RECHTBANK DEN HAAG
[eiser 1] en [eiser 2] , eisers,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.23481 (beroep), NL24.23968 (voorlopige voorziening),
NL24.23486 (beroep) en NL24.23957 (voorlopige voorziening)
V-nummer [eiser 1] : [v-nummer 1]
V-nummer [eiser 2] : [v-nummer 2]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. T. Mustafazade),
en
(gemachtigde: mr. A.D. Röell).
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eisers voor verlening van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan en hebben verzocht om een voorlopige voorziening. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag. Ook beslist de rechtbank in deze uitspraak op het verzoek om de voorlopige voorziening
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat de minister terecht geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw aan eisers heeft verleend. Gezien de beslissing op het beroep van eisers, is er geen reden meer om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst het verzoek om die reden af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Eisers hebben allebei een aanvraag ingediend voor verlening van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw. De minister heeft deze aanvragen met de besluiten van 12 mei 2022 afgewezen. Met de bestreden besluiten van 28 mei 2024 op de bezwaren van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eisers hebben hierna nog aanvullende stukken ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 8 april 2026 samen met de verzoeken om een voorlopige voorziening hangende deze beroepen, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Vrijstelling griffierecht
3. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht voor de behandeling van hun beroep wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling voorlopig toegewezen. Met de door eisers overgelegde formulieren hebben zij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van griffierecht wordt daarom definitief toegewezen.
Waar gaat deze zaak over?
4. Eisers zijn geboren op [geboortedag 1] 2000 en [geboortedag 2] 2023 en hebben de nationaliteit van Bosnië-Herzegovina. Eisers hebben ernstige medische beperkingen. [eiser 1] heeft een verstandelijke beperking en is gediagnosticeerd met scoliose, spasticiteit en epilepsie. Hij is bekend met een ernstige ontwikke1ingsachterstand met een piramidebaansyndroom aan beide benen. Er is sprake van toename van scoliose (verkromming van de wervelkolom) en overmatige speekselvorming. [eiser 1] is onder behandeling van specialisten en krijgt medicatie voorgeschreven. [eiser 2] heeft ook een verstandelijke beperking en is gediagnosticeerd met epilepsie en spasticiteit aan beide benen. Hij heeft een ontwikkelingsachterstand met bipyramidaal syndroom. Er is sprake van een forse platvoet waarvoor [eiser 2] orthopedisch schoeisel draagt. [eiser 2] wordt tevens met medicatie behandeld. Vanwege deze medische klachten wensen eisers uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000.
Het bestreden besluit
De minister heeft, voor de beoordeling van de aanvragen, advies gevraagd aan het BMA. Het BMA heeft op meerdere momenten tijdens de procedure advies uitgebracht.
In het BMA-advies van 18 oktober 2023 wordt bovenstaande medische problematiek van [eiser 1] beschreven en geconcludeerd dat bij het uitblijven van behandeling voor epilepsie een medische noodsituatie wordt verwacht binnen een termijn van drie tot zes weken omdat dan epileptische insulten zijn te verwachten die in het uiterste geval niet stoppen en kunnen leiden tot het overlijden van [eiser 1] . Verder wijst de BMA-arts erop dat [eiser 1] door uitblijven van zorg door derden met enkele dagen/weken zou komen te overlijden door uitdroging en ondervoeding. De adviseur van het BMA laat weten dat de noodzakelijke medicatie en medische behandelingen in Bosnië-Herzegovina aanwezig zijn. De minister heeft het advies van het BMA gevolgd en de aanvraag voor uitstel van vertrek van [eiser 1] afgewezen.
In de BMA-adviezen van 17 februari 2023 en 25 september 2023 wordt bovenstaande medische problematiek beschreven van [eiser 2] waarvoor hij onder behandeling staat van specialisten. Bij het uitblijven van behandeling voor de epilepsie wordt een medische noodsituatie verwacht binnen een termijn van drie tot zes weken omdat dan epileptische insulten zijn te verwachten die in het uiterste geval niet stoppen en kunnen leiden tot het overlijden van [eiser 2] . Verder wijst de BMA-arts erop dat [eiser 2] door uitblijven van zorg door derden met enkele dagen/weken zou komen te overlijden door uitdroging en ondervoeding. De adviseur van het BMA laat weten dat de noodzakelijke medicatie en medische behandelingen in Bosnië-Herzegovina aanwezig zijn. De minister heeft het advies van het BMA gevolgd en ook de aanvraag voor uitstel van vertrek van [eiser 2] afgewezen.
