[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Isibor).
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. In de rest van de uitspraak zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vrijstelling griffierecht
6. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen vanwege betalingsonmacht. Eiser heeft voldoende aangetoond dat hij aan de voorwaarden voor deze vrijstelling voldoet. De rechtbank verleent eiser daarom vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen. Het bestreden besluit
7. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1993. De minister heeft een inreisverbod opgelegd zoals bedoeld in artikel 66a, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat eiser niet uit eigen beweging binnen de gestelde termijn Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland heeft verlaten. Volgens de minister is geen sprake van een schending van het recht op familie- en gezinsleven uit artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser kan namelijk zijn relatie en familiecontacten ook vanuit Algerije voortzetten. Het inreisverbod geldt voor een periode van twee jaar. Het terugkeerbesluit
8. Eiser voert aan dat de minister niet heeft aangetoond dat sprake is van een rechtsgeldig terugkeerbesluit. Het besluit van 13 maart 2024 maakt geen deel uit van de onderliggende stukken van het bestreden besluit. Daarnaast voert eiser aan dat hij niet op de hoogte was van het opgelegde terugkeerbesluit. Volgens eiser is niet gebleken van een vorm van openbare betekening van het terugkeerbesluit op grond waarvan redelijkerwijs aangenomen kan worden dat hij op de hoogte was van het besluit. Hierbij stelt eiser zich verder op het standpunt dat de advocaat destijds kennelijk niet gemachtigd was om te reageren in de asielzaak. Omdat eiser niet op de hoogte was van het terugkeerbesluit, kan hem ook niet worden tegengeworpen dat hij niet op tijd vertrokken is.
9. De rechtbank oordeelt als volgt. Tijdens de zitting heeft de minister alsnog het besluit van 13 maart 2024 overgelegd. Uit de aanvulling op de gronden blijkt daarnaast dat eiser via een ander dossier al toegang had tot dit document. Daarom is er geen sprake van een informatieachterstand aan de kant van eiser en heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om eiser nog om een reactie te vragen. Verder is niet betwist dat het besluit van 13 maart 2024 naar de advocaat is verzonden die eiser destijds bijstond. Het gaat hier dan ook alleen om de vraag of de genoemde advocaat bevoegd was om namens eiser op het besluit te reageren. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft onderbouwd op welke wijze de advocaat volgens hem onbevoegd was. De minister mocht er daarom van uitgaan dat de advocaat wel bevoegd was om namens eiser op te treden en heeft daarom terecht het besluit naar die advocaat gestuurd. Het terugkeerbesluit is dus op de juiste wijze bekendgemaakt. Openbare betekening was niet nodig. Gelet daarop slaagt de beroepsgrond van eiser niet.
Het inreisverbod
10. Eiser voert aan dat er geen ruimte was voor het opleggen van een separaat en zelfstandig licht inreisverbod van de duur van twee jaar. De asielaanvraag van eiser is als ongegrond afgewezen en hierbij is een terugkeerbesluit opgelegd met een termijn van vier weken. Volgens eiser was er geen reden tot het opleggen van een terugkeerbesluit zonder termijn en een inreisverbod. Dit is ten onrechte solitair opgelegd. Gelet op artikel 11 van de Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG (Tri) had de minister bij het nemen van het besluit van 13 maart 2024 de gelegenheid tot het afzien van een termijn waarmee automatisch een inreisverbod van toepassing zou zijn, of een inreisverbod ‘kon’ met een reden worden gegeven.
11. De rechtbank volgt dit standpunt van eiser niet. Artikel 66a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet ziet op twee situaties. Allereerst de situatie (sub a) dat er gelijktijdig met een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn ook een inreisverbod wordt opgelegd; en als tweede de situatie (sub b) dat er eerder een terugkeerbesluit met een vertrektermijn is opgelegd maar de vreemdeling Nederland niet binnen die vertrektermijn heeft verlaten. Die tweede situatie is hier aan de orde. Het inreisverbod is dus niet gelijktijdig met het terugkeerbesluit opgelegd, omdat er toen nog een vertrektermijn liep. De rechtbank begrijpt uit de redenering van eiser dat hij heeft willen aanvoeren dat, doordat er geen vertrektermijn van nul dagen is opgelegd, het niet meer mogelijk zou zijn om later alsnog een inreisverbod op te leggen. Eiser was niet op de zitting aanwezig om nadere uitleg te geven over zijn redenering. Er bestaat geen rechtsregel die verbiedt dat op een later moment (na het verstrijken van de vertrektermijn) alsnog een inreisverbod wordt opgelegd. De beroepsgrond van eiser slaagt dus niet.Artikel 8 van het EVRM
12. Eiser voert aan dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM, omdat zijn partner en broers in Frankrijk wonen. Volgens eiser schaadt het inreisverbod de omgang met zijn vriendin. Ook zou eiser andere familieleden niet kunnen bezoeken.
13. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw kan de minister om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Op grond van paragraaf A4/2.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) worden artikel 8 EVRM-aspecten meegewogen bij het besluit tot uitvaardigen van een inreisverbod.
14. In het proces-verbaal van gehoor zijn de vragen opgenomen die aan eiser zijn gesteld om hem in de gelegenheid te stellen toe te lichten waarom van het opleggen van een inreisverbod afgezien moet worden. Zo heeft eiser verklaard dat hij al drie jaar een vriendin heeft in [plaats] , Frankrijk, en dat deze relatie richting een huwelijk gaat. Daarnaast heeft hij verklaard dat zijn drie broers ook in Frankrijk wonen en dat hij telefonisch contact met hen heeft.
15. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de enkele verklaring dat eiser een relatie en familie in Frankrijk heeft, onvoldoende is om af te zien van oplegging van een inreisverbod op grond van artikel 8 van het EVRM.
16. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder zich op dat standpunt stellen. De stelling dat eiser een vriendin en familie heeft in Frankrijk is niet nader onderbouwd met documenten. Zo zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat deze personen bestaan of waaruit hun woonsituatie in Frankrijk blijkt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
17. Uit de stukken blijkt ook dat eiser zich een aantal keer beroept op artikel 3 van het EVRM. Echter, eiser heeft in dit verband geen nadere uitleg of onderbouwing gegeven. Gelet op het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing, ziet de rechtbank geen aanleiding om ervan uit te gaan dat er sprake is van strijd met artikel 3 van het EVRM.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de minister terecht een inreisverbod heeft opgelegd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. N.B. Tool, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 16 april 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.