uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] , [eiseres] en [minderjarige], V-nummers: [V-nummer] , [V-nummer] en [V-nummer] , eisers
(gemachtigde: mr. D.J. Keiman),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. J. Wieman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 8 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvragen.
De rechtbank heeft de beroepen op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, W. Zhang als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvragen in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van de besluiten
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Arrest C.K
5. Eisers doen ten aanzien van [eiseres] (hierna: eiseres) een beroep op het arrest C.K. Hiertoe voeren eisers aan dat eiseres medische klachten ervaart, onder behandeling van een psycholoog staat en gebruik maakt van medicatie, namelijk Mirtazapine. Verder staat zij ook onder behandeling bij het ziekenhuis bij de afdeling gynaecologie vanwege ernstige bloedingen. Ter zitting voeren eisers nog aan dat eiseres sinds kort ook last heeft psychoses waarbij zij ’s nachts nachtmerries heeft en schreeuwend wakker wordt. Desondanks stelt de minister zonder nader onderzoek dat geen sprake is van ernstige problematiek en weigert een BMA-advies in te winnen. Dat is niet terecht, aldus eisers.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest C.K. volgt dat overdracht van een vreemdeling achterwege dient te blijven indien de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou leiden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Indien deze gegevens worden overgelegd, dient de minister het risico op een dergelijke verslechtering van de gezondheidstoestand te laten onderzoeken door het BMA, zo volgt uit Werkinstructie 2021/3.
7. De beroepsgrond slaagt niet. Uit de (medische) stukken blijkt niet dat de overdracht zelf tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiseres zou leiden. Ook zijn er geen aanwijzingen dat Nederland het meest aangewezen land is om eiseres te behandelen. De afspraakbevestiging van een afspraak bij de gynaecoloog is ook niet voldoende voor het oordeel dat overdracht zelf tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiseres zou leiden. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, wat niet door eisers wordt betwist, worden de medische voorzieningen in Frankrijk geacht van voldoende kwaliteit te zijn en mag ook worden aangenomen dat deze voorzieningen ter beschikking staan aan Dublinclaimanten. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister gehouden was een BMA-advies op te vragen.
Artikel 16 van de Dublinverordening
8. Eisers voeren aan dat zij in Nederland bij de broer van eiseres willen verblijven. Zij doen een beroep op artikel 16 van de Dvo en stellen dat sprake is van afhankelijkheid tussen eiseres en haar broer. Volgens eisers is sprake van een uitzonderlijk hechte band tussen eiseres en haar broer die verder gaat dan de gebruikelijke familiebanden. Eiseres en haar broer hebben altijd samengewoond sinds zijn geboorte en eiseres heeft altijd voor haar broer gezorgd. Ook toen eiseres ging samenwonen met haar man en zij hun dochter kregen, bleef haar broer bij hen wonen. Ter onderbouwing overleggen eisers een huishoudboekje waarin de registratie van adresgegevens is opgenomen.
9. De rechtbank oordeelt als volgt. Artikel 16 van de Dvo is niet van toepassing op de situatie van eisers. Er is namelijk niet gebleken van een afhankelijkheid tussen het gezin dan wel eiseres en haar broer door een zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte, een zware handicap of hoge leeftijd. Dat is wel een voorwaarde voor de toepassing van dit artikel. Afhankelijkheid op enige wijze volgt verder ook niet uit het dossier. Eisers hebben geen stukken van bijvoorbeeld een arts of psycholoog overgelegd waaruit de afhankelijk zou moeten blijken. De enkele stellingen van eisers en/of de brieven van de familieleden zijn onvoldoende. Daar komt bij dat voor de toepassing van artikel 16 van de Dvo een voorwaarde is dat het gaat om afhankelijkheid met een persoon die legaal in een Dublinland verblijft. De broer van eiseres heeft asiel aangevraagd in Nederland en is nog in afwachting van een beslissing. Hij heeft dus (nog) geen verblijfsrecht in Nederland. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
10. Eisers stellen dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvragen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo aan zich te trekken. Hiertoe voeren eisers aan dat [eiser] (hierna: eiser) in een gevorderd stadium zit van de overname van een Chinees restaurant in Nederland, waardoor een economische binding met Nederland ontstaat. Eiser beschikt ook over een vermogen van ongeveer 260.000 euro en eisers hebben stukken van de China Construction Bank in Hongkong overgelegd ter onderbouwing van dit standpunt.
11. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
12. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvragen niet onverplicht aan zich had hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Frankrijk onevenredig hard is. De omstandigheid dat eiser bezig is met de overname van een Chinees restaurant in Nederland kan niet worden aangemerkt als bijzondere, individuele omstandigheid die de minister aanleiding had moeten geven om de aanvragen in behandeling te nemen. De Dvo ziet namelijk niet op de bescherming van economische belangen. Het vermogen van eiser is ook geen bijzondere, individuele omstandigheid als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Dvo. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
13. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 mei 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen