beschikking
RECHTBANK DEN HAAG
Team Toezicht
rekestnummer: C/09/699147 / FT RK 26/78
vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
hierna: [verzoeker] ,
verzoeker,
advocaat: mr. M.N. Mense,
tegen
[bedrijf] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster.
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] heeft een verzoekschrift ingediend strekkende tot faillietverklaring van [bedrijf] B.V. De rechtbank wijst dit verzoek af. Zij legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1. De procedure
[verzoeker] heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot
faillietverklaring van [bedrijf] B.V.
Het verzoekschrift is op 31 maart 2026 en 28 april 2026 in raadkamer behandeld. Bij die
gelegenheden is uitsluitend mr. Mense voornoemd verschenen en gehoord. Namens [bedrijf] B.V. is, hoewel zij daar wel op de juiste manier voor is opgeroepen, niemand verschenen.
2. De beoordeling
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, Verordening 2015/848 van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (herschikking IVO), bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [bedrijf] B.V. in Nederland ligt.
Beoordelingskader
Een faillissement kan op verzoek worden uitgesproken wanneer van een vorderingsrecht van
een verzoeker is gebleken én is gebleken dat de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen (de faillissementstoestand). Van die toestand is sprake wanneer de schuldenaar diverse schuldeisers heeft en hij niet meer betaalt. Een en ander moet summierlijk
blijken, dat wil zeggen dat zowel de toestand als de vordering na een kort, eenvoudig onderzoek moeten blijken. Voor een uitgebreid onderzoek is in een faillissementsprocedure geen plaats.
Vorderingsrecht van verzoeker
[verzoeker] stelt dat hij een vordering heeft op [bedrijf] B.V. van € 22.025,92 uit
hoofde van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 12 november 2025, vermeerderd met latere huurtermijnen, diverse kosten en rente en te verminderen met de veilingopbrengst.
De totale vordering bedraagt nu € 27.856,82. Gesteld noch gebleken is dat deze vordering wordt betwist of is betaald. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee summierlijk gebleken van het vorderingsrecht van verzoeker.
Pluraliteit
De rechtbank heeft de behandeling op 31 maart 2026 aangehouden om [verzoeker] de
gelegenheid te geven de vermeende steunvordering te concretiseren met minimaal een recente vordering van een specifieke schuldeiser. Bij de voortgezette behandeling op 28 april 2026 heeft mr. Mense namens [verzoeker] de gevraagde informatie niet kunnen overleggen. Volgens hem is dat blijkens jurisprudentie niet nodig en volstaat de jaarrekening 2023 met de daarin genoemde schulden. De rechtbank volgt hem hierin echter niet. Zij overweegt daartoe als volgt.
De vermelding in een jaarrekening van schulden levert geen dwingend bewijs op van het bestaan van die vorderingen. Dit geeft in het onderhavige geval hooguit een tot bewijs strekkende aanwijzing van de (kortlopende en langlopende) schulden per 31 december 2023 ten bedrage van € 152.369,-. Daar staat volgens dezelfde jaarrekening een totaal van (vaste en vlottende) activa van € 311.709,- tegenover. Op basis van de jaarrekening over het jaar 2023 is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet summierlijk gebleken dat [bedrijf] B.V. op dit moment, naast de schuld aan [verzoeker] , ook andere schuldeisers onbetaald laat. Volgens [verzoeker] is er een derde die te kennen heeft gegeven een vordering op [bedrijf] B.V. te hebben, maar dienaangaande zijn geen stukken geproduceerd.
Nu van de voor faillietverklaring vereiste pluraliteit niet summierlijk is gebleken, zal het faillissementsverzoek worden afgewezen.
3. De beslissing
De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot faillietverklaring van [bedrijf] B.V., voornoemd.
Dit is een beslissing van mr. R. Cats, rechter, in samenwerking met R. Becker, griffier.
Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan aan wie de Faillissementswet dat recht toekent gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.