdat hij niet op de juiste wijze bad. De broer van eiser heeft zijn neus gebroken toen hij kritische vragen stelde over een profeet en een bijzettafel op zijn hoofd kapotgeslagen nadat hij op de computer informatie had opgezocht over afvalligheid. De vader van eiser heeft hem vanwege zijn afvalligheid beschuldigd van homoseksualiteit en vervolgens iets zeer onaangenaams bij eiser gedaan om te ‘controleren’ of hij homoseksueel was. De omstandigheden waaronder eiser leefde deprimeerden hem dusdanig dat hij een hekel kreeg aan zijn omgeving en erover nadacht om zelfmoord te plegen. Eisers ervaringen hebben ertoe geleid dat hij uiteindelijk tot de conclusie kwam dat er wel een god moest bestaan, maar dat dit niet de god van de islam kon zijn. Eiser heeft ook onderzoek gedaan naar andere geloven, zoals het boeddhisme, het hindoeïsme en het jodendom. Het christendom sprak hem het meest aan, omdat het idee van Jezus als verlosser en redder hem mentale rust geeft. De rechtbank overweegt dat uit deze verklaringen een beeld naar voren komt van iemand die al van jongs af aan reflecteert op het geloof, zich door zeer negatieve ervaringen gaandeweg heeft afgewend van de islam en op zoek is gegaan naar zingeving binnen een ander geloof. Uit eisers verklaringen, specifiek de verklaringen geciteerd onder 7.1, volgt ook dat de mogelijkheid van verlossing – juist door de hiervoor genoemde persoonlijke ervaringen onder de islam – een belangrijke factor is voor eiser en dat hij deze mogelijkheid specifiek in het christendom gevonden heeft.
De rechtbank ziet in het bestreden besluit niet terug dat de minister deze verklaringen van eiser over zijn leven in Iran onder de islam heeft betrokken bij de beoordeling van zijn bekering. Dit terwijl uit zowel de oude als de huidige werkinstructie van de minister volgt dat het van belang is om de uitgangspositie van een vreemdeling helder te krijgen en bij de beoordeling te betrekken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister bij de beoordeling van eisers motief voor en proces van bekering onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers achtergrond. Dit levert een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek op.
Kennis van het geloof
Eiser heeft tijdens het nader gehoor, in antwoord op de vraag hoe hij als christen leeft, verklaard dat hij volgens de tien geboden leeft. Hij heeft vier van de tien geboden genoemd. De overige zes kwamen tijdens het gehoor niet bij hem op. Eiser heeft verklaard dat hij zich op de vier genoemde geboden concentreert. De minister heeft zich op basis van deze verklaringen op het standpunt gesteld dat van eiser meer kennis verwacht mag worden, aangezien hij universitair is opgeleid en heeft verklaard dat hij zich in het christendom heeft verdiept.
De rechtbank ziet zonder nadere toelichting niet in waarom van een universitair geschoolde specifiek verwacht mag worden dat diegene veel van het christendom afweet. De rechtbank overweegt in dat verband verder dat eiser tijdens het nader gehoor verklaard heeft dat hij eerder over verschillende religies gelezen heeft. Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij op dat moment meer aan het lezen was over het christendom. De rechtbank overweegt verder dat uit eisers verklaringen naar voren komt dat hij ten tijde van het nader gehoor nog enigszins zoekende was in zijn geloof. Zo heeft eiser verklaard dat hij innerlijk christen is geworden maar dat het een lange weg is om een echte christen te worden. Ook heeft eiser verklaard dat hij, toen hij begon met zijn kerkbezoeken, aanvankelijk een matig innerlijk gevoel ervaarde dat sterker werd dankzij zijn kerkbezoeken. Daarnaast heeft eiser ook verklaard dat zijn kerkbezoeken meer een moment van meditatie en bezinning voor hem waren en dat hij wel wat, maar niet alles kon begrijpen van wat er werd gezegd omdat hij op dat moment nog geen Nederlands sprak. Het feit dat hij onder het christendom een verlosser had gaf hem de meeste rust.
