RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.19682, NL26.19686 en NL26.19688
[verzoeker] , [verzoekster] en [minderjarige], V-nummers: [V-nummer] , [V-nummer] en [V-nummer] , verzoekers
(gemachtigde: mr. D.J. Keiman),
en
(gemachtigde: mr. J. Wieman).
Procesverloop
Bij besluiten van 8 april 2026 (de bestreden besluiten) heeft de minister de aanvragen van verzoekers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken, tezamen met de zaken NL26.19681, NL26.19685 en NL26.19687, op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen W. Zhang. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummers NL26.19681, NL26.19685 en NL26.19687, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op de beroepen. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om die reden af.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 mei 2026