Juridisch kader
6. Op grond van artikel 64 van de Vw blijft uitzetting achterwege zolang het, gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling, niet verantwoord is om te reizen. Op grond van het beleid van de minister, neergelegd in paragraaf A3/7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), kan de minister uitstel van vertrek verlenen op grond van artikel 64 van de Vw als sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM om medische redenen. Van zo’n risico is uitsluitend sprake als (1) uit het advies van het BMA blijkt dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie en (2) de noodzakelijke medische behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf niet beschikbaar is of (3) als in geval de noodzakelijke medische behandeling wel beschikbaar is, gebleken is dat deze aantoonbaar niet toegankelijk is.
Beschikbaarheid medische zorg
Eisers voeren aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de noodzakelijke medische behandeling in Bosnië-Herzegovina beschikbaar is.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de minister, als hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich ervan moet vergewissen dat dit voor wat betreft de wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Dit volgt uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als aan deze eisen is voldaan, mag de minister bij de beoordeling van een aanvraag van een zodanig advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten aanwezig zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid daarvan.
De rechtbank is van oordeel dat de BMA-adviezen, gelet op de daarin opgenomen informatie, op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, de redenering in die adviezen begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. De adviezen zijn helder en objectief. Hierin staat vermeld welke medische behandeling en medicatie eisers nodig hebben en waar zij die in Bosnië-Herzegovina kunnen krijgen. Eisers hebben geen concrete aanknopingspunten aangevoerd om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de in deze procedure voorliggende BMA-adviezen. Eisers hebben enkel stukken overgelegd van door hen benaderde zorginstellingen in Bosnië-Herzegovina waarin wordt aangegeven dat bepaalde medicatie niet beschikbaar is. Voor zover deze stukken al zouden zien op de beoordelingsperiode tot aan het bestreden besluit, blijkt hieruit naar het oordeel van de rechtbank niet dat de medicatie niet beschikbaar is bij de door het BMA aangewezen instellingen. Bovendien hebben eisers niet de vraagstelling overgelegd ten aanzien van de door hen aangeschreven zorginstellingen. De minister heeft daarom terecht geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de BMA-adviezen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Feitelijke toegankelijkheid noodzakelijke medische zorg
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, gebaseerd op het arrest Paposhvili, volgt dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst op grond van zijn slechte gezondheidstoestand een reëel risico in de zin van artikel 3 van het EVRM loopt omdat, indien de noodzakelijke medische zorg aldaar beschikbaar is, deze in zijn geval niet feitelijk toegankelijk is. Dit hoeft volgens het EHRM geen ‘clear proof’ te zijn. Dit betekent dat de vreemdeling aannemelijk moet maken wat de kosten zijn van de voor hem noodzakelijke behandeling in het land van herkomst. Verder moet de vreemdeling, als hij stelt dat deze behandeling om financiële of andere redenen voor hem feitelijk niet toegankelijk is, dat aannemelijk maken. Als de vreemdeling dit aannemelijk heeft gemaakt, is het aan de nationale autoriteiten van de uitzettende staat om de twijfel over een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM weg te nemen.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers daar niet in geslaagd. Voor zover eisers zich op het standpunt stellen dat de noodzakelijke medische zorg voor hen feitelijk niet toegankelijk is omdat deze zorg beschikbaar is in Sarajevo en zij zich alleen kunnen wenden tot zorginstellingen binnen hun eigen kanton [plaats] overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat eisers zich niet kunnen vestigen in Sarajevo. Eisers zijn weliswaar afkomstig uit het naastgelegen kanton [plaats] , maar er zijn geen onderbouwde
belemmeringen aangevoerd ten aanzien van vestiging in het kanton Sarajevo. Er zijn daarnaast geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat eisers vanuit het kanton Sarajevo geen toegang tot de noodzakelijke behandeling hebben. Daarnaast volgt de rechtbank de minister in het standpunt dat een fysieke overdracht van eisers aan een instelling niet nodig is. De moeder van eisers is immers niet in het bezit van een verblijfsvergunning waardoor zij niet de vrije keuze heeft om in Nederland achter te blijven. Dat de moeder van eisers niet de wens heeft om Nederland te verlaten doet niets af aan het feit dat aan haar een terugkeerbesluit is opgelegd. Voor haar bestaat derhalve de plicht om met het gehele gezin terug naar het land van herkomst te reizen. Gelet hierop wordt aan de (on)mogelijkheid van een fysieke overdracht van eisers niet toegekomen.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister terecht geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw aan eisers heeft verleend. Gezien de beslissing op het beroep van eisers, is er geen reden meer om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst het verzoek om die reden af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank, in de zaken NL24.23481 en NL24.23486:
- verklaart de beroepen ongegrond;
De voorzieningenrechter, in de zaken NL24.23968 en NL24.23957:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.