De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling van eisers kennis over het christendom onvoldoende heeft betrokken dat eiser op het betreffende moment nog zoekende was en dat zijn kennis onderdeel was van een proces, volgend op de hiervoor beschreven specifieke persoonlijke voorgeschiedenis. Ook dit levert een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek op.
Activiteiten binnen het geloof
Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat hij naar de kerk gaat. In beroep heeft eiser ook een verklaring van zijn kerk overgelegd waaruit volgt dat hij in 2023 en 2024 regelmatig diensten heeft bijgewoond en dat hij een bijbelstudie volgt. De minister heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft uitgelegd waarom het zo belangrijk is voor hem om naar de kerk te gaan. Over de verklaring van eisers kerk heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat deze niet opweegt tegen de omstandigheid dat eiser zijn bekering niet aannemelijk heeft kunnen maken middels zijn eigen verklaringen over zijn motief voor en proces van bekering, over zijn kennis over het christendom en over zijn activiteiten met betrekking tot het christendom.
Zoals de rechtbank hierboven onder 7.5 heeft overwogen, heeft eiser verklaard dat kerkbezoeken voor hem een moment van meditatie en bezinning waren. Eiser heeft hiermee dus wel iets gezegd over het belang van kerkbezoeken voor hem. De rechtbank is daarnaast hierboven onder 7.3 tot het oordeel gekomen dat de minister eisers achtergrond onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling van eisers motief voor en proces van bekering. De rechtbank vindt het standpunt van de minister, dat eiser zijn bekering niet aannemelijk heeft kunnen maken met zijn verklaringen, in dat licht niet goed gemotiveerd. Het standpunt van de minister dat de activiteiten van eiser niet opwegen tegen de omstandigheid dat eiser zijn bekering niet aannemelijk heeft kunnen maken met zijn eigen verklaringen, houdt daarom ook geen stand. Dit levert een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek op.
8. De rechtbank concludeert dat de minister eisers achtergrond onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling van eisers verklaringen over zijn motief voor en proces van bekering. De minister heeft daarnaast eisers verklaringen over zijn motief voor en proces van bekering onvoldoende in samenhang beoordeeld met eisers verklaringen over zijn kennis van en over zijn activiteiten binnen het geloof. De beroepsgrond slaagt.
Is het gehoor zorgvuldig afgenomen?
9. Eiser voert aan dat enige onduidelijkheid in zijn verklaringen het gevolg zijn van de wijze waarop hij is gehoord. Er is namelijk op essentiële momenten tijdens het gehoor niet doorgevraagd.
De rechtbank overweegt dat eiser meermaals zeer emotioneel werd tijdens het nader gehoor. De omstandigheden van zijn jeugd en met name de ervaringen met zijn vader lijken daarbij triggers te zijn geweest. Tijdens de zitting is de rechtbank gebleken van een aanzienlijke mate van kwetsbaarheid bij eiser. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat op de momenten dat eiser emotioneel werd er niet is doorgevraagd naar zijn diepere motieven en ervaringen. Dit terwijl juist uit eisers emotie blijkt dat de vragen hem innerlijk diep raken en daarin opheldering en duiding zou kunnen worden gevonden op de later in het besluit aan hem tegengeworpen punten. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser in dit specifieke geval onvoldoende zorgvuldig gehoord is.
De beroepsgrond slaagt.
Heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM?
10. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij in Irak geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM vanwege zijn afvalligheid. Ten eerste heeft de minister het risico dat afvalligen lopen in de Irakese samenleving niet onderkend. Afvalligen in de Irakese samenleving kunnen te maken krijgen met intimidatie en geweld. Eiser wijst in dit kader op de Country Guidance: Iraq van november 2024 van de EUAA (hierna: de Country Guidance). Ten tweede heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat van eiser terughoudendheid verwacht mag worden bij het uiten van zijn afvalligheid. Dat eiser in het verleden zijn afvalligheid niet expliciet heeft geuit in Irak, maakt niet dat hij nu geen reëel risico zou lopen. De minister heeft hierin onvoldoende rekening gehouden met eisers verklaringen over zijn ervaringen in het verleden in Irak. Eiser betwist tot slot dat hij zijn afvalligheid niet zou hebben geuit in Nederland.
Uit de Country Guidance volgt:
“For other individuals considered to have committed blasphemy and/or apostasy, including atheists, the individual assessment of whether there is a reasonable degree of likelihood for the applicant to face persecution should take into account risk-impacting circumstances, in particular religious or non-religious practices that the applicant has engaged or will engage in. Publicly expressing views or adopting behaviour/practices that could be considered as apostasy, blasphemy or atheism would put the applicant at particular risk.”
De rechtbank maakt hieruit op dat afvalligen in Irak wel degelijk problemen kunnen ervaren. Uit eisers verklaringen volgt dat eiser ook (ernstige) problemen heeft ervaren in de persoonlijke sfeer, terwijl hij zijn afvalligheid toen nog niet expliciet uitdroeg. De rechtbank kan daarom de minister niet volgen in het standpunt dat afvalligheid geen problemen oplevert in de Irakese samenleving.
De rechtbank kan de minister daarnaast niet volgen in het standpunt dat van eiser terughoudendheid verwacht mag worden bij het uiten van zijn afvalligheid in Irak, omdat hij in het verleden zijn afvalligheid niet heeft durven uiten en dit in Nederland ook niet doet. Ten eerste zijn eisers gedragingen in het verleden niet doorslaggevend voor de vraag of in de toekomst terughoudendheid verwacht mag worden. Ten tweede heeft eiser in Nederland wel uiting gegeven aan zijn afvalligheid. Tijdens het nader gehoor heeft eiser immers verklaard dat hij in de opvang steeds erop werd aangesproken dat hij de gebruiken van de Ramadan niet naleefde. Eiser heeft daarop gezegd “laat me met rust, beschouw me als een christen.” Ten derde kan de rechtbank dit standpunt van de minister niet volgen gelet op wat eiser tijdens deze procedure heeft verklaard. Eiser heeft enerzijds weliswaar verklaard dat hij in Irak vermoord zou worden als hij zich zou uitspreken en dat hij niet bereid is om zijn leven kwijt te raken voor mensen die het niet verdienen. Hij heeft echter anderzijds verklaard dat hij zijn mond niet zal dichthouden en dat hij eerlijk zal antwoorden als mensen hiernaar vragen. Ook heeft eiser verklaard dat hij zijn overtuigingen niet voor zich kan houden voor een langere periode. Tijdens de zitting heeft eiser opnieuw verklaard dat zwijgen geen optie meer voor hem is, onder verwijzing naar een Bijbelvers: “Maar als je voor de mensen net doet of je Mij niet kent, zal Ik ook tegen mijn hemelse Vader net doen of Ik jou niet ken.” De rechtbank merkt daarnaast nogmaals op dat uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat eiser zichtbaar en zeer emotioneel was, met name bij de vragen over zijn innerlijke wereld. De rechtbank leidt hieruit af dat eiser (onder andere) zijn afvalligheid heel intens en daarmee voor anderen kenbaar voelt. De minister heeft dit onvoldoende betrokken bij de vraag of van eiser terughoudendheid verwacht kan worden bij het uiten van zijn afvalligheid in Irak.
De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
11. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eisers bekering tot het christendom ongeloofwaardig is. Daarnaast heeft de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Irak geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM vanwege zijn afvalligheid. Het bestreden besluit is daarmee in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers asielaanvraag te nemen. Dit omdat de bevoegdheid hiertoe in de eerste plaats bij de minister ligt. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat de gebreken in het besluit naar het oordeel van de rechtbank zo zwaarwegend zijn, dat een integrale heroverweging van het besluit dient plaats te vinden.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak. Om de minister voldoende gelegenheid te bieden om eiser opnieuw te horen, zal de rechtbank voor het nieuw te nemen besluit een wat ruimere termijn stellen dan gebruikelijk, te weten acht weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor de indiening van het beroepschrift en 1 punt voor de deelname aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 11 juni 2024;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F.A.M. